Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14151

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
C/09/522638 / HA ZA 16-1338
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid - Begaclaim-jurisprudentie - rechtmatigheid aanhouding - buitengebruikstelling voertuig o.g.v. Wet Mulder - tussenvonnis met bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0921
AR 2017/6362
NJF 2018/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/522638 / HA ZA 16-1338

Vonnis van 29 november 2017

in de zaak van

1 [A] ,

kantoorhoudende te [plaats 1] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats] ,

2. [B],

kantoorhoudende te [plaats 1] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van

[eiseres sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [C],

kantoorhoudende te [plaats 2] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van

[eiser sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat: mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. I.C. Engels te Den Haag.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] en gezamenlijk eisers genoemd worden. Gedaagde zal de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 november 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 22 maart 2017, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief met producties zijdens eisers van 16 juni 2017;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 10 juli 2017;

  • -

    de brief met producties zijdens eisers van 19 juli 2017;

  • -

    de rolbeslissing van 16 augustus 2017;

  • -

    de brief met producties zijdens eisers van 29 augustus 2017;

  • -

    de akte uitlating producties zijdens de Staat.

1.2.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 3] en [eiseres sub 2] zijn broer en zus. [eiseres sub 1] is de dochter van [eiseres sub 2] . Zij zijn allen onder bewind gesteld.

2.2.

Op vrijdag 31 januari 2014 zijn [eiser sub 3] , [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] gezamenlijk boodschappen gaan doen met een auto waarvan het kenteken – [kenteken] (hierna: de auto) – op naam van [eiseres sub 1] stond. [eiser sub 3] was op dat moment de bestuurder, [eiseres sub 1] zelf zat op de bijrijdersstoel en [eiseres sub 2] zat achterin. In de buurt van de supermarkt bleek de te volgen weg geblokkeerd te zijn door een lossende vrachtwagen. [eiser sub 3] heeft daarop aan een aanwezige politieagent, [X] , hoofdagent bij Politie Amsterdam (hierna: verbalisant [X] ), gevraagd of hij tegen de richting in een eenrichtingsweg in mocht rijden. Verbalisant [X] heeft daarop geantwoord dat dat niet mocht, waarna tussen [eiser sub 3] en de verbalisant een woordenwisseling is ontstaan.

2.3.

Naar aanleiding van deze woordenwisseling heeft verbalisant [X] inzage in het legitimatiebewijs van [eiser sub 3] gevorderd, waarna bleek dat [eiser sub 3] op dat moment gesignaleerd stond om te worden aangehouden in verband met de zaken [nummer 1] (politie Amsterdam) en [nummer 2] (politie Zaandijk). Tevens bleek dat [eiser sub 3] 29 sancties op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) (hierna te noemen: de verkeersboetes) had openstaan, met een totaalbedrag van € 5.670.

2.4.

Daarop is [eiser sub 3] om 16:14 uur aangehouden op grond van de openstaande signalering. Daarbij zijn hem transportboeien omgedaan. De auto is buiten gebruik gesteld en later in depot genomen.

2.5.

[eiseres sub 1] is na de aanhouding van [eiser sub 3] op de bestuurdersstoel gaan zitten. Zij is, na een woordenwisseling met de verbalisanten, met toepassing van fysiek geweld uit de auto gehaald door de verbalisanten en om 16:15 uur aangehouden wegens een verdenking van overtreding van artikel 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) in verbinding met artikel 180 Sr. Ook [eiseres sub 2] is met toepassing van fysiek geweld uit de auto gehaald door de verbalisanten en om 16:25 uur aangehouden wegens verdenking van overtreding van dezelfde bepalingen. Van het gebruikte geweld is melding gemaakt via zogeheten Meldingsformulieren geweldaanwending.

2.6.

Bij op 31 januari 2014 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen hebben verbalisant [X] en een aanwezige collega, [Y] , brigadier van Politie Amsterdam (hierna: verbalisant [Y] ) over het voorgaande – voor zover relevant – het volgende verklaard:

Dienstverrichting

Op vrijdag 31 oktober 2014, omstreeks 16:00 uur, bevonden wij, verbalisanten [X] en [Y] , ons in uniform gekleed met fietssurveillance belast in Amsterdam. Ik, verbalisant [X] , bevond mij in de Celebesstraat ter hoogte van de Balistraat. Ik, verbalisant [Y] , bevond mij in de Molukkenstraat.

Ik, verbalisant [X] , werd hier, Celebesstraat ter hoogte van de Balistraat, aangesproken door een mij onbekende man die mij riep vanuit zijn auto. Ik zag dat dit een blauwe Mercedes was voorzien van kenteken [kenteken] . Ik zag dat de man een vrouwelijke bijrijder naast hem had zitten. Ik zag dat er ook nog een vrouw achterin zat.

(…)

De man bleek later te zijn:

** [eiser sub 3] geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] **

Algemene Plaatselijke Verordening

Ik, verbalisant [X] , hoorde dat [eiser sub 3] vroeg, of hij even tegen de richting in mocht rijden omdat Balistraat vast stond door een stilstaande vrachtauto. Ik zag dat die richting ook vol met auto’s stond en antwoordde [eiser sub 3] dat dit niet mocht en dat hij geduld moest hebben. Hierop hoorde ik [eiser sub 3] met luide stem zeggen: ?White power. Zo gaat het hier in Nederland.? Ik stond op een afstand van ongeveer 15 meter van [eiser sub 3] en ik kon [eiser sub 3] duidelijk verstaan. Ik zag dat er meerdere mensen in de omgeving liepen en meerdere voertuigen stonden met personen daarin. Kennelijk jouwde [eiser sub 3] mij uit en konden meerdere mensen dit horen. Ik hoorde [eiser sub 3] vervolgens tegen een vrouwelijke bijrijder zeggen: “Hij is een racist, dit is omdat we niet blank zijn.” Of woorden van gelijke strekking. Ik voelde mij namelijk door deze woorden in mijn eer aangetast.

Vaststelling identiteit [eiser sub 3]

Hierop vorderde ik, verbalisant [X] , [eiser sub 3] zijn legitimatiebewijs ter inzage aan te bieden. Ik zag dat [eiser sub 3] aan deze vordering voldeed en toonde mij een Nederlands rijbewijs. (…) Ik zegde [eiser sub 3] een mini proces-verbaal aan voor het overtreden van artikel 2.2. van de Algemene Plaatselijke Verordening te Amsterdam, ‘uitjouwen’, en ben deze gaan uitschrijven.

(…)

Ik, verbalisant [Y] , kwam ongeveer twee minuten later ter plaatse. Ik bevroeg [eiser sub 3] via de portofoon na bij collega’s, ter controle in de door ons beschikbare systemen.

Signalering

Wij, verbalisanten, hoorden enkele ogenblikken later dat [eiser sub 3] meerdere signaleringen open had staan, namelijk:
- 29 Mulder buitengebruikstellingen met een totaal bedrag van 5670,- euro;

  • -

    Opsporen aanhouden, [nummer 1] , Amsterdam,

  • -

    Opsporen aanhouden, [nummer 2] , Zaandijk

Buitengebruikstelling

Hierop deelden wij, verbalisanten, [eiser sub 3] voornoemd mede en vroegen hem of hij de voornoemde 29 mulder buitengebruikstellingen kon betalen. Wij hoorden [eiser sub 3] zeggen dat hij die niet kon betalen. Hierop hebben wij [eiser sub 3] aangehouden en genoemd voertuig buiten gebruik gesteld.

Hierop vroeg ik, verbalisant [Y] , de twee vrouwen het voertuig te verlaten omdat we deze buitengebruik gesteld hadden in verband met de signaleringen.

[eiseres sub 1]

Wij, verbalisanten, hoorde dat de bijrijdster, zei: “Jullie nemen de auto niet mee.” Zij bleek later te zijn:

** [eiseres sub 1] geboren op [geboortedatum 2] te [geboortestreek 1] **

Wij, verbalisanten, zagen dat [eiseres sub 1] op de bestuurdersstoel plaats nam. Ik, verbalisant [Y] , legde op rustige tonatie uit wat de procedure inhield en dat wij de auto buiten gebruik moesten stellen. Hierop hoorden wij, verbalisanten, [eiseres sub 1] zeggen: “Jullie krijgen de auto niet mee.” Hierop vorderde ik, verbalisant [Y] , [eiseres sub 1] de sleutels te overhandigen. Wij zagen dat [eiseres sub 1] hier niet aan voldeed. Wij zagen dat [eiseres sub 1] bleef zitten en hoorden [eiseres sub 1] schreeuwen: “ Het is mijn auto.” Hierop vorderde ik [eiseres sub 1] nogmaals de sleutels te overhandigen. Ik zag dat [eiseres sub 1] hier niet aan voldeed. Kennelijk wilde [eiseres sub 1] niet voldoen aan de verplichting tot overgifte van de autosleutels. Hierop probeerde ik, verbalisant [Y] , de sleutels uit het contactslot te halen. Ik bukte voorover de auto in en reikte met mijn hand naar het contactslot. Ik zag dat [eiseres sub 1] mijn hand wegduwde en de sleutels pakte. Ik vorderde [eiseres sub 1] de sleutels te overhandigen en zag dat ze hier niet aan voldeed. Hierop heb ik, verbalisant [Y] , [eiseres sub 1] aangehouden. Tijdens de aanhouding verzette [eiseres sub 1] zich. Ik had [eiseres sub 1] haar rechterhand vast. Ik zag en voelde namelijk dat [eiseres sub 1] haar lichaam krachtig heen en weer bewoog. Ik voelde dat [eiseres sub 1] haar rechter arm met kracht naar zich toe trok en in tegengestelde richting bracht dan dat ik wilde en trachtte te brengen. De aanhouding van [eiseres sub 1] is gerelateerd bij afzonderlijk proces-verbaal, w elke bij dit proces-verbaal zal worden gevoegd. Bij de aanhouding is geweld gebruikt, dit is op de gebruikelijke wijze gemeld en vastgelegd.

[eiseres sub 2]

Tijdens de aanhouding van [eiseres sub 1] begon de mevrouw op de achterste stoel zich ook met de situatie te bemoeien. Deze mevrouw bleek later te zijn:

** [eiseres sub 2] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboortestreek 2] **

Om verwarring te voorkomen in dit Proces-Verbaal zullen we bij haar verwijzen naar haar voornaam, [eiseres sub 2] .

Wij, verbalisanten, hoorden [eiseres sub 2] schreeuwen. Wij konden [eiseres sub 2] echter niet verstaan. Ik, verbalisant [Y] , zag en voelde dat [eiseres sub 2] mijn handen wegtrok terwijl ik [eiseres sub 1] aanhield. Ik voelde namelijk dat [eiseres sub 2] krachtig aan mijn rechter arm trok. Hierdoor werd ik gehinderd in mijn werkzaamheden. Ik kon de aanhouding van [eiseres sub 1] hierdoor namelijk niet direct verrichten. Kennelijk belemmerde [eiseres sub 2] mij in mijn werk. Hierop heb ik [eiseres sub 2] aangehouden. Bij de aanhouding verzette [eiseres sub 2] zich ook. Ik voelde namelijk dat [eiseres sub 2] haar lichaam heen en weer bewoog en haar rechter arm krachtig omhoog bracht. Kennelijk wilde [eiseres sub 2] niet aan de aanhouding meewerken De aanhouding van [eiseres sub 2] is gerelateerd bij afzonderlijk proces-verbaal, welke bij dit proces-verbaal zal worden gevoegd. Bij de aanhouding is geweld gebruikt, dit is op de gebruikelijke wijze gemeld en vastgelegd.

(…)”

2.7.

Op het meldingsformulier geweldaanwending van 31 januari 2014 heeft [Y] , brigadier bij de politie, melding gedaan van de volgende geweldstoepassing tijdens de aanhouding:

Melder [= brigadier [Y] , rb.] verklaarde het volgende: Bestuurder van voertuig werd aangehouden terzake diverse signaleringen. Voertuig werd buitengebruik gesteld. Bijrijder, [eiseres sub 1] , voldeed niet aan de vordering en belemmerde de melder in zijn werkzaamheden. Derhalve is bijrijder aangehouden. Deze pleegde wederspannigheid. Derhalve heeft melder een bokkepoot aangelegd ten einde de verdachte onder controle te krijgen. Passagier, [eiseres sub 2] , belemmerde melder tijdens aanhouding van bijrijder en pleegde tevens wederspannigheid. Derhalve heeft melder een bokkepoot aangelegd ten einde de verdachte onder controle te krijgen.”

2.8.

Vervolgens zijn [eiser sub 3] , [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] naar een politiebureau vervoerd. Blijkens een op ambtsbelofte door verbalisanten [Y] en [X] opgemaakt ‘proces-verbaal van aanhouding gesignaleerde’ kwam [eiser sub 3] om 16:30 uur aan op het politiebureau aan de Balistraat in Amsterdam.

2.9.

Blijkens een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal kwamen [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] om 16:45 uur respectievelijk 17:17 uur aan op het politiebureau aan de Rode Kruisstraat in Amsterdam. Daarna zijn zij voorgeleid aan een hulpofficier van justitie en verhoord. Beiden hebben, na een aanbod daartoe, afgezien van bijstand door een raadsman.

2.10.

