Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14105

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2974
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is een bestuurlijke boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. Aangezien sprake is van recidive, heeft verweerder het benadelingsbedrag met 150% verhoogd. De CRvB heeft geoordeeld dat na bepaling van het uitgangsbedrag de uiteindelijke hoogte van een boete zodanig moet worden vastgesteld, dat deze binnen een redelijke termijn kan worden voldaan. Bij gewone verwijtbaarheid - zoals bij eiser het geval is - geldt een termijn van twaalf maanden.

Verweerder hanteert het beleid dat, in het geval van recidive, niet alleen de hoogte van het benadelingsbedrag wordt verhoogd, maar ook de aflostermijn evenredig aan de hoogte van de boete wordt verlengd. In eisers geval betekent dit een aflostermijn van achttien maanden, in plaats van twaalf maanden (150% van twaalf maanden).

De rechtbank is van oordeel dat het beleid van verweerder niet kennelijk onredelijk is. Daarbij overweegt de rechtbank dat indien verweerder dit beleid niet zou voeren, aan de boogde extra bestraffing die passend en geboden is voor het plegen van een herhaalde overtreding, gedeeltelijk geen betekenis meer zou toekomen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/2974

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: I.M. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete ter hoogte van € 1.374,- opgelegd ingevolge artikel 18a van de Participatiewet (Pw).

Bij besluit van 13 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt sinds 19 augustus 2010 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Pw.

1.2.

Verweerder heeft bij besluit van 26 februari 2016 de uitkering van eiser over de periode van 19 juni 2015 tot en met 31 januari 2016 herzien en een bedrag van € 1.831,75 van eiser teruggevorderd, wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uit onderzoek van verweerder is gebleken dat eiser met ingang van 19 juni 2015 een medebewoner – [persoon A] ([persoon A]) – heeft, waardoor de kostendelersnorm op eiser van toepassing is. Bij brief van 7 maart 2016 heeft verweerder het bedrag gebruteerd tot een bedrag van € 2.732,89. Voorts heeft verweerder bij brief van 2 november 2016 aan eiser medegedeeld voornemens te zijn om een bestuurlijke boete op te leggen. Eiser heeft op dit voornemen een reactie ingediend.

1.3.

Aan de bij het primaire besluit opgelegde boete heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft gemeld dat zijn woonsituatie per 1 juli 2015 is gewijzigd. Verweerder heeft aangezien er sprake is van recidive een hogere boete opgelegd dan gebruikelijk.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 18a van de Pw een bestuurlijke boete dient te worden opgelegd bij schending van de inlichtingenverplichting. Volgens verweerder had eiser moeten en kunnen weten dat hij de inschrijving van [persoon A] moest melden. Dit geldt te meer nu aan eiser bij besluit van 3 maart 2015 eveneens een bestuurlijke boete is opgelegd, omdat hij niet bij verweerder heeft gemeld dat zijn zoon per 15 november 2015 op zijn adres stond inschreven. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiser bovendien uitgebreid geïnformeerd over de kostendelersnorm. Zodoende is er met het opnieuw niet melden van een nieuwe inschrijving op het uitkeringsadres van eiser sprake van recidive. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat er in het geval van eiser sprake is van gewone verwijtbaarheid. Uitgangspunt is dat in dat geval een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag wordt opgelegd. Aangezien het in het geval van eiser om recidive gaat, heeft verweerder het benadelingsbedrag met 150% verhoogd en vastgesteld op € 2.747,63.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Hij betwist dat hij, al dan niet bewust, de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De boete is ten onrechte verhoogd met 150%, aangezien eiser geen opzet heeft gehad. Verder voert eiser aan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn draagkracht en zijn financiële problemen. Ten slotte is eiser nog steeds depressief en angstig om nog dieper in de problemen te geraken als gevolg van de aan hem opgelegde bestuurlijke boete.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Pw legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Op grond van het vijfde lid legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste

150 procent van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. Op grond van het zevende lid kan het college de bestuurlijke verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid of afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

5.1.

Vast staat dat het besluit van 26 februari 2016 tot herziening en terugvordering van de aan eiser verstrekte bijstand over de periode van 19 juni 2015 tot en met 31 januari 2016 in rechte onaantastbaar is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie onder meer de uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1370) brengt een dergelijk in rechte onaantastbaar besluit niet met zich dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook onherroepelijk vaststaan.

