Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14216

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
C/09/542348 / JE RK 17-2251
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en Afwijzing verzoek vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/542348 / JE RK 17-2251 en C/09/543129 / JE RK 17-2370

Datum uitspraak: 23 november 2017

Beschikking van de kinderrechter

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing

Afwijzing verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing

in de zaak naar aanleiding van het op 1 november 2017 ingekomen verzoekschrift (I) van:

[verzoekster]

de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Bergen op Zoom,

en

in de zaak naar aanleiding van het op 16 november 2017 ingekomen verzoekschrift (II) van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna ook te noemen: de gecertificeerde instelling),

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats]

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt ten aanzien van beide verzoeken als belanghebbenden aan:

de moeder voornoemd,

de gecertificeerde instelling voornoemd,

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 2] .

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- de verzoekschriften (I en II).

Op 20 november 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [A] en de heer [B] namens de gecertificeerde instelling;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. R.A. Remport Urban;
- mevrouw [C] tolk in de Hongaarse taal;
- de vader.

Feiten

- [minderjarige] is erkend door de vader.

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige] verblijft feitelijk bij de vader.

- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 oktober 2017 [minderjarige] onder toezicht gesteld van 19 september 2017 tot 19 september 2018.

- De gecertificeerde instelling heeft de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven op
19 oktober 2017, ertoe strekkende dat – tot het moment waarop de moeder geschikte huisvesting vindt waar de zorgregeling van 4 oktober 2017 kan worden uitgevoerd – contact tussen [minderjarige] en de moeder plaatsvindt onder begeleiding van de gecertificeerde instelling. Er worden in overleg met de moeder drie contactmomenten ingepland en deze contactmomenten worden geëvalueerd. Na deze evaluatie wordt de frequentie en duur van de contacten voor langere tijd nader bepaald. Bij de begeleide bezoeken gelden de volgende afspraken:

 de moeder dient zich begeleidbaar op te stellen jegens de betreffende jeugdbeschermer door de aanwijzingen van de jeugdbeschermer op te volgen;

 de moeder dient zich aan de afspraken te houden die vooraf met de jeugdbeschermer gemaakt zijn, zoals: communiceren met [minderjarige] in het Nederlands, [minderjarige] niet belasten met volwassen zaken, [minderjarige] niet betrekken in de strijd die de moeder met de vader voert;

 de moeder dient emotioneel beschikbaar te zijn voor [minderjarige] tijdens het begeleid bezoek.

Verzoeken en verweer

Verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing

Verzoek I strekt ertoe de hiervoor genoemde schriftelijke aanwijzing geheel vervallen te verklaren. De moeder heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. De ruzie en spanningen tussen de vader en de moeder worden volledig en uitsluitend voor rekening van de moeder gebracht, terwijl ook de vader debet is aan de problemen. De stelling dat er twijfels zijn over de voorspelbaarheid van de moeder (zoals uit de schriftelijke aanwijzing blijkt), acht de moeder, zonder grondig onderzoek of gegronde reden, onacceptabel. Er is daarnaast geen enkele reden om aan te nemen dat de moeder met [minderjarige] naar Hongarije zou gaan vertrekken. Het verbod om in de moedertaal van [minderjarige] – het Hongaars – te communiceren is in strijd met artikel 8 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. [minderjarige] is immers tweetalig opgevoed. Er zijn minder vergaande middelen om te regelen dat de begeleiders kunnen meeluisteren, zoals het inschakelen van een tolk. De moeder kan zich daarnaast niet verenigen met de begeleide omgang. Er is geen enkele valide contra-indicatie voor onbegeleide omgang en zij was immers de hoofdverzorgster van [minderjarige] , aldus de moeder.

Verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing

Verzoek II strekt er toe de hiervoor genoemde schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. De gecertificeerde instelling heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. In anderhalf jaar tijd hebben er veel incidenten plaatsgevonden. De moeder heeft sinds kort de woning van de vader verlaten en zij heeft nog geen vaste huisvesting, waardoor de zorgregeling zoals die eerder door de kinderrechter is vastgesteld, nog niet van kracht is. Na het verstrekken van de schriftelijke aanwijzing heeft de moeder deze niet opgevolgd. Er hebben inmiddels twee van de drie begeleide contactmomenten plaatsgevonden. De moeder is het niet eens met de afspraken en is niet van plan om hieraan mee te werken. Zo heeft de moeder zich tijdens de begeleide bezoeken niet begeleidbaar opgesteld jegens de jeugdbeschermer. Er ontstaat een gespannen sfeer doordat de moeder tijdens de speelmomenten met [minderjarige] gesprekken met de jeugdbeschermer wil aangaan over keuzes die de jeugdbeschermer heeft gemaakt. De moeder is hierdoor niet emotioneel beschikbaar voor [minderjarige] . De moeder maakte [minderjarige] bang. De moeder weigert daarnaast in het Nederlands met [minderjarige] te spreken, terwijl de moeder zich in het Nederlands verstaanbaar kan maken en de jeugdbeschermer hierdoor niet kan toezien op het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Omdat het belang van [minderjarige] groot is om de moeder in een veilige omgeving te kunnen ontmoeten, is het belangrijk dat de schriftelijke aanwijzing wordt bekrachtigd, aldus de gecertificeerde instelling.

De vader heeft aangegeven dat hij het eens is met de schriftelijke aanwijzing en dat hij bang is dat de moeder naar Hongarije zal vluchten met [minderjarige] . De moeder fluistert [minderjarige] daarnaast negatieve dingen in over de vader en de jeugdbeschermer.

Beoordeling

De kinderrechter overweegt allereerst dat bij beschikking van 3 oktober 2017 een voorlopige regeling inhoudende een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de kinderrechter in deze rechtbank is vastgesteld, ingaande ‘op het moment dat de moeder over een geschikte woning beschikt (te beoordelen door de jeugdbeschermers)’. Een dergelijke regeling kan in beginsel slechts gewijzigd worden door de kinderrechter onder de voorwaarden genoemd in art. 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Omdat de moeder – naar het oordeel van de gecertificeerde instelling – nog niet over een geschikte woonruimte beschikt, is de gecertificeerde instelling overgegaan tot het vaststellen van een omgangsregeling door middel van het geven van een schriftelijke aanwijzing, die geldt tot het moment waarop de moeder geschikte huisvesting vindt waar de eerder vastgestelde zorgregeling kan worden uitgevoerd. De gecertificeerde instelling was hiertoe bevoegd op grond van art. 1:256f BW.

De kinderrechter overweegt daarnaast dat op grond van artikel 1:263 BW een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hieruit volgt dat de vraag beantwoord dient te worden of de gecertificeerde instelling in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen, en voorts of de schriftelijke aanwijzing in het belang van [minderjarige] kan worden geacht. De kinderrechter overweegt dat de ondertoezichtstelling is uitgesproken vanwege de conflictueuze relatie tussen de ouders en de gevolgen hiervan voor [minderjarige] . Die zorg is, blijkens de stukken en de verklaringen van de gehoorde personen, thans nog actueel. Daar komt bij dat de houding van de moeder tijdens de omgangsmomenten spanningen bij [minderjarige] lijkt op te roepen, terwijl de begeleide omgangsmoment juist zijn bedoeld om het mogelijk te maken voor [minderjarige] om onbelast contact te hebben met zijn moeder. De kinderrechter acht het van belang dat [minderjarige] niet langer zal worden belast met de strijd tussen de ouders. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de gecertificeerde instelling in redelijkheid tot de huidige omgangsregeling – en de voorwaarden die aan de omgangsmomenten zijn gesteld – zoals vervat in de schriftelijke aanwijzing, heeft kunnen komen en acht deze schriftelijke aanwijzing noodzakelijk om de concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter acht de schriftelijke aanwijzing dan ook in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter zal het verzoek tot bekrachtiging daarom toewijzen en het verzoek tot vervallen verklaring afwijzen.

*Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoek*ster ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is verzoek*ster ontvankelijk in zijn*haar verzoek.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 19 oktober 2017;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.G. Nuboer als griffier en in het openbaar uitgesproken op
23 november 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.