Het op ambtseed opgemaakte proces-verhaal van het verhoor op 31 januari 2014, 20:00 uur, van [eiseres sub 1] luidt – voor zover relevant – als volgt:

“(…)

Nadat wij de verdachte hadden medegedeeld dat zij niet tot antwoorden verplicht was en waarover wij haar wensten te horen verklaarde zij:

(…)

v: U bent aangehouden omdat u verdacht wordt van belemmering, kunt u mij vertellen wat er gebeurd is?

a: Ik ging met mijn moeder en mijn oom boodschappen doen. We waren met de auto. Mijn oom reed, omdat ik een zere arm had. Toen wilde mijn oom keren in een straat en toen werd hij aangesproken door agenten op de fiets. Zij zeiden dat hij moest doorrijden. Mijn oom zei dat hij wilde keren, maar zij zeiden dat het niet mocht. Mijn oom moest de auto aan de kant zetten en de motor uitzetten. Hij moest zich legitimeren en kreeg een bon. Dat was omdat de agent zei dat hij niet door mocht rijden, en toen voelde mijn oom zich gediscrimineerd. Hij zei iets met “power”, daarom kreeg hij een bon.

Toen kwam er een agent bij. Toen waren er in totaal twee agenten.

Toen gingen ze mijn oom en de auto checken en toen zei de agent dat mijn oom moest uitstappen, omdat hij mee moest, omdat hij gesignaleerd stond. Dus mijn oom stapte uit en hij werd in de boeien geslagen.

Ik vroeg toen aan één van de agenten of hij mij kon helpen met de deur van de auto dicht te doen. Toen zei die agent dat de auto in beslag werd genomen. Ik zei toen “u gaat deze auto helemaal niet in beslag nemen, want dit is mijn auto. Ik heb geen boetes of niks.”

Toen kwam er een politie-auto, daarmee moest mijn oom mee. Een agent vroeg toen aan mij de papieren van de auto. Mijn moeder en ik zaten gewoon in de auto, wij zijn niet eens uitgestapt. Ik was aan het bellen, ik wilde de papieren pakken. Ineens kwam die agent “boem” in die auto. Ik ben mij helemaal rot geschrokken. Ik wist niet wat er gebeurde. Eentje kwam naar achter, die greep mijn moeder uit de auto. En toen werden we ineens in de boeien geslagen. Iedereen stond te kijken, we hadden helemaal niets gedaan en we werden gewoon als criminelen behandeld.

v: Waar was u toen de politie kwam?

a: Op de passagiersstoel.

v: Hebt u begrepen waarom uw oom werd aangehouden?

a: Ja, dat was omdat hij gesignaleerd stond.

v: Klopt het dat u de sleutels van de auto niet wilde afgeven aan de agent?

a: Ja, die zaten in het contactslot. Ik zei dat ik die niet ging geven, want ik heb niet met de politie van doen verder.

v: Klopt het dat de agent de sleutels van u heeft gevorderd?

a: Nee, dat zei hij niet. Hij kwam ineens die auto in.

v: Bent u op een gegeven moment op de bestuurdersstoel gaan zitten?

a: Ja, dat klopt, Want als mijn oom gearresteerd wordt, dan moet ik toch rijden verder.

v: Maar waarom gaf u die sleutels dan niet gewoon?

a: Omdat ik niet snapte waarom mijn auto mee moest. Als hij dat gewoon had uitgelegd, had ik dat wel gesnapt.

v: Waarom hebt u de politie-agenten bij hun werk belemmerd?

a: Dat heb ik niet gedaan. Precies zoals ik het gezegd heb, zo is alles gegaan. Ik ben verder niet uit de auto gestapt of iets dergelijks. Hij heeft twee keer gevraagd om de sleutels en ik zei twee keer ‘nee’. Daarna vroegen ze om de papieren en die gaf ik toen gelijk.

v: U bent niet verplicht om iets te zeggen over het aandeel van uw moeder, maar u zei net dat uw moeder niet uit de auto was gestapt. Dat klopt?

a: Ja, de deuren zitten op kinderslot, die kan zij dus niet openen. Die agent heeft de deur open getrokken en mijn moeder uit de auto getrokken. Dat heb ik zien gebeuren.

v: Heeft uw moeder de politie belemmerd?

a: Hoezo? Mijn moeder heeft niets gedaan.

v: Wilt u verder nog iets verklaren?

a: Ik zal heel eerlijk zijn, wat ik u verteld heb zit de hele tijd in mijn hoofd, ik krijg het er niet meer uit. Ik kan niet meer goed nadenken nu. Ik heb ook migraine nu.

‘’

Nadat de verdachte haar verklaring had doorgelezen, volhardde zij daarbij en ondertekende deze.

(…)”

2.11.

Het op ambtseed opgemaakte proces-verhaal van het verhoor op 31 januari 2014, 20:40 uur, van [eiseres sub 2] luidt – voor zover relevant – als volgt:

“(…)

Nadat wij de verdachte hadden medegedeeld dat zij niet tot antwoorden verplicht was en waarover wij haar wensten te horen verklaarde zij:

(…)

ZAAKGERICHT VERHOOR:

v: U bent aangehouden omdat u verdacht wordt van belemmering, kunt u vertellen wat er precies gebeurd is?

a: Ik zat in de auto, ik zat achterin. Ik was met mijn broertje en mijn dochter. Mijn broer reed. Ik merkte dat hij achteruit reed. Toen kwam de politie. Hij pakt mijn broer eruit. Hij vraagt zijn rijbewijs. Toen zei mijn dochter: “he, dat slaat nergens op, waarom doe je dat?”. Toen pakten ze mijn dochter eruit, met handboeien. Ik zat achterin de auto, met beide deuren dicht. Ik kon nergens heen, hoe kan ik belemmeren? Ik deed mijn hand, ik zei “zij heeft last van haar hand”, toen pakten ze mij eruit. Alle mensen gingen lachen, ik kan nu niet meer naar buiten.

v: Waar was u precies toen de politie kwam?

a: Ik zat achterin de auto. Er zit kinderslot op de deuren, dus ik kon de deuren niet openen.

v: Weet u waarom uw broer werd aangehouden?

a: Nee dat weet ik niet. Ik heb alleen gehoord dat hij een boete had open staan.

v: Klopt het dat u zich, toen uw dochter werd aangehouden, heeft bemoeid met deze aanhouding?

a: Ik zat achter in de auto, vertelt u mij, hoe kan ik mij er mee bemoeien? Ik deed alleen mijn hand zo, naar voren, ik wees de schouder van mijn dochter aan, om aan te wijzen waar zij pijn had. Ik zag dat de politie heel hard trok. Ik zei nog “ze heeft last van haar schouder”. Dat was alles.

v: Hebt u de handen van de politie-agent weggeduwd?

a: Nee. Ik heb helemaal die agent niet aangeraakt. De politie heeft mij gepakt. Ik had altijd respect voor politie-agenten, dat ze mensen beschermen. Ik durf nu niet meer naar buiten toe, al die mensen kennen mij. Ik schaam mij.

v: Wat gebeurde er nadat u uw dochters arm had aangewezen?

a: De politie maakt de deur open en trekt mij eruit met de handboeien.

v: Hebben ze gevraagd of u uit wilde stappen?

a: Nee, hij trok me gewoon eruit. Hij zei “je gaat ook mee”. Hij trok heel hard aan mijn linkerarm. Hij deed toen ook gelijk de handboeien er omheen. Hij deed mijn hand heel hard naar achteren, dat deed pijn.

v: Was u verbaal erg aanwezig misschien?

a: Nee. Mijn dochter zei alleen dat haar arm erg pijn deed. Ik zei toen alleen “ga maar hard schreeuwen en huilen.

v: Wilt u verder nog iets verklaren?

a: Ik voel mij echt als een crimineel behandeld. Ik had nooit verwacht dat dit mij zou overkomen. Ik heb de politie niet belemmerd bij hun werk.

‘’

Nadat de verdachte haar verklaring had doorgelezen, volhardde zij daarbij en ondertekende deze.

(…)”

2.12.

Blijkens een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 4 februari 2014 is jegens [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] sepot verleend. [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] zijn blijkens dat proces-verbaal op 31 januari 2014 om 21:15 uur heengezonden.

2.13.

De code van het verleende sepot is 52. Blijkens de Aanwijzing gebruik sepotgronden hangt die sepotcode samen met de persoon van de verdachte en wordt die toegekend in de volgende gevallen:

“52 door feit of gevolgen getroffen

Door eigen letsel; door letsel of verlies van naasten; in zijn maatschappelijke positie of in de verhouding tot zijn naaste omgeving; door ernstige financiële schade, rechtstreeks uit het feit voortvloeiend of door verplichte schadevergoeding; door een reactie van de overheid op het gepleegde feit, welke reactie voldoende representatief, te zwaar of minder juist blijkt te zijn geweest, bijv. inverzekeringstelling, hard politieoptreden of onjuiste formaliteiten.”

2.14.

[eiser sub 3] is rond 20:00 uur van het politiebureau aan de Balistraat naar het politiebureau Zaandijk vervoerd in verband met zijn signalering aldaar. Daar bleek dat [eiser sub 3] ten onrechte nog gesignaleerd stond, omdat hij reeds in 2013 gehoord was over het feit waarvoor hij gesignaleerd stond. Omstreeks 23:30 uur is hij heengezonden.

2.15.

Blijkens een ingevuld formulier getiteld “OPS afsignalering aanhouding verdachte” is de signalering voor [eiser sub 3] afgemeld met als reden: “Foutieve invoer”.

2.16.

Bij brief van 4 februari 2014 is de raadsman van eisers namens [eiser sub 3] tegen alle openstaande verkeersboetes in beroep gegaan bij de officier van justitie. Van de beroepen tegen de 29 verkeersboetes zijn er in ieder geval 10 door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, waarna het beroep tegen die beslissing door de kantonrechter ongegrond is verklaard. Tegen 4 van die 10 beslissingen van de kantonrechter is [eiser sub 3] in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, de hoogste instantie in die procedure. Het gerechtshof heeft in ten minste één van die procedures het beroep van [eiser sub 3] tegen de beslissing van de officier van justitie tot niet-ontvankelijkverklaring ongegrond geoordeeld.

2.17.

Op 5 februari 2014 heeft de raadsman van eisers een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de politie Amsterdam.

2.18.

Eisers hebben een kort geding aangespannen tegen de Staat strekkend tot teruggave van de auto. Op 3 maart 2014 is de auto teruggeven. Het kort geding is ingetrokken.

2.19.

Bij brief van 21 juni 2016 hebben eisers de Staat aansprakelijk gesteld en gesommeerd tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 5.000 per persoon voor [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] en € 500 voor [eiser sub 3] .

2.20.

Bij brief van 16 juli 2014 heeft de officier van justitie die het sepot heeft verleend aan (de raadsman van) [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] het volgende verklaard:

“(…)

De beslissing omtrent het sepot van uw cliënten zal ik niet wijzigen. Uw cliënten zijn terecht aangehouden en hebben mijns inziens een strafbaar feit gepleegd. Echter gelet op alle feiten en omstandigheden ben ik van mening geweest dat zij voldoende zijn gestraft door de het feit dat zij enige uren hebben vastgezeten.

(…)”

3. Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, na eisvermindering ter comparitie, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht wordt verklaard dat de aanhouding van eisers op 31 januari 2014 en het vanaf 31 januari 2014 buiten gebruik stellen van de auto met kenteken [kenteken] als wederrechtelijke vrijheidsberoving, als diefstal met geweld, als afpersing met geweld en poging tot afpersing is te kwalificeren, in elk geval onrechtmatig is;

  2. voor recht wordt verklaard dat de officier van justitie en de betrokken politiefunctionarissen valselijk c.q. onrechtmatig hebben verklaard dat er door [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] verzet is gepleegd tegen een ambtelijk bevel, althans dat er geen sprake van een bevoegd gegeven ambtelijk bevel of van verzet daartegen en/of tegen aanhouding van een verdachte;

  3. voor recht wordt verklaard dat er geen sprake was van onherroepelijke, legitiem opgelegde, verkeersboetes en er geen wettelijke grondslag was voor de aanhouding van eisers en de buitengebruikstelling van de auto;

  4. voor recht wordt verklaard dat noch de officier van justitie noch de politie zonder interventie van een deurwaarder zelfstandig bevoegd is tot tenuitvoerlegging van een buitengebruikstelling van een voertuig over te gaan ter afdwingen van betaling van civiele vorderingen (boetes plus kosten) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie;

  5. wordt vastgesteld dat de buitengebruikstelling een beschikking is ingevolge de Awb en een punitieve sanctie behelst wegens het niet betalen door [eiser sub 3] van een onherroepelijke boete, opgelegd aan een derde en derhalve een bezwarende beschikking is die op straffe van nietigheid niet zonder inachtneming van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv), de hoorplicht, artikel 3:2 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), artikel 3:40 Awb, artikel 4:8 Awb, genomen had mogen worden en niet zonder inachtneming van artikel 439 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten uitvoer mag worden gelegd door de deurwaarders;

  6. wordt vastgesteld dat tegen de buitengebruikstelling van een voertuig ingevolge de WAHV door belanghebbende geen beroep op de rechter openstaat en de buiten gebruikstelling wegens strijdigheid met artikel 6 en artikel 13 EVRM nietig is;

  7. de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  8. de Staat wordt veroordeeld tot het plaatsen van een paginagrote advertentie in De Telegraaf, waarin de Staat verklaart volstrekt onbevoegd en onrechtmatig op 31 januari 2014 tot aanhouding en buitengebruikstelling van het voertuig te zijn overgegaan en onrechtmatig betrokkenen te hebben vernederd door hen aan te houden en urenlang geboeid in de Javastraat te Amsterdam aan het publiek ten toon te stellen alsof betrokkenen verdacht werden van een ernstig strafbaar feit en met opname van de inhoud van het vonnis publiekelijk excuses aan te bieden voor de gedragingen van politiefunctionarissen, het CVOM en de officier van justitie op en na 31 januari 2014;

