Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14075

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
C/09/540180 / HA ZA 17-1011
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Burgerlijk procesrecht. Incidentele vordering tot voeging. Vereisten art. 222 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/540180 / HA ZA 17-1011

Vonnis in incident van 29 november 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZIGZAC B.V.,

gevestigd te Purmerend,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. D.H.S. Donk te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FATBOY THE ORIGINAL B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als ZigZac en Fatboy.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 september 2017;

  • -

    de akte houdende producties van de zijde van ZigZac van 27 september 2017, met producties 1 tot en met 12;

  • -

    de incidentele vordering tot rolvoeging ex artikel 220 tot en met 222 Rv1 van de zijde van ZigZac van 18 oktober 2017, met productie A;

- de conclusie van antwoord in het incident van de zijde van Fatboy van 1 november 2017.

1.2.

Vonnis in het incident is bepaald op heden.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

ZigZac vordert in de hoofdzaak - samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, voor recht zal verklaren dat het uiterlijk van de SeatZac van ZigZac geen inbreuk maakt op de door Fatboy gestelde intellectuele eigendomsrechten noch dat zij onrechtmatig handelt jegens Fatboy, met veroordeling van Fatboy om iedere onrechtmatige handelswijze (zoals beschreven in de dagvaarding) jegens ZigZac te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Fatboy in de volledige proceskosten conform artikel 1019h Rv.

2.2.

Aan deze vorderingen legt ZigZac - zakelijk weergegeven - ten grondslag dat zij sinds 2016 onder haar merk “SeatZac” een zitzak verkoopt, welk uiterlijk als Gemeenschapsmodel is geregistreerd. Ten onrechte heeft Fatboy zich vanaf september 2016 jegens ZigZac op het standpunt gesteld dat ZigZac hiermee inbreuk maakt op de model- en auteursrechten van Fatboy. Nu hiervan geen sprake is, evenmin als van slaafse nabootsing, dient Fatboy zich te onthouden van haar onrechtmatige pogingen om de exploitatiemogelijkheden van ZigZac te belemmeren.

3 Het geschil in het voegingsincident

3.1.

ZigZac vordert dat de hoofdzaak wordt gevoegd met de eveneens bij deze rechtbank aanhangige zaak met het zaaknummer / rolnummer C/09/539873 / HA ZA 17-995 tussen Fatboy als eiseres en ZigZac als gedaagde (hierna: de zaak 17-995).

3.2.

Aan deze vordering legt ZigZac het volgende ten grondslag. In de zaak 17-995, die op 12 september 2017 is ingeleid met een dagvaarding tegen de roldatum van 20 september, vordert Fatboy dat de rechtbank ZigZac zal bevelen om onder meer het vervaardigen en het in de handel brengen van de SeatZac te staken en gestaakt te houden, wegens inbreuk op auteurs- en modelrechten van Fatboy. Nu de beide zaken aldus spelen tussen dezelfde partijen en hetzelfde onderwerp betreffen, is sprake van zodanig verknochte zaken dat consistentie van de uitspraken in beide zaken wenselijk is.

3.3.

Fatboy voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het voegingsincident

4.1.

Onder verwijzing naar de toelichting in Tekst & Commentaar op artikel 220 Rv stelt Fatboy zich op het standpunt dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat het “formeel niet juist is” dat ZigZac in de onderhavige procedure thans nog een incidentele vordering tot voeging instelt “van de Jongste in de Oudste procedure”, aangezien “de Jongste procedure later is aangebracht dan de oudste procedure”. Waar een vordering tot voeging moet worden gedaan bij de eerste gelegenheid dat de desbetreffende partij aan het woord is, had ZigZac de gewenste voeging van de “Jongste procedure in de Oudste procedure” meteen in haar inleidende dagvaarding of uiterlijk in het nadien gevolgde herstelexploit moeten doen, aldus nog steeds Fatboy, die haar betoog overigens besluit met de opmerking dat het ook naar haar mening wenselijk is dat beide procedures gezamenlijk worden behandeld. Zij verzoekt de rechtbank daarom de vordering in het incident toch toe te wijzen dan wel op verzoek van partijen een rolvoeging te gelasten.

4.2.

De rechtbank merkt aanstonds op dat de uiteenzetting van Fatboy moeilijk is te volgen, nu daarin niet geheel duidelijk is welke zaak zij bedoelt als zij het heeft over de “Oudste procedure” en de “Jongste procedure”. In de randnummers 1 en 7 van haar conclusie van antwoord in het incident lijkt zij immers de onderhavige zaak als de “Oudste procedure” te duiden, terwijl zij deze zaak in randnummer 6 juist weer als de “Jongste procedure” lijkt te zien, daarbij kennelijk aanhakend bij de eerste roldatum. Dit laatste is overigens onjuist omdat voor de beantwoording van de vraag welke van de twee zaken de “oudste” is, gekeken moet worden naar het moment waarop deze aanhangig zijn gemaakt. Beslissend daarvoor is - als uitgangspunt - niet de eerste roldatum, maar de datum van dagvaarding (vgl. artikel 125 Rv). Hiervan uitgaande, dient de onderhavige zaak te worden aangemerkt als de “Oudste procedure”.

4.3.

Belangrijker is evenwel dat Fatboy in haar stellingname de procesrechtelijke figuren van verwijzing (gevolgd door voeging) als bedoeld in artikel 220 Rv en voeging als bedoeld in artikel 222 Rv lijkt te verwarren. Gelet op de door haar gebezigde argumenten en verwijzingen gaat Fatboy klaarblijkelijk uit van eerstgenoemde regeling. Daarmee miskent zij echter dat het hier niet gaat om een situatie waarin, heel kort gezegd, tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp zaken aanhangig zijn bij verschillende gerechten, maar om een situatie waarin tussen dezelfde partijen samenhangende zaken aanhangig zijn binnen hetzelfde gerecht. Op een dergelijke situatie is artikel 222 Rv van toepassing. Op grond van dit artikel kan ook in de “Oudste procedure” door de eiser bij incidentele conclusie voeging met de “Jongste procedure” worden gevorderd, zolang door de gedaagde in die “Oudste procedure” nog geen conclusie van antwoord is genomen (vgl. artikel 222 lid 1 en 2 Rv j˚ artikel 220 lid 2 Rv). Aangezien Fatboy in de onderhavige zaak nog niet van antwoord heeft gediend, moet de conclusie dan ook zijn dat ZigZac haar incidentele vordering tijdig en op de juiste wijze heeft ingesteld.

4.4.

Nu de rechtbank partijen daarnaast kan volgen in hun gezamenlijke standpunt dat beide zaken hetzelfde onderwerp als bedoeld in artikel 222 Rv betreffen, moet de slotsom van dit alles zijn dat de incidentele vordering tot voeging dient te worden toegewezen.

4.5.

De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak. De rechtbank merkt daarbij op dat Fatboy, indien zij daadwerkelijk tot een praktische oplossing had willen komen, had kunnen kiezen voor een referte.

5 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

5.1.

voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/539873 / HA ZA 17-995;

5.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;

in de hoofdzaak

5.3.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 10 januari 2018 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van Fatboy.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering