Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14121

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
NL17.4294
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ghanese nationaliteit, terugkeerbesluit.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4294


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Eiser heeft hiertegen op 3 juli 2017 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is van Ghanese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1976. Eiser is naar eigen zeggen dertien jaar geleden vanuit Ghana per vliegtuig naar Duitsland gereisd. Eenmaal geland is eiser direct doorgereisd naar Nederland per trein. Tijdens deze treinreis is eiser beroofd van zijn paspoort. Eiser heeft sinds zijn aankomst in Nederland dertien jaar geleden altijd onrechtmatig in Nederland verbleven.

2. Eiser is op 25 juni 2017 in het kader van het voornemen van verweerder tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit gehoord. Vervolgens is het terugkeerbesluit genomen op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 en is eiser daarbij een termijn van 28 dagen gegeven om de Europese Unie vrijwillig te verlaten.

3. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat en voor zover van belang, dat verweerder ten onrechte een terugkeertermijn heeft opgelegd nu eiser op dit moment geen reisdocumenten heeft, deze in het verleden tevergeefs heeft geprobeerd te verkrijgen, nu bezig is met bemiddeling voor vrijwillig terugkeer en eiser de zorg heeft voor zijn twee minderjarige kinderen. Eiser stelt dat verweerder deze bijzondere omstandigheden onvoldoende heeft onderzocht en dat het besluit daarom onzorgvuldig tot stand is gekomen.

4. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1.

Op grond van artikel 5, aanhef en onder a en b, van de Terugkeerrichtlijn houden de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening met het belang van het kind en met het familie- en gezinsleven.

5.2.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn bieden de lidstaten een passende termijn voor vrijwillig vertrek van zeven tot dertig dagen, onverminderd de in de leden 2 en 4 genoemde uitzonderingen.

5.3.

Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn verlengen de lidstaten zo nodig de termijn voor het vrijwillig vertrek met een passende periode, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval, zoals de verblijfsduur, het feit dat er schoolgaande kinderen zijn, en het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden.

5.4.

Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 dient de vreemdeling aan wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten. In het derde lid is bepaald dat Onze Minister de termijn van 28 dagen kan verlengen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval. Daarbij is tevens bepaald dat bij Ministeriële regeling regels worden gesteld over de duur van de verlenging en de gevallen worden aangewezen waarin de termijn kan worden verlengd.

5.5.

In artikel 6.3, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is bepaald dat bij het besluit omtrent verlenging van de vertrektermijn onder meer de aanwezigheid van schoolgaande kinderen of het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden worden betrokken. In het vijfde lid is bepaald dat het verzoek om de vertrektermijn te verlengen, in persoon wordt ingediend bij de ambtenaar belast met het begeleiden van de terugkeer of het loket van de IND.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit een derde land, niet rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser om die reden onder de werking van de Terugkeerrichtlijn valt nu hij terug dient te keren naar zijn land van herkomst. Partijen zijn verdeeld over de vraag over eiser in het bestreden besluit een langere vertrektermijn gegund had dienen te worden om zijn vertrek naar Ghana te realiseren gezien de door eiser gestelde bijzondere omstandigheden. Nu niet in geschil is dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder eiser terecht een vertrektermijn van 28 dagen heeft opgelegd. Immers, blijkens de Terugkeerrichtlijn is een terugkeerbesluit enkel de vaststelling dat een onderdaan van een derde land illegaal verblijft in een lidstaat en een terugkeerverplichting heeft en de lidstaten leggen een terugkeerbesluit op indien wordt vastgesteld dat de derdelander illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijft.

6.2.

Indien en voor zover eiser meent dat een langere vertrektermijn in zijn geval gerechtvaardigd zou zijn, staat het hem vrij om bij verweerder een verzoek om verlenging van de vertrektermijn in te dienen als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Vw 2000 juncto artikel 6.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De rechtbank merkt daarbij wel op dat eiser al dertien jaar onrechtmatig in Nederland verblijft en dus al ruim de tijd heeft gehad om zijn vertrek te regelen. Voor zover eiser stelt buiten zijn schuld Nederland niet te kunnen verlaten, staat het hem vrij een daartoe strekkende aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in te dienen. Ditzelfde geldt voor zover eiser zich beroept op zijn gezinsleven met zijn twee kinderen hier te lande. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State immers al eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 november 2012 in zaak nr. 201111708/1/V3), behoeft verweerder bij het nemen van een terugkeerbesluit niet te toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6.3.

De stelling dat verweerder de feitelijke situatie van eiser onvoldoende heeft onderzocht, slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat eiser is gevraagd naar wat hij ervan vindt dat hij moet vertrekken, de wijze waarop hij zal vertrekken en de terugkeertermijn. Verder is hij gevraagd naar zijn familie- en gezinssituatie. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan zijn onderzoekplicht en heeft eiser daarnaast afdoende de gelegenheid gekregen om zijn zienswijze naar voren te brengen.

7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.