Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14122

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB 17/10247
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet, niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet tijdig indienen beroepschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/10247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 op het verzet van

[opposant], opposant, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

tegen de uitspraak in de zaak van

opposant

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Overwegingen

Bij uitspraak van 27 juli 2017 is het beroep van opposant (met bovengenoemd registratienummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van het beroepschrift niet tijdig zijn ingediend.

Op 7 september 2017 heeft opposant verzet gedaan tegen deze uitspraak.

De behandeling van het verzet heeft plaatsgevonden op 27 november 2017. Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Opposant is geboren op [geboortedatum] 1961 en heeft de Iraakse nationaliteit. Zij is afkomstig uit de Koerdische Autonome Regio in Noord-Irak (KAR). Opposant is eerder, van 1992 tot 1996, in Nederland geweest en is toen in het bezit gesteld van een asielvergunning. In 1996 is zij weer teruggekeerd naar haar familie in de KAR. In 2015 is opposant weer teruggekomen naar Nederland, alwaar zij op 12 november 2015 een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 19 april 2017 de asielaanvraag van opposant afgewezen en tevens de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van opposant ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan 1 april 2001. Op 15 mei 2017 heeft opposant beroep ingesteld tegen dit besluit.

2. In verzet voert opposant aan dat de rechtbank in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat zij in verzuim was met de indiening van de gronden van het beroepschrift. Hiertoe voert opposant aan dat zij een oude vrouw is die de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om zelfstandig te kunnen procederen. Daarnaast heeft zij geen sociaal netwerk in Nederland waarbinnen zij iemand kan machtigen namens haar op te treden in rechte. Opposant is dus afhankelijk van de rechtsbijstand van een advocaat. Dat deze advocaat heeft verzuimd tijdig de gronden van het beroepschrift in te dienen mag opposant dan ook niet worden aangerekend. Temeer nu opposant een asielzoekster is uit Irak die bij terugkeer vreest voor eerwraak van haar familie. Sowieso dient de rechtbank, indien de rechtbank het verzet ongegrond verklaart, ambtshalve te beoordelen of er sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 inzake Bahaddar tegen Nederland, LJN: AG8817, aldus opposant.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

Met hetgeen namens opposant in verzet is aangevoerd tegen het niet tijdig indienen van de beroepsgronden heeft opposant de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat de aangevochten uitspraak is gebaseerd op een onjuiste toepassing van het recht. Hetgeen is aangevoerd geeft geen reden te oordelen dat de rechtbank, op grond van de zich ten tijde van de beoordeling van het beroep in het procesdossier bevindende stukken, ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:54 van de Awb. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat een gemachtigde in naam handelt van degene die hij vertegenwoordigt en dat diens handelen, waaronder ook nalatig handelen dient te worden begrepen, derhalve voor risico komt van degene die wordt vertegenwoordigd. Dat de advocaat van opposant de gronden van het beroepschrift te laat heeft ingediend, komt dan ook voor rekening en risico van opposant en is geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

4. Het vorenstaande laat onverlet dat onder bijzondere omstandigheden, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 inzake Bahaddar tegen Nederland (LJN:AG8817) de noodzaak kan bestaan om een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen.

Omdat in de uitspraak van 27 juli 2017 ten onrechte niet is beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin, is het verzet gegrond. Nu aanvullende gronden zijn ingediend en een inhoudelijk onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, zal worden bezien of hetgeen opposant heeft aangevoerd grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als beschreven in paragraaf 45 van voornoemd arrest.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten dat opposant in de KAR werd vastgehouden door haar familie. Derhalve heeft opposant geen gegronde vrees aannemelijk gemaakt voor schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden wegens eerwraak door haar familie. Van bijzondere omstandigheden in de zin van paragraaf 45 van voormeld arrest is dan ook niet gebleken.

6. Gelet op het vorenstaande is beroep niet-ontvankelijk.

7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die opposant in verband met de behandeling van het verzet redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 495,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,-). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposant in de verzetsprocedure tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover het ziet op het verzet geen hoger beroep worden ingesteld. Tegen deze uitspraak voor zover het ziet op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.