Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14063

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 12436
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, opvolgende aanvraag om uitstel van vertrek afgewezen o.g.v. 4:6 Awb, nieuw BMA-advies opgevraagd, Paposhvili, geen nova

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/12436

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2017 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster] , te [plaats], verzoekster, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1951 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Op 24 mei 2017 heeft verzoekster een aanvraag tot het verlenen van uitstel van vertrek, als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 ingediend. Bij brief van 13 juni 2017 heeft verweerder het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd om een advies uit te brengen over de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vw 2000. Bij nota van 15 juni 2017 heeft het BMA een advies (het BMA-advies van 15 juni 2017) uitgebracht. Verzoekster heeft eerder, op 4 juli 2016, een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Deze eerdere aanvraag is bij besluit van 14 september 2016 onder verwijzing naar het BMA-advies van 6 september 2016 afgewezen. Bij besluit van 24 oktober 2016 is het hiertegen ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 april 2017 (AWB 16/24635) heeft de rechtbank Den Haag het beroep van verzoekster ongegrond verklaard.

3. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag van verzoekster, onder verwijzing naar het besluit van 14 september 2016, afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Het BMA-advies van 15 juni 2017 is op relevante punten gelijk aan het BMA-advies van

6 september 2016. De antwoorden op de hoofdvragen van de artikel 64 van de Vw 2000 procedure, namelijk of verzoekster kan reizen en of zij in een medische noodsituatie op korte termijn terecht komt, zijn hetzelfde. Uit de beide BMA-adviezen blijkt dat verzoekster bij het uitblijven van behandeling niet in een medische noodsituatie terecht zal komen en dat zij kan reizen. Wel zijn er aanwijzingen dat enige medische voorziening noodzakelijk wordt geacht. Tijdens de reis dient verzoekster begeleid te worden door een psychiatrisch verpleegkundige. Daarnaast wordt aanbevolen dat verzoekster een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Ten aanzien van de mantelzorg merkt verweerder op dat hoewel uit het BMA-advies van 15 juni 2017 blijkt dat de aanwezigheid van mantelzorg voor het slagen van de medische behandeling noodzakelijk is, dit niet tot het oordeel leidt dat uitstel van vertrek wordt verleend. De voor verzoekster medisch noodzakelijke mantelzorg wordt niet verleend door gezins- of familieleden die hier te lande verblijven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 of Nederlander zijn. Verweerder trekt dan ook de conclusie dat het BMA-advies van 15 juni 2017 niet leidt tot een ander besluit dan het besluit van 14 september 2016.

4. Verzoekster kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoekster doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In andere ernstige gevallen van herhaalde verzoeken om uitstel van vertrek verleent verweerder steeds uitstel van vertrek voor drie maanden in afwachting van nieuw beleid vanwege het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, Paposhvili v. België, met zaaknummer 41738/10 (het arrest Paposhvili). In dit verband verwijst verzoekster naar een tweetal beschikkingen en naar het advies van de adviescommissie vreemdelingenrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 8 juni 2017. De BMA-arts heeft verzoekster voorts ten onrechte niet uitgenodigd voor een consult en heeft geen onderzoek gedaan naar de gevolgen en risico’s van de uitzetting van verzoekster. Verzoekster is niet of nauwelijks zelfredzaam, is chronisch suïcidaal en heeft een posttraumatische stressstoornis (PTSS) opgelopen in Suriname. Het geweld in Suriname is uitgeoefend door de toenmalige echtgenoot van verzoekster. Hij woont nog steeds in goede gezondheid in Suriname. Derhalve kan niet gesteld worden dat het niet uitmaakt voor de psycho-medische situatie of verzoekster in Nederland of in Suriname verblijft. De BMA-arts heeft dit aspect over het hoofd gezien. De uitzetting van verzoekster vormt een onmenselijke behandeling en levert een schending op van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder dient een aanvullend BMA-advies te vragen ter zake van de vraag of uitzetting naar Suriname tot gevolg zal hebben dat verzoekster acuut suïcidaal wordt en of en in welke mate effectieve behandeling daarvoor in Suriname beschikbaar is. Het huidige BMA-advies is, gelet op het toetsingskader in het arrest Paposhvili, niet concludent, inzichtelijk en toetsbaar. Verzoekster is daarnaast van mening dat verweerder gelet op haar ernstige medische situatie gehouden was om op basis van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) ambtshalve een inhoudelijk oordeel te geven over de vraag of op basis van de discretionaire bevoegdheid en na het maken van een individuele belangenafweging afgezien moet worden van uitzetting. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in strijd met het Unierecht. Verzoekster is voorts van mening dat de bij het bestreden besluit betrokken belangen niet (juist) zijn afgewogen. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij een zwaarwegend belang heeft om hier haar medische behandeling te ondergaan en te worden ondersteund door haar mantelzorgers. Aangezien verzoekster in het land van herkomst geen sociaal vangnet heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, is het aannemelijk dat er in Suriname geen effectieve medische behandeling beschikbaar is. Een veilige behandelomgeving voor de behandeling van PTSS ontbreekt en zij kan ook geen mantelzorg krijgen, zodat verzoekster ten onder zal gaan na uitzetting. De medische situatie van verzoekster is ernstig en instabiel en er is sprake van een overmachtssituatie. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden ingewilligd omdat verzoekster een kansrijk bezwaarschrift heeft ingediend.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt omtrent het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht.

5.1.

Verzoekster heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht en heeft daartoe op 6 augustus 2017 een eigen verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Gelet op deze verklaring is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat verzoekster is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt omtrent de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening.

6.1.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) vloeit voort dat bestuursrechters het zogenoemde ne bis-beoordelingskader in vreemdelingenzaken niet langer toepassen en dat de bestuursrechter het besluit voortaan als uitgangspunt moet nemen bij zijn toetsing en niet meer uit zichzelf zal beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Nu verweerder de aanvraag van verzoekster met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgewezen, zal de voorzieningenrechter beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

6.2.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Dit is slechts anders indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden voordoen als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:NL:XX:1998:AG8817).

6.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden nu niet is gebleken dat de medische situatie van verzoekster sinds het eerdere besluit van 14 september 2016 op relevante wijze is veranderd of verslechterd. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat verzoekster zowel bij de aanvraag die heeft geresulteerd in het besluit van 14 september 2016 als bij de onderhavige aanvraag, om uitstel van vertrek heeft verzocht vanwege nagenoeg dezelfde medische problemen. De voorzieningenrechter acht van belang dat in het BMA-advies van 15 juni 2017 wordt overwogen dat de conclusies van dit BMA-advies overeenkomen met de conclusies van het eerdere BMA-advies van 6 september 2016. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het BMA in zijn advies van 15 juni 2017 evenals in zijn advies van 6 september 2016 heeft geconcludeerd dat verzoekster onder bepaalde voorwaarden kan reizen en dat er bij terugkeer geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht.

6.4.

Onder verwijzing naar het arrest Paposhvili heeft verzoekster ter zitting betoogt dat verweerder in de eerdere aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 niet heeft onderzocht of de medische situatie van verzoekster bij terugkeer naar Suriname een schending oplevert van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het beroep op dit arrest niet. De rechtbank Den Haag heeft in de uitspraak van 5 april 2017 (AWB 16/24635) geoordeeld dat in het geval van verzoekster de hoge drempel (high threshold) om op grond van haar medische omstandigheden aan te nemen dat artikel 3 van het EVRM is geschonden, niet wordt gehaald. Het BMA heeft in het advies van 6 september 2016 vastgesteld dat het uitblijven van medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid niet zal resulteren in een medische noodsituatie. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar medische situatie sindsdien op relevante wijze is veranderd of verslechterd, volgt de voorzieningenrechter verzoekster niet in haar stelling dat thans wel sprake zou zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM. Voor verweerder bestond er dan ook, anders dan verzoekster stelt, geen aanleiding om in dit kader een onderzoek te doen naar de (toegang tot de) gezondheidszorg in Suriname.

6.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen door verzoekster in bezwaar is aangevoerd, derhalve geen afbreuk doet aan het oordeel van verweerder dat de aanvraag onder verwijzing naar het eerdere besluit van 14 september 2016 kan worden afgewezen. Het bezwaar heeft op dit moment dan ook geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt derhalve afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door mr. drs. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.