Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14061

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
NL17.5638
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag, bekering tot het christendom ongeloofwaardig, niet eerder noemen van interesse in het christendom, geen 15c situatie in Afghanistan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5638


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. N. Brands),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f, g en h, van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.5639, plaatsgevonden op 3 augustus 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 13 juli 2017 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft eerder, op 20 januari 2016, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 2 juni 2016 is de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw 2000. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 juli 2016 (ECLI:NL:RBNHO:2016:5439) is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 augustus 2016 is het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Eiser is hierna naar Duitsland vertrokken en op 17 januari 2017 hebben de Duitse autoriteiten eiser aan Nederland overgedragen. Op 17 januari 2017 heeft eiser voorts een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 1 februari 2017 is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:1650) is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens wederom naar Duitsland vertrokken en op 21 april 2017 door de Duitse autoriteiten aan Nederland overgedragen. Op 15 juni 2017 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Op 19 juni 2017 heeft eiser deze aanvraag ingetrokken. Hierna zijn er in het kader van zijn vertrek verscheidene gesprekken met eiser gevoerd en is er voor eiser een vlucht naar Afghanistan geboekt die gepland stond op 26 juli 2017.

2. Eiser heeft aan zijn vierde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Nederland is bekeerd tot het christendom. Vanaf begin 2016 is eiser tijdens zijn verblijf in Haarlem in de opvang voor asielzoekers in aanraking gekomen met het christendom. Bekeerde vrienden hebben hem geëvangeliseerd en uitgenodigd om mee te gaan naar een Iraanse kerk waar hij een aantal keer is geweest. Eiser heeft in die periode tevens kennisgemaakt met een Nederlandse vrouw genaamd [persoon A] met wie hij samen een aantal keer naar een Nederlandse kerk is gegaan. Bekeerde Iraanse en Afghaanse vrienden hebben hem aangespoord om in de Bijbel te lezen en hem aangeraden zich te verdiepen in het christendom zodat hij de boodschap van het christendom zou begrijpen. Eiser heeft met [persoon A], met bekeerde vrienden en met mensen in de kerk gesproken en heeft de islam en het christendom vergelijkend onderzocht. In mei 2017 heeft eiser zich bekeerd tot het christendom.

3. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft het volgende element in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd: de bekering tot het christendom. De bekering wordt door verweerder echter niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn proces voor, tijdens en na zijn bekering niet aannemelijk weten te maken middels voldoende concrete, coherente en consistente verklaringen. Evenmin heeft eiser blijk gegeven van voldoende coherente en concrete kennis van het christelijke geloof, noch van de daarbij opgedane ervaringen en activiteiten in Nederland. Verweerder twijfelt aan de oprechtheid van de bekering omdat eiser in eerdere procedures geen melding heeft gemaakt van zijn interesse in het christendom, hij ten overstaan van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft aangegeven terug te willen naar Afghanistan en hij na zijn gestelde bekering heeft aangegeven geen asiel meer te willen aanvragen. Verweerder ziet niet in waarom eiser niet eerder een asielaanvraag heeft ingediend