I. de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de totale schadeloosstelling voor de onrechtmatige aanhouding en buitengebruikstelling;

de Staat wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vorderingen leggen eisers – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Voor de aanhouding van [eiser sub 3] bestond geen grond; de openstaande signaleringen waren achterhaald. De buitengebruikstelling van de auto van [eiseres sub 1] voldoet niet aan de daarvoor geldende procedurele eisen, en is niet door de daartoe bevoegde instantie (de deurwaarder) uitgevoerd. De grondslag voor die buitengebruikstelling is komen te vervallen daar inmiddels beroep is ingesteld tegen de verkeersboets. Buitengebruikstelling is bovendien onrechtmatig nu vaststaat dat [eiser sub 3] niet in staat is de openstaande verkeersboetes te betalen.

3.3.

Ook de aanhoudingen van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] waren onrechtmatig. Zij hebben zich niet verzet tegen de verbalisanten. Als er al een bevel tot medewerking aan de buitengebruikstelling is gegeven, bestond daarvoor geen grondslag.

3.4.

Eisers hebben schade geleden doordat zij niet over de auto konden beschikken.

3.5.

De Staat voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleidende opmerkingen

4.1.

In de kern komt het onderhavige geschil neer op beantwoording van de vraag of (een deel van) het optreden van de betrokken verbalisanten en officier van justitie op 31 januari 2014 als een onrechtmatige daad van de Staat jegens eisers moet worden gekwalificeerd. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt aan de orde de vraag welke verplichtingen die vaststelling met zich brengt voor de Staat jegens eisers.

4.2.

De rechtbank stelt in dat kader voorop dat eisers geen belang hebben bij vaststelling door de rechtbank dat sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld, afpersing met geweld of poging tot afpersing in, naar de rechtbank begrijpt, de zin van het Wetboek van Strafrecht. Nog daargelaten dat een zodanige kwalificatie in beginsel voorbehouden is aan de strafrechter in de daarop toegesneden strafrechtelijke procedure (vgl. HR 29 april 1994, NJ 1995, 727), leidt die kwalificatie ook niet tot enig civiel rechtsgevolg. Het is immers slechts de vaststelling dat het verweten handelen onrechtmatig is die enige verplichting doet ontstaan. Dat het plegen van een strafbaar feit doorgaans ook onrechtmatig is jegens het slachtoffer, doet daar niet aan af. De toewijsbaarheid van de onder A gevorderde verklaring voor recht zal dan ook slechts in die zin worden beoordeeld. De vordering onder B tot vaststelling van meineed, waarvoor hetgeen hiervoor is overwogen evengoed geldt, is reeds ter comparitie door eisers ingetrokken.

4.3.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat zij, indien een verklaring voor recht wordt gevorderd, slechts de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen kan vaststellen (zie artikel 3:302 BW). De vorderingen onder D, E en F, die kennelijk een vaststelling van de werking van het recht in zijn algemeenheid beogen, zijn om die reden niet toewijsbaar. Voor zover de in het kader van die vorderingen aangedragen argumenten een rol spelen voor de beoordeling of voornoemd optreden onrechtmatig was, zullen die argumenten daarbij worden betrokken.

Beoordelingskader

4.4.

Bij die beoordeling geldt het volgende toetsingskader. Naar vaste rechtspraak kan een voormalige verdachte in een civielrechtelijke procedure op grond van onrechtmatige overheidsdaad van de Staat vergoeding vorderen van de schade die hij als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie heeft geleden, indien vanaf aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld heeft ontbroken (de zogeheten a-grond), of indien (achteraf) blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop dat optreden berustte (de zogeheten b-grond).

4.5.

Met betrekking tot de a-grond dient te worden opgemerkt dat de vraag of ter zake van het optreden van politie of justitie een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond beoordeeld moet worden naar het tijdstip waarop dat optreden plaats heeft. Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld kan het instellen van een strafvervolging of het hanteren van dwangmiddelen rechtvaardigen, ook indien niet bij voorbaat vaststaat dat een veroordeling zal kunnen volgen, bijvoorbeeld omdat onzekerheid bestaat met betrekking tot de reikwijdte van de betrokken strafbepaling. Slechts indien bij voorbaat vaststaat dat geen veroordeling zal kunnen volgen of in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het betrokken feitencomplex buiten het bereik van de betrokken strafbepaling valt, is het hanteren van dwangmiddelen of het instellen van strafvervolging niet gerechtvaardigd en dus onrechtmatig.

4.6.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdenking achteraf onterecht heeft bestaan in de zin van de b-grond, hanteert de civiele rechter het restrictieve criterium dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit het strafdossier betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak moet blijken van de onschuld van de verdachte. In het geval een beoordeling door de strafrechter achterwege is gebleven omdat de zaak is afgedaan door een sepot van de officier van justitie, dient de civiele rechter te beoordelen of uit het strafdossier blijkt van de onschuld van de gewezen verdachte. De gewezen verdachte zal concreet moeten stellen en, zo nodig, bewijzen waarom uit de uitspraak van de strafrechter of uit het strafdossier van zijn onschuld – en daarmee de onrechtmatigheid van het handelen van de Staat – blijkt (vgl. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (Begaclaim), HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1355 en HR 21 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5593).

4.7.

Opgemerkt zij, dat uit vaste rechtspraak volgt dat het criterium van de gebleken onschuld een strenge maatstaf is, die in wezen erop neerkomt dat in het vrijsprekend vonnis melding moet zijn gemaakt van de onschuld van de gewezen verdachte dan wel dat over diens onschuld op basis van het strafdossier eigenlijk geen redelijke twijfel mogelijk is. Voorbeelden betreft de situatie dat vast komt te staan dat de politie ‘de verkeerde te pakken had’ (bijvoorbeeld omdat de verdachte een sluitend alibi heeft of zonder twijfel vaststaat dat een ander de dader was) of dat (achteraf) helemaal geen strafbaar feit gepleegd blijkt te zijn, bijvoorbeeld omdat de aangifte waarop de verdenking berustte vals blijkt te zijn (vgl. conclusie A-G Langemeijer voor HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:ZC2668 en conclusie A-G Spier voor HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:AR1522).

4.8.

Achtergrond van dit terughoudende criterium is onder meer dat niet kan worden aanvaard dat de Staat risicoaansprakelijkheid draagt voor het gebruik van strafvorderlijke dwangmiddelen. Burgers dienen tot op zekere hoogte te accepteren dat in het geval van een gegronde verdenking strafrechtelijke dwangmiddelen tegen hen kunnen worden ingezet, ook indien de strafvervolging uiteindelijk niet tot een veroordeling leidt. Daarnaast is in de rechtspraak in aanmerking genomen dat in het Wetboek van Strafvordering al mogelijkheden tot schadevergoeding en vergoeding van kosten, zij het beperkte, zijn opgenomen, waarop de voormalige verdachte is aangewezen (vgl. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956).

4.9.

Voor het vervolg zal de rechtbank de gemaakte verwijten over het op 31 januari 2014 voorgevallene chronologisch bespreken, te beginnen met de aanhouding van [eiser sub 3] .

De aanhouding van [eiser sub 3]

4.10.

Eisers hebben betoogd dat er geen grond bestond voor het aanhouden van [eiser sub 3] . De openstaande verkeersboetes zijn geen grond voor aanhouding. De signaleringen zijn achteraf gefabriceerd om een rechtvaardiging voor de aanhouding te creëren. De zaken waarvoor [eiser sub 3] gesignaleerd stond hadden al eerder tot een aanhouding en verhoor geleid, waarna die zaken zijn afgehandeld, aldus eisers. De Staat heeft erkend dat [eiser sub 3] ten onrechte gesignaleerd stond en dat hij dus op die grond niet aangehouden had mogen worden. Hoewel de Staat betwist dat de onrechtmatigheid daarmee gegeven is, heeft de Staat zich bereid verklaard [eiser sub 3] daarvoor een schadevergoeding te betalen.

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de aanhouding van [eiser sub 3] voldaan aan de b-grond. Door de Staat is erkend, en uit het strafdossier blijkt, dat de signalering waarop gehandeld is, is ingetrokken, en wel, volgens de Staat, op 2 februari 2014, zijnde kort na de aanhouding. Uit het strafdossier volgt dat daarbij als reden voor intrekking vermeld staat: “Foutieve invoer”. Daaruit volgt genoegzaam dat [eiser sub 3] op het moment van aanhouding niet (langer) gezocht werd voor enig strafbaar feit en dat er geen reden bestond om hem aan te houden. Gebleken is dan ook dat de verdenking waarop op dat moment gehandeld werd, ongefundeerd was. Zijn aanhouding was daarmee onrechtmatig; vordering A is met betrekking tot de aanhouding van [eiser sub 3] in die zin toewijsbaar.

De buitengebruikstelling van de auto

4.12.

Eisers hebben vervolgens gesteld dat ook de buitengebruikstelling van de auto, waarvan het kenteken op naam van [eiseres sub 1] stond, onrechtmatig was. Daartoe hebben zij onder andere betoogd dat [eiser sub 3] niet de beschikkingsmacht had over de auto van [eiseres sub 1] . Dat is voor buitengebruikstelling op grond van artikel 28b WAHV wel vereist indien de buiten gebruik te stellen auto niet op naam staat van degene aan wie de verkeersboetes zijn opgelegd. De Staat heeft aangevoerd dat de vereiste beschikkingsmacht wel aanwezig was, nu [eiser sub 3] de auto bestuurde.

4.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 28b WAHV kan de officier van justitie het voertuig waarmee de met een boete bestrafte gedragingen verricht zijn, buiten gebruik stellen. Indien dat voertuig niet wordt aangetroffen, kan de officier van justitie een soortgelijk voertuig buiten gebruik stellen indien degene aan wie de boete is opgelegd daarover vermag te beschikken. De Staat heeft er terecht op gewezen dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat met “vermag te beschikken” bedoeld wordt “het ten gebruike onder zich hebben.” Daarbij maakt het niet uit of die voertuigen (inmiddels) op naam van een ander staan of aan een ander toebehoren (vgl. HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8172). Met die aanvullende bevoegdheid voor de officier van justitie is beoogd te voorkomen dat de buitengebruikstelling niet kan worden toegepast indien degene aan wie de boete is opgelegd inmiddels een ander voertuig heeft aangeschaft (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 329, nr. 3, p. 49-50).

4.14.

De vraag die thans voorligt is dus of [eiser sub 3] , als zijnde degene aan wie de betreffende boetes zijn opgelegd, over de auto kon beschikken in de zin dat hij die ten gebruike onder zich had. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

4.15.

Uit het gebruik van de term ‘beschikken’ en de formulering ‘ten gebruike onder zich hebben’ volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake moet zijn van een zekere vrijheid voor degene aan wie de boetes zijn opgelegd om naar eigen inzicht van het voertuig gebruik te maken alvorens het op grond van artikel 28b WAHV buiten gebruik kan worden gesteld (vgl. Rb. Zutphen, ECLI:NL:RBZUT:2003:AO6810). Steun voor dat oordeel kan worden gevonden in de beoogde prikkel tot betaling die uitgaat van de inzet van dit dwangmiddel, die erin bestaat dat de betrokkene gedurende vier weken het genot wordt ontnomen van het voertuig dat hem ter beschikking staat (vgl. de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8172). Die prikkel ontbreekt immers in gevallen waarin de betrokkene het genot van het voertuig hoe dan ook niet heeft omdat het hem niet vrijstaat naar eigen inzicht daarvan gebruik te maken. In het in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeeld van de aanschaf van een andere auto, alsook in de door de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest genoemde voorbeelden (lease-, huur- en geleende auto’s) is telkens wel sprake van zodanige zeggenschap over het voertuig.

4.16.

In het onderhavige geval kan niet worden geoordeeld dat [eiser sub 3] de vrijheid had om naar eigen inzicht gebruik te maken van de auto. Blijkens de onweersproken stellingen van eisers trad hij slechts die dag, en op verzoek van [eiseres sub 1] , op als chauffeur voor [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] , zodat zij boodschappen konden doen. [eiseres sub 1] reed zelf niet omdat zij last had van haar schouder. [eiser sub 3] had dus op dat moment niet de vrijheid om de bestemming van de auto te bepalen, terwijl [eiseres sub 1] in de auto aanwezig was en er zodoende op kon toezien dat [eiser sub 3] daarvan ook niet afweek (vgl. het niet-gepubliceerde vonnis van de rechtbank Groningen van 22 april 2005, productie 30 van de Staat). Onder die omstandigheden is het enkele feit dat [eiser sub 3] als bestuurder optrad onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van enige zeggenschap over het gebruik van de auto. Gesteld noch gebleken is voorts dat [eiser sub 3] op andere momenten wel naar eigen inzicht gebruik mocht maken van deze auto. [eiseres sub 1] heeft verklaard dat zij normaal gesproken altijd zelf met de auto rijdt. Bij die stand van zaken kan niet geoordeeld worden dat [eiser sub 3] de auto ten gebruike onder zich had. Aan artikel 28b WAHV kon dan ook niet de bevoegdheid worden ontleend om de auto buiten gebruik te stellen. Nu die buitengebruikstelling desondanks heeft plaatsgevonden, is sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres sub 1] zonder dat daar een wettelijke grondslag voor bestond. Dat is jegens haar onrechtmatig. Vordering A is daarom ook in die zin toewijsbaar. De overige stellingen die eisers ten grondslag hebben gelegd aan deze vordering behoeven daarmee geen bespreking. Bij vordering C hebben eisers bij toewijzing van vordering A geen zelfstandig belang, reden waarom die vordering zal worden afgewezen.