In het kader van de oplegging van de boete kunnen die feiten en de gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting in volle omvang worden beoordeeld. Verweerder dient aldus aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarde om een boete op te leggen.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [persoon A] per 19 juni 2015 bij eiser stond ingeschreven. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om op eigen initiatief bij verweerder melding te maken van de inschrijving op zijn woonadres. Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij deze inschrijving had moeten melden bij verweerder, nu dit van belang kon zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Dit geldt in dit geval temeer nu aan eiser op 3 maart 2015 een bestuurlijke boete is opgelegd in verband met schending van de inlichtingenverplichting voor een soortgelijke gebeurtenis en hij er voorts bij brief van 23 februari 2015 nadrukkelijk op is gewezen wat de kostendelersnorm inhoudt en welke wijzigingen in zijn situatie hij direct bij verweerder dient te melden. Dat eiser naar eigen zeggen geen opzet heeft gehad op het schenden van de inlichtingenverplichting kan hem niet baten, nu de in artikel 17, eerste lid, van de Pw neergelegde verplichting een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij opzet geen rol speelt. De rechtbank dient aldus enkel te beoordelen of eiser inlichtingen had moeten geven en of hij dit heeft nagelaten. Zie in dit kader de uitspraak van de CRvB van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:605.

5.4.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een schending van de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw. Dit betekent dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 18a, van de Pw, gehouden was eiser een boete op te leggen.

6. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat in dit geding de bepalingen van de Pw van toepassing zijn en dat de boete mede moet worden getoetst aan het Boetebesluit, zoals dat luidt sinds 1 januari 2017.

7. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank terecht uitgegaan van het benadelingsbedrag van € 2.747,63. Zij overweegt hiertoe als volgt. Bij besluit van 26 februari 2016 heeft verweerder € 1.831,75 aan bijstand van eiser teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenverplichting. Verweerder is vervolgens terecht op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Pw uitgegaan van 150% van € 1.831,75, zijnde € 2.747,63. De rechtbank onderschrijft immers het hiervoor onder 2 weergegeven standpunt van verweerder dat in dit geval sprake is van een herhaalde schending van de inlichtingenverplichting na een eerdere schending van eenzelfde aard die in rechte vast staat.

8.1.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het uit rechtsoverweging 6 volgende juridisch kader, dat het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij zo nodig rekening kan worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Een beboetbare gedraging leidt bij gewone verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grote schuld. Afwijking van dit percentage naar benden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met de door betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Voorts volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak dat bij de beoordeling of de boete voldoet aan de eisen van een evenredige sanctie de mate waarin een boete de betrokkene treft van belang is dat de draagkracht van de betrokkene kan leiden tot matiging van de boete.

8.2.

Voor zover eiser aldus moet worden begrepen dat hij betoogt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, volgt de rechtbank dit betoog niet. Het moet eiser immers op zijn minst redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat inschrijving van [persoon A] op eisers woonadres van invloed zou kunnen zijn op het recht op bijstand. Hij had namelijk eerder een boete gekregen voor eenzelfde overtreding en voorts heeft hij in elk geval op

23 februari 2015 een ter zake informerende brief van verweerder ontvangen. Feiten of omstandigheden die in weerwil van het voorgaande tot de conclusie zouden kunnen leiden

dat de vastgestelde overtreding in mindere mate aan eiser kan worden toegerekend zijn niet gesteld of gebleken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het geval van eiser sprake is van gewone verwijtbaarheid, nu opzet niet is aangetoond, zodat 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt is.

8.3.

Nu sprake is van gewone verwijtbaarheid en uitgaande van het benadelingsbedrag van € 2.747,63, heeft verweerder op grond van het ten tijde hier van belang geldende artikel 2, vierde en zesde lid, van het Boetebesluit, de bestuurlijke boete terecht vastgesteld op € 1.374,-.

9.1.

De CRvB heeft geoordeeld dat na bepaling van het uitgangsbedrag de uiteindelijke hoogte van een boete zodanig moet worden vastgesteld, dat deze binnen een redelijke termijn kan worden voldaan. Dit met het oog op de evenredigheid van de op te leggen boete. Daarbij moet rekening gehouden worden met de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende. Bij gewone verwijtbaarheid geldt een termijn van twaalf maanden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9). Dit betekent dat de boete, indien de aflostermijn twaalf maanden betreft en uitgegaan wordt van een inkomen ter hoogte van de voor eiser geldende bijstandsnorm, alsdan maximaal € 1.173,- mag bedragen.

9.2.

In het geval van eiser heeft verweerder de boete van € 1.374,-, niettegenstaande hetgeen onder 9.1 is overwogen, gehandhaafd. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht hanteert hij het beleid dat, in het geval van recidive, niet alleen de hoogte van het benadelingsbedrag wordt verhoogd, maar ook de aflostermijn evenredig aan de hoogte van de boete wordt verlengd. In eisers geval betekent dit een aflostermijn van achttien maanden, in plaats van twaalf maanden (150% van twaalf maanden). De rechtbank komt dit beleid niet kennelijk onredelijk voor. Daarbij overweegt de rechtbank dat indien verweerder dit beleid niet zou voeren, aan de beoogde extra bestraffing die passend en geboden is voor het plegen van een herhaalde overtreding, gedeeltelijk geen betekenis meer zou toekomen door de toepassing van het onder 9.1 weergegeven kader.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat de aan eiser opgelegde boete van € 1.374,- evenredig is aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder begrepen de draagkracht. Niet is gesteld of gebleken dat verweerder van boeteoplegging had moeten afzien wegens dringende redenen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.W. Zijlstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.