Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1412

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4600
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wangedrag. Wangedrag staat, ook gelet op arrest Gerechtshof, vast. Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Ontslagdatum door de rechtbank nader vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4600 MAW

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigden: mr. A.F. Vink en mr. T.A. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2014 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) met ingang van 1 januari 2015 ontslag verleend wegens wangedrag.

Bij besluit van 21 mei 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eiser, [functie] , is sinds 10 november 2003 werkzaam geweest bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marechaussee (KMar), laatstelijk als algemeen opsporingsambtenaar binnen de brigade [plaats] .

1.2

Bij besluit van 3 december 2013 is omtrent eiser een ambtsbericht vastgesteld wegens gepleegd wangedrag, bestaande uit het gebruik van dienstvervoer en dienstgoederen voor privédoeleinden.

Bij besluit van 21 juli 2014 is omtrent eiser een ambtsbericht vastgesteld wegens wangedrag. Er zijn drie incidenten geweest tijdens een nachtdienstcyclus in 2013, waarbij eiser zich als leidinggevende, namelijk wachtcommandant, zodanig heeft uitgelaten dat een aan zijn gezag ondergeschikte vrouwelijke marechaussee zich daar niet prettig en onveilig bij voelde.

1.3

In de nacht van 14 op 15 juni 2014 is eiser betrokken geweest bij een incident met zijn ex-vriendin, waarbij de politie ter plaatse is gekomen. Eiser is gevlucht en is een aantal uren onvindbaar geweest. Op aandringen van zijn teamleider heeft eiser zich op 15 juni 2014 gemeld bij de politie, waarna hij is aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van mishandeling. Eiser is op 17 juni 2014 in vrijheid gesteld.

Eiser is ter beschikking van de commandant gesteld en het is hem niet toegestaan om werkzaamheden te verrichten.

Eiser is op 25 juni 2014 gehoord in verband met een mogelijk te treffen ordemaatregel.

Bij besluit van 3 juli 2014 is eiser met ingang van 15 juni 2014 (datum inverzekeringstelling) tot 17 juni 2014 (datum heenzending) geschorst op grond van artikel 34, eerste lid, van het AMAR, met inhouding van een derde gedeelte van zijn bezoldiging voor de duur van die schorsing. Voorts wordt bevestigd dat eiser op 26 juni 2014 mondeling is aangezegd dat hij met ingang van 26 juni 2014 wordt geschorst op grond van artikel 34, tweede lid, onder c, van het AMAR, zonder inhouding van zijn bezoldiging.

Eiser is op 9 september 2014 gehoord in het kader van zijn bezwaar tegen de schorsing.

1.4

Bij besluit van 10 december 2014 is eiser met ingang van 1 januari 2015 ontslag verleend wegens wangedrag.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en is op 17 maart 2015 in dit kader gehoord.

Bij het thans bestreden besluit van 21 mei 2015 heeft verweerder het van eiser ongegrond verklaard.

1.5

De rechtbank heeft met inachtneming van artikel 7 van de Militaire Ambtenaren-wet 1931 (MAW1931) de behandeling van het beroep geschorst.

Bij mondeling vonnis van 4 juni 2015 heeft de militaire politierechter eiser ter zake van mishandeling gepleegd op 15 juni 2014 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren met aftrek, te weten 4 uren zijnde 2 dagen. Deze werkstraf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid en dient te zijn verricht binnen een jaar na onherroepelijk worden van dit vonnis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij (de ex-vriendin) gedeeltelijk toegewezen.

Bij arrest van 7 april 2016 heeft de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de militaire politierechter van 4 juni 2015 vernietigd. Hetgeen bewezen is wordt gekwalificeerd als mishandeling en eiser wordt vrijgesproken van hetgeen meer of anders ten laste is gelegd dan hetgeen als bewezen is verklaard. Eiser wordt ter zake van mishandeling gepleegd op 15 juni 2014 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, onder aftrek van de tijd die eiser in voorarrest heeft doorgebracht. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Bij de straf-oplegging heeft het Gerechtshof in aanmerking genomen dat eiser als gevolg van deze zaak zijn baan bij de KMar is kwijtgeraakt.

Eiser heeft bij brief van 26 juli 2016 medegedeeld dat geen rechtsmiddelen zijn aangewend tegen dit arrest.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet.

2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit van 21 mei 2015 onder meer ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin, dat hij zich heeft onttrokken aan aanhouding door de politie en dat hij zich pas na een telefoontje door zijn leidinggevende heeft gemeld. Het door eiser gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, aldus verweerder.

3 Eiser heeft onder meer aangevoerd dat verweerder bij de voorbereiding van het

Bestreden besluit is tekortgeschoten in de eigen onderzoeksplicht om het vermeende wangedrag vast te stellen, waarbij tevens onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid dat sprake is van een valse aangifte jegens eiser. Eiser acht het ontslag voorbarig en onterecht, omdat tegen het vonnis van de militaire politierechter van 4 juni 2015 hoger beroep is ingesteld. Verweerder dient de uitspraak in hoger beroep van het Gerechtshof af te wachten, gezien de ontkennende houding van eiser en de verweren die naar voren zijn gebracht. Het wangedrag staat niet vast.

Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de gevallen van de kapitein [persoon 1] , de kolonel [persoon 2] en de wachtmeester [persoon 3] .

4.1

De rechtbank overweegt dat voor verweerder geen verplichting bestaat om in het kader van te nemen rechtspositionele maatregelen een strafrechtelijke procedure af te wachten. Een ontkennende houding en naar voren gebrachte verweren kunnen hier niet aan afdoen.

De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 7 van de MAW1931, waarin is bepaald dat indien tijdens de behandeling van een beroep blijkt, dat een samenhangend strafrechtelijk onderzoek of een tuchtproces ingevolge de Wet militair tuchtrecht aanhangig is, de behandeling, tenzij het beroep tegen een voorlopige voorziening is gericht, de behandeling van het beroep tot na afloop van dat onderzoek of dat tuchtproces wordt geschorst.

4.2.1

Met het arrest van het Gerechtshof van 7 april 2016 staat vast dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn (ex-)vriendin op 15 juni 2014. Dit geldt ingevolge artikel 8 van de MAW1931 als bewijs van hetgeen hem door verweerder ter zake is verweten. Het standpunt van eiser dat hij de gedragingen niet heeft begaan en dat zijn (ex-)vriendin letsel heeft opgelopen door een val wordt derhalve niet gevolgd. Dit geldt ook voor zijn standpunt dat verweerder nader onderzoek had dienen te verrichten naar een eventuele valse aangifte. Voor een valse aangifte bestonden geen aanknopingspunten en met voornoemd arrest staat ook vast dat hiervan geen sprake is geweest.

Verweerder heeft dit kunnen kwalificeren als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag eiser niet is toe te rekenen.

4.2.2

Eiser heeft daarnaast erkend dat hij is gevlucht voor de politie. Verweerder heeft dit kunnen kwalificeren als wangedrag.

Volgens eiser was de reden hiervan dat hij in paniek was geraakt, omdat hij bang was dat zijn (ex-)vriendin een onjuiste verklaring zou afleggen over het gebeurde.

De rechtbank acht, evenals verweerder, niet aannemelijk dat eiser in paniek was geraakt. Uit niets blijkt dat eiser dat moment in een zodanige gemoedstoestand verkeerde dat hij zich niet heeft kunnen realiseren dat hij op dat moment zelf een verklaring kon afleggen. Eiser kan, juist vanwege het feit dat hij werkzaam was als opsporingsambtenaar bij de KMar, bekend worden verondersteld met de gang van zaken op dit punt. Daarnaast bestonden geen aanknopingspunten dat de (ex-)vriendin een onjuiste verklaring zou gaan afleggen. Met voornoemd arrest van het Gerechtshof is tevens komen vast te staan dat geen sprake is geweest van afgelegde onjuiste verklaringen door de (ex-)vriendin van eiser.

Niet gebleken is dat dit wangedrag eiser niet is toe te rekenen.

4.3

Verweerder was dan ook bevoegd om eiser ontslag te verlenen wegens wangedrag.

4.4

De rechtbank acht het ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van het verweten wangedrag. Verweerder heeft niet ten onrechte groot gewicht gehecht aan het feit dat eiser werkzaam is bij de KMar, dat de KMar is belast met normbewaking en normhandhaving en dat derhalve moet worden voldaan aan hogere eisen wat betreft integriteit. Verweerder heeft bij afweging van het organisatiebelang ten opzichte van het persoonlijk belang van eiser bij het behoud van zijn functie in redelijkheid een zwaarder gewicht mogen toekennen aan voornoemd organisatiebelang.

5 Eiser heeft ter zitting medegedeeld dat de in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel gedane verwijzing naar [persoon 3] vervalt.

Voor zover eiser heeft verwezen naar de situatie van [persoon 1] overweegt de rechtbank dat verweerder van belang heeft mogen achten dat [persoon 1] werkzaam was bij de Koninklijke Landmacht (KL). Eiser is werkzaam bij de KMar, waar - juist door de bijzondere taken van de KMar - hogere integriteitseisen gelden. Voorts is van belang dat, anders dan bij eiser, sprake is geweest van een veroordeling tot een voorwaardelijke werkstraf.

Voor zover eiser heeft verwezen naar de situatie van [persoon 2] overweegt de rechtbank dat verweerder ook hier van belang heeft mogen achten dat [persoon 2] werkzaam was bij een ander krijgsmachtdeel, de KL. Daarnaast is in het geval van [persoon 2] bij het eerste strafrechtelijk vonnis meegewogen dat [persoon 2] verminderd toerekeningsvatbaar was. Bij het tweede vonnis is een reclasseringsadvies meegewogen. Dit was niet aan de orde bij eiser.

Het voorgaande maakt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.

6 Eiser heeft aangevoerd dat hij eerst met het primaire besluit van 10 december 2014 op de hoogte is gesteld van het ontslag dat per 1 januari 2015 zou ingaan. Hij stelt dat hij hierdoor is overvallen.

Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat eiser reeds bij de hoorzitting op 9 september 2014, waarbij de schorsing aan de orde was, op de hoogte is gesteld van het te verlenen ontslag. Van deze hoorzitting is geen verslag beschikbaar, aldus verweerder.

Eiser heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij niet meer weet of bij de hoorzitting van 9 september 2014 is gesproken over het verlenen van ontslag.

De rechtbank stelt vast dat verweerder geen voornemen tot ontslag kenbaar heeft gemaakt. Nu geen verslag van de hoorzitting voorhanden is, is niet komen vast te staan dat eiser reeds op 9 september 2014 is medegedeeld dat hem ontslag zou worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel artikel 47 van het AMAR zich niet verzet tegen de gekozen ingangsdatum van het ontslag, wel sprake is van strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3:2 van de Awb. Eiser is immers niet in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen tegen een ambtshalve te nemen besluit waartegen hij naar verwachting bedenkingen zou hebben. Bovendien is de gehanteerde ontslagtermijn zodanig kort, dat niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit op dit punt met de benodigde zorgvuldigheid is voorbereid.

7 Aangezien de ingangsdatum het enige gebrek is dat aan het ontslagbesluit kleeft, zal het beroep in zoverre gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding op dit punt zelf te voorzien en de ingangsdatum van het ontslag vast te stellen op 1 februari 2015.

Het beroep zal voor het overige ongegrond worden verklaard.

8 De rechtbank veroordeelt verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Bpb vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep, met een waarde per punt van € 495,- bij een zaak van gemiddeld gewicht).

Voorts dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen de ingangsdatum van het ontslag;

- vernietigt het bestreden besluit van 21 mei 2015 in zoverre;

- herroept het primaire besluit van 10 december 2014 in zoverre en bepaalt dat aan eiser met ingang van 1 februari 2015 ontslag wordt verleend;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 21 mei 2015;

- verklaard het beroep voor het overige ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, voorzitter, mr. drs. L.B.M. Klein Tank, lid, en mr. J.S. van Duurling, brigadegeneraal der Koninklijke landmacht b.d., militair lid, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.