De aanhouding van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2]

4.17.

Tot slot betogen eisers dat de aanhouding van zowel [eiseres sub 1] als [eiseres sub 2] onrechtmatig was. Zij beroepen zich daarbij op beide gronden van voornoemde Begaclaim-jurisprudentie (zie r.o. 4.4. tot en met 4.9 van dit vonnis). Zij betogen dat de verbalisanten op geen enkele manier de bevoegdheid hadden om voertuigen van anderen dan [eiser sub 3] buiten gebruik te stellen. De verbalisanten konden daarom evenmin de medewerking daaraan vorderen van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] . Er bestaat ook geen wettelijke bepaling op grond waarvan een zodanig bevel kon worden gegeven. Zonder een zodanige vordering konden [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zich daar niet tegen verzetten. Bij die stand van zaken is geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en wel van gebleken onschuld, aldus eisers.

4.18.

Blijkens de processen-verbaal van aanhouding zijn [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] op heterdaad aangehouden als verdachten van overtreding van artikel 184 lid 1 Sr en artikel 180 Sr.

Artikel 184 lid 1 Sr luidt:

“Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

Artikel 180 Sr luidt:

“Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

4.19.

De rechtbank overweegt ten aanzien van [eiseres sub 1] als volgt. Voornoemde verbalisanten hebben in het proces-verbaal opgetekend dat zij tot de feitelijke buitengebruikstelling van de auto zijn overgegaan, en daartoe [eiseres sub 1] hebben bevolen de autosleutels te overhandigen, aan welke vordering zij geen gehoor heeft gegeven. Daarin zou kennelijk, ook gelet op het standpunt van de Staat, een overtreding van artikel 184 lid 1, eerste zinsnede, Sr gelegen zijn. Eisers hebben echter betoogd dat aan het bestanddeel “krachtens wettelijk voorschrift gedaan” van de delictsomschrijving niet is voldaan: er bestaat geen wettelijke bevoegdheid tot het invorderen van de autosleutels. Deze stelling is door de Staat niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Bij het ontbreken van een wettelijk voorschrift op grond waarvan het niet-nageleefde bevel kon worden gegeven (vgl. HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108), kan er naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke twijfel over bestaan dat [eiseres sub 1] zich niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit door de autosleutels niet vrijwillig te overhandigen. Nu die onschuld uit de stukken van het strafdossier kan worden afgeleid, is dus op dit punt sprake van gebleken onschuld in de zin van de b-grond.

4.20.

Deze vaststelling doet evenwel niet ter zake indien blijkt dat [eiseres sub 1] wel rechtmatig is aangehouden voor, en niet onschuldig is gebleken aan, het tweede deel van het in artikel 184 lid 1 Sr strafbaar gestelde (het beletten, belemmeren of verijdelen van een handeling van een ambtenaar) of hetgeen in artikel 180 Sr strafbaar is gesteld. In dat geval kan immers een grond voor rechtmatige aanhouding aan die gedragingen worden ontleend, zodat enige door de aanhouding veroorzaakte schade voor haar risico dient te blijven. De rechtbank overweegt als volgt.

4.21.

Indien wordt uitgegaan van de gang van zaken zoals die blijkt uit het proces-verbaal van verbalisanten [X] en [Y] , richt het betoog van eisers zich op de bestanddelen “ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift” (artikel 184 lid 1, tweede zinsnede, Sr) en “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” (artikel 180 Sr). De rechtbank begrijpt dat eisers betogen dat aan die bestanddelen niet is voldaan, omdat de buitengebruikstelling, zoals hierboven vastgesteld, onbevoegd geschiedde.

4.22.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen die stellingen niet zonder meer de conclusie dragen dat de aanhouding van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] onrechtmatig was. In dit geval is voor een beroep op de a-grond bepalend of sprake was van het voor een aanhouding vereiste redelijke vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Nu de verbalisanten na navraag in de politiesystemen begrepen dat voertuigen in gebruik bij [eiser sub 3] buiten gebruik moesten worden gesteld, mochten zij ervan uitgaan dat zij op dat moment handelden ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift (artikel 28b WAHV) en ook in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Dat de verbalisanten op dat moment uitgingen van een, naar achteraf blijkt, te ruim begrip van het begrip “vermag te beschikken” doet er niet aan af dat zij toen in redelijkheid konden denken dat dit voertuig voor buitengebruikstelling in aanmerking kwam. Indien [eiseres sub 1] vervolgens fysiek verzet gepleegd heeft tegen die buitengebruikstelling, konden de verbalisanten in redelijkheid vermoeden dat zij zich schuldig gemaakt heeft aan overtreding van artikel 184 lid 1, tweede zinsnede, Sr en artikel 180 Sr. In dat geval waren zij bevoegd tot aanhouding over te gaan. Hetzelfde geldt voor de aanhouding van [eiseres sub 2] . Indien zij zich verzet heeft tegen de aanhouding van [eiseres sub 1] , konden de verbalisanten tevens in redelijkheid vermoeden dat ook zij zich schuldig maakte aan overtreding van artikel 184 lid 1, tweede zinsnede, Sr en artikel 180 Sr.

4.23.

Een beroep op de b-grond kan in onderhavig geval alleen maar slagen indien uit het strafdossier blijkt dat er sprake is van onschuld. Dit zou kunnen blijken uit de sepotbeslissing van de officier van justitie dan wel het proces-verbaal van bevindingen. Uit de door de officier van justitie genomen sepotbeslissing en zijn latere verklaring (zie 2.20) blijkt niet dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] – in de optiek van de officier van justitie – onschuldig waren. Daarnaast volgt uit het strafdossier genoegzaam dat [eiseres sub 1] zich heeft verzet op het moment dat verbalisant [X] zelf de sleutels uit het contactslot wilde halen om de auto buiten gebruik te stellen (“Ik bukte voorover de auto in en reikte met mijn hand naar het contactslot. Ik zag dat [eiseres sub 1] mijn hand wegduwde en de sleutels pakte.”). Tevens heeft zij zich blijkens het strafdossier verzet tegen de daaropvolgende aanhouding (“Tijdens de aanhouding verzette [eiseres sub 1] zich. Ik had [eiseres sub 1] haar rechterhand vast. Ik zag en voelde namelijk dat [eiseres sub 1] haar lichaam krachtig heen en weer bewoog. Ik voelde dat [eiseres sub 1] haar rechter arm met kracht naar zich toe trok en in tegengestelde richting bracht dan dat ik wilde en trachtte te brengen.”). Hetzelfde geldt voor [eiseres sub 2] , waarover de verbalisanten verklaard hebben dat zij zich fysiek verzette tegen de aanhouding van [eiseres sub 1] (“Ik, verbalisant [Y] , zag en voelde dat [eiseres sub 2] mijn handen wegtrok terwijl ik [eiseres sub 1] aanhield. Ik voelde namelijk dat [eiseres sub 2] krachtig aan mijn rechter arm trok. Hierdoor werd ik gehinderd in mijn werkzaamheden.”). Hiervoor is vastgesteld dat op basis van hetgeen blijkt uit het strafdossier de verbalisanten rechtmatig konden overgaan tot aanhouding van [eiseres sub 1] , ook al geschiedde de buitengebruikstelling onbevoegd. Daarbij waren de verbalisanten dus werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919). Vervolgens volgt uit dat dossier dat zowel [eiseres sub 1] als [eiseres sub 2] zich tegen die rechtmatige aanhouding hebben verzet. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat uit het strafdossier blijkt van de onschuld van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] . Het beroep op de b-grond faalt om die reden.

