Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14116

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
NL17.3244
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghaanse nationaliteit, asiel aanvraag, homoseksualiteit ongeloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3244


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. R.G. Jagesar),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort).


Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld de Afghaanse nationaliteit te hebben, afkomstig te zijn uit de provincie Ghazni en etnisch Hazaar te zijn. Hij is in Afghanistan geboren op [geboortedatum] 1999. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat hij kort na te zijn verkracht door vier vrienden uit zijn dorp zich bewust werd van zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser en zijn vier vrienden hebben elkaar in de periode daarna nog regelmatig betast. Op enig moment, twee weken voor zijn vertrek uit Afghanistan, hebben eiser en zijn vier vrienden weer gemeenschap met elkaar gehad, maar nu vrijwillig. Omdat dit intieme contact de overige dorpelingen en de vader van eiser op begon te vallen, heeft de vader van eiser gevraagd wat er gaande was tussen eiser en zijn vier vrienden. Eiser heeft hierop zijn vader over zowel de verkrachting als zijn seksuele gerichtheid verteld. Deze werd zo boos dat eiser uit vrees voor zijn vader, met behulp van zijn broer en samen met zijn neefje die ook problemen had, Afghanistan heeft verlaten. Eiser stelt bij terugkeer naar Afghanistan te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het Verdrag tot het beschermen van de Rechten en de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden behandeling door zijn vader en landgenoten.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de nationaliteit, identiteit, etniciteit en herkomst van eiser;

- de homoseksuele gerichtheid van eiser en de direct hieruit voortkomende problemen.

Verweerder acht de gestelde nationaliteit, identiteit, etniciteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde homoseksualiteit van eiser, en daarmee ook de daaruit voortgevloeide problemen, echter ongeloofwaardig.

3. Eiser heeft in zijn gronden van beroep betoogd dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Hiertoe voert eiser aan, kort samengevat, dat hij wel degelijk volledig en consistent heeft verklaard over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie en ook anderszins geen tegenstrijdige, vage of summiere verklaringen heeft afgelegd over wat hem is overkomen. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte pas in het voornemen heeft geconfronteerd met tegenstrijdigheden. Dit is namelijk in strijd met het advies: ‘De geloofwaardigheid gewogen’ van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) en klemt temeer nu de besluitvorming ruim anderhalf jaar heeft geduurd. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat verweerder tijdens de gehoren onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn minderjarige leeftijd op dat moment.

4. Verweerder heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

In haar uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat verweerder in de Werkinstructie (WI) 2015/9 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid verricht, bij welke vragen en antwoorden het zwaartepunt ligt en hoe hij de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt en dat verweerder op dit punt heeft voldaan aan de voorwaarden die de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170) heeft gesteld.

5.2.

De vraag dient dan ook te worden beantwoord of in de onderhavige zaak overeenkomstig de WI 2015/9 is gehoord en beslist en of verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat de door eiser gestelde seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn.

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat uit de gehoren niet blijkt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de minderjarige leeftijd van eiser ten tijde van de gehoren. Daarbij moet vooropgesteld worden dat ook van iemand die zeventien jaar oud is in redelijkheid verwacht kan worden dat deze in staat is consistent en volledig te verklaren over hetgeen hem in een recent verleden is overkomen. Het is aan eiser om dit te doen en daarbij alles wat van belang kan zijn naar voren te brengen, hetgeen eiser ook gedaan heeft. Uit de gehoren blijkt ook niet dat verweerder onvoldoende zou hebben doorgevraagd zoals eiser stelt. Uit de gehoren blijkt juist dat eiser na afloop is gevraagd of hij het eens is met de samenvatting van verweerder, of hij tevreden is over de gang van zaken en of hij de tolk goed heeft kunnen verstaan en begrijpen, welke vragen eiser allen bevestigend heeft beantwoord.

5.4.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser conform de WI 2015/9 is gehoord. Uit het verslag van het gehoor van 25 juni 2016 blijkt dat over alle in de WI 2015/9 genoemde thema’s vragen zijn gesteld aan eiser. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder conform de WI 2015/9 heeft beslist, gelet op het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen, in samenhang met de toelichting van verweerder daarop ter zitting. Verweerder heeft immers, in overeenstemming met paragraaf 3 van de WI 2015/9, met name gewicht toegekend aan eisers antwoorden op vragen over bewustwording en zelfacceptatie en wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend. Tevens heeft verweerder gehandeld in overeenstemming met de WI 2015/9 door betekenis toe te kennen aan de verklaringen van eiser omtrent het proces van bewustwording, waarbij is betrokken dat eiser afkomstig is uit een land waar LHBT-gerichtheid niet wordt geaccepteerd.

5.5.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich op basis van de in het bestreden besluit gegeven motivering, het daarin ingelaste voornemen en de toelichting ter zitting daarop, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser over de ingrijpende gebeurtenissen in Afghanistan die de aanleiding voor zijn vertrek hebben gevormd wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft eiser tijdens zijn nader gehoor verklaard dat hij eenmaal is verkracht door vier vrienden. In de zienswijze wordt echter opeens aangegeven dat eiser tweemaal is verkracht door deze vier vrienden. Vervolgens wordt in beroep dan weer gesteld dat eiser eenmaal is verkracht en eenmaal vrijwillig gemeenschap heeft gehad met zijn vier vrienden. De stelling dat verweerder eiser niet goed zou hebben begrepen tijdens het gehoor, wordt niet gevolgd. Uit het gehoor blijkt niet van miscommunicatie en het had daarnaast op de weg van eiser gelegen om eventuele onjuistheden in het verslag van gehoor bij de correcties en aanvullingen op het gehoor naar voren te brengen, en niet eerst in de zienswijze. Verweerder heeft het eiser voorts ook tegen kunnen werpen dat eiser tijdens zijn nader gehoor in zijn vrije relaas eerst heeft verklaard te zijn verkracht door drie of vier vrienden om vervolgens in datzelfde nader gehoor desgevraagd te verklaren dat door hij vier vrienden is verkracht en deze ook bij naam weet te noemen.

5.5.

Verweerder heeft het eiser voorts tegen kunnen werpen dat hij slechts vaag en summier heeft kunnen verklaren over het moment waarop hij zich bewust is geworden van zijn gestelde geaardheid en het proces van zelfacceptatie. Eiser heeft daarover enkel kunnen verklaren dat hij na zijn verkrachting eerst een paar dagen verdrietig was maar na die paar dagen voelde dat hij jongens leuk vond, dat hij dat gevoel daarvoor nooit heeft gehad en dat dat gevoel voor hem vanaf dat moment normaal was. Verweerder mag van iemand die afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit verboden is en zwaar wordt bestraft in redelijkheid verwachten dat hij meer kan verklaren over zijn proces van bewustwording en proces van zelfacceptatie dan eiser heeft gedaan.

5.6.

Reeds gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser, alsmede de daaruit voortgevloeide problemen, ongeloofwaardig is. De overige gronden van beroep behoeven dan ook geen verdere bespreking. Nu eiser ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico te lopen op vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.