Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14120

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
NL17.2190
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalische nationaliteit, asiel aanvraag, bedreiging door Al Shabaab ten gevolge van qat handel ongeloofwaardig.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2190


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort).


Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Tevens is aan eiser een reguliere verblijfsvergunning verleend met als doel het uitoefenen van gezinsleven met zijn minderjarige zoon.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de afwijzing van de asielaanvraag, beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Somalische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1982. Eiser heeft eerder, in de periode van 22 augustus 2013 tot 25 september 2015, onverrichterzake een nareis procedure doorlopen. Nadat deze procedure in rechte was beëindigd heeft eiser op 24 oktober 2015 onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in zijn woonplaats in Somalië, [plaats], problemen heeft gekregen met Al Shabaab omdat hij handelde in qat en ook leverde aan AMISOM. Eiser is met zijn qat handel begonnen begin 2014 en leverde vanaf eind 2014/begin 2015 ook qat aan AMISOM. In mei 2015 ontving eiser de eerste bedreiging per sms en een week later een telefonische bedreiging. Hierop besloot eiser Somalië te verlaten.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

- de handel in qat, ook met AMISOM;

- eiser is door Al Shabaab bedreigd vanwege zijn qat handel.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig is. Ook de handel in qat acht verweerder geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde bedreigingen door Al Shabaab ten gevolge van de qat handel echter ongeloofwaardig, omdat eiser hierover naar het oordeel van verweerder slechts vage en tegenstrijdige verklaringen heeft kunnen afleggen.

Verweerder is verder van oordeel dat eiser ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar Somalië een reëel risico te lopen op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu eiser afkomstig is uit een deel van Somalië waar Al Shabaab niet aan de macht is en daar kan komen zonder door Al Shabaab beheerst gebied te hoeven reizen. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel.

4. Eiser voert in beroep aan dat hij wel degelijk geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Het asielrelaas van eiser is consistent en past ook binnen het beeld van Somalië en het optreden van Al Shabaab dat uit het algemeen ambtsbericht naar voren komt. Eiser heeft in de zienswijze in dit kader ook verwezen naar het meest recente rapport van de Deense immigratiedienst van maart 2017 over Al Shabaab. Hieruit komt onder meer het beeld naar voren dat zakenmensen die werken met AMISOM of collaboreren met AMISOM het doelwit zijn van Al Shabaab. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het weliswaar klopt dat AMISOM in theorie de controle heeft over de streek waar eiser vandaan komt, maar dat de praktijk echter uitwijst dat Al Shabaab overal kan toeslaan. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor een afgeleide asielvergunning vanwege zijn gezinsband met zijn echtgenote en zijn oudste zoon nu het huwelijk tussen eiser en zijn echtgenote ondertussen is ingeschreven in het GBA.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6.1.

Ingevolge artikel 29 van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

6.2.

Volgens paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000)

beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de relevante elementen. Relevante elementen zijn feiten en omstandigheden die in de volgende twee categorieën worden onderscheiden: a) de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling; en

b) de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde gebeurtenissen.

6.3.

Verder blijkt uit paragraaf C1/4.4.1 van de Vc 2000 dat als de IND een relevant element niet als geloofwaardig beoordeelt, de vreemdeling op basis van dit element geen aanspraak kan maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Vw. Uit paragraaf C1/4.4.2 van de Vc 2000 blijkt voorts dat er een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt. Hierbij worden alle relevante omstandigheden van het geval betrokken en in onderlinge samenhang gewogen.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel, enigszins terughoudend toetsend, dat verweerder in redelijkheid het asielrelaas van eiser wegens vage en wisselende verklaringen op essentiële onderdelen ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Daarbij heeft verweerder voorop kunnen stellen dat eiser geen objectief bewijs heeft kunnen overleggen van zijn aangifte bij de politie inzake de gestelde bedreigingen door Al Shabaab. Ook anderszins heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door Al Shabaab is bedreigd. Het enkele feit dat het optreden van Al Shabaab past binnen het beeld dat uit gezaghebbende openbare bronnen, waaronder voornoemd rapport van de Deense immigratiedienst, naar voren komt, is onvoldoende voor die conclusie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat juist hij bij Al Shabaab wegens zijn qat handel in de negatieve belangstelling is komen te staan. Verweerder heeft het voor dat oordeel van belang kunnen achten dat het vreemd is dat eiser al ongeveer anderhalf jaar qat verhandelde voordat hij, zonder duidelijke directe aanleiding, opeens problemen kreeg met Al Shabaab. Dat eiser ongeveer een half jaar voor de bedreigingen ook qat ging verkopen aan AMISOM, biedt daarvoor onvoldoende verklaring nu eiser het beeld heeft geschetst dat Al Shabaab overal spionnen heeft, daardoor overal van op de hoogte is en Al Shabaab sowieso tegen qat is. Niet valt in te zien dat Al Shabaab eiser dan een half jaar lang zijn gang heeft laten gaan. Dit klemt temeer nu Al Shabaab de basis van AMISOM waar eiser zijn qat afleverde naar eigen zeggen nauwgezet in het oog hield en eiser daar bijna dagelijks kwam. Verweerder heeft het eiser daarnaast tegen kunnen werpen dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over de bedreigingen. Daarbij heeft verweerder voorop kunnen stellen dat eiser überhaupt niet weet van wie de bedreiging per sms afkomstig was. Voorts heeft eiser eerst verklaard dat hij dacht dat de sms een slechte grap was van een vriend. Vervolgens dacht eiser dat de bedreiging wel echt was maar hoopte hij dat het over zou waaien. In de zienswijze komt eiser dan opeens met de aanvullende verklaring dat concurrenten in de qat handel elkaar op deze wijze proberen schrik aan te jagen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar Somalië te vrezen te hebben voor Al Shabaab vanwege zijn vroegere qat handel. Verweerder heeft voorts terecht geconcludeerd dat eiser evenmin aannemelijk gemaakt anderszins te vrezen hebben voor Al Shabaab bij terugkeer naar Somalië nu eiser afkomstig is uit een gebied dat niet onder de controle staat van Al Shabaab en daarnaartoe terug kan keren per vliegtuig vanuit Mogadishu zonder dat hij door Al Shabaab beheerst gebied hoeft te reizen. De enkele stelling dat Al Shabaab overal kan toeslaan in Somalië is onvoldoende voor de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder terecht, onder verwijzing naar de eerdere nareisprocedure van eiser, heeft geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel. Het enkele feit dat het huwelijk van eiser met zijn echtgenote nu is ingeschreven in de GBA noopt niet tot een ander oordeel nu de nareisaanvraag is afgewezen vanwege het ontbreken van een feitelijke gezinsband met zijn echtgenote op het moment van haar vertrek uit Somalië. Dat een eventueel huwelijk later al dan niet wordt ingeschreven in de GBA kan aan die conclusie niet afdoen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.