4.24.

De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat de aanhouding van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] niet onrechtmatig was indien hetgeen in het proces-verbaal door verbalisanten [X] en [Y] is verklaard, juist is. Eisers hebben evenwel nadrukkelijk betoogd dat van enig fysiek verzet in het geheel geen sprake is geweest en dat de verklaring in het proces-verbaal valselijk is opgemaakt. Dat standpunt is in lijn met de verklaringen die [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] tijdens hun verhoor op diezelfde dag hebben afgegeven. De Staat heeft dat betoog voldoende weersproken door te wijzen op het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. Daardoor kan op dit moment niet worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest. Hoewel ook in civiele procedures aan een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal veelal een grote bewijswaarde wordt toegekend, levert de inhoud van een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal geen dwingend bewijs op. Bij deze stand van zaken zullen eisers, op wie de bewijslast rust, de gelegenheid krijgen tot het leveren van bewijs van hun stelling, anders dan verwoord in het proces-verbaal van bevindingen en de melding geweldsaanwending, dat van enig fysiek verzet geen sprake is geweest.

4.25.

Indien eisers slagen in het leveren van dat bewijs, kan niet geoordeeld worden dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld op grond waarvan [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] konden worden aangehouden. Daarmee zou dan voldaan zijn aan de vereisten van de a-grond en was die aanhouding onrechtmatig. Slagen zij daarin niet, dan geldt het hiervoor onder 4.22 overwogene en is van een onrechtmatige aanhouding van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] geen sprake.

4.26.

De rechtbank overweegt verder dat hetgeen eisers hebben gesteld over de daadwerkelijke uitvoering van de aanhouding (het gebruik van de handboeien, de bejegening etc.) en de verdere gang van zaken op het politiebureau, feitelijk handelen van de politie betreft. De politie is een zelfstandige rechtspersoon; haar feitelijk handelen kan niet zonder meer aan de Staat worden toegerekend. Dat feitelijk handelen kan dan ook niet leiden tot vaststelling van een onrechtmatige daad aan de zijde van de Staat.

4.27.

Eisers hebben vervolgens betoogd dat de officier van justitie onrechtmatig handelt door de code van het verleende sepot niet te wijzigen in een sepotcode waaruit hun onschuld blijkt. Nog daargelaten of een zodanige beslissing, die is voorbehouden aan de officier van justitie, ter toetsing kan worden voorgelegd aan de civiele rechter, overweegt de rechtbank dat de officier van justitie bij die beslissing moet kunnen uitgaan van de juistheid van het door verbalisanten [X] en [Y] opgemaakte proces-verbaal. Uitgaand van dat proces-verbaal kan niet geoordeeld worden dat de officier van justitie gehouden was een sepotcode te hanteren waaruit de onschuld van [eiseres sub 2] en [eiseres sub 1] blijkt. Van onrechtmatig handelen van de officier van justitie is dan ook niet gebleken.

Schade

4.28.

Ten slotte heeft de Staat het bestaan van schade aan de zijde van eisers, alsook het causaal verband tussen die schade en de gemaakte verwijten, betwist. De rechtbank overweegt dat naar vaste rechtspraak voor een verwijzing naar de schadestaat voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Eisers hebben in dat kader betoogd dat zij schade hebben geleden doordat zij niet de beschikking hadden over de auto. Zij hebben taxikosten moeten maken, niet alleen na hun aanhouding, maar ook in de periode dat de auto buiten gebruik was gesteld. Het vervoer met andere middelen dan de eigen auto heeft bovendien geleid tot een herseninfarct bij de man van [eiseres sub 2] , zo hebben eisers gesteld. Daarnaast hebben eisers gesteld dat zij immateriële schade geleden hebben; eisers zijn ernstig getraumatiseerd door het voorgevallene. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers met deze stellingen voldoende toegelicht dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, terwijl het causaal verband tussen het merendeel van de gestelde schadeposten en de aan de Staat gemaakte verwijten voldoende duidelijk is. Dat de omvang van de schade mogelijkerwijs beperkt is, is voor de vraag of deze aannemelijk gemaakt is, verder niet relevant.

Slotsom

4.29.

De slotsom luidt dat de aanhouding van [eiser sub 3] en het buitengebruikstellen van de auto van [eiseres sub 1] onrechtmatig waren. Voor de beantwoording van de vraag of de aanhouding van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] onrechtmatig was, is bewijslevering nodig, waartoe eisers worden toegelaten. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op het getuigenverhoor een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.30.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt eisers op tot het bewijs van hun stelling dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zich niet op enige wijze fysiek hebben verzet tegen de buitengebruikstelling van het voertuig en hun aanhouding;

5.2.

bepaalt dat, indien eisers het bewijs door middel van getuigen willen leveren, deze zullen worden gehoord door mr. R.C. Hartendorp op een door hem te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag;

5.3.

bepaalt dat de advocaat van eisers in dat geval binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van de sector civiel - opgave zal doen van de namen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van vier maanden na heden, waarna dag en uur voor de verhoren zal worden bepaald;

5.4.

beveelt partijen, in persoon en deugdelijk vertegenwoordigd, daarbij aanwezig te zijn tot het zo nodig verstrekken van inlichtingen;

5.5.

bepaalt dat, indien eisers het bewijs niet door getuigen willen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, eisers dit binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van de sector civiel - en aan de wederpartij moeten opgeven; in dat geval zal het getuigenverhoor geen doorgang vinden en zal de zaak naar een nader te bepalen rolzitting worden verwezen voor het nemen van een akte met dit doel door eisers;

5.6.

bepaalt dat alle partijen – indien zij dat wensen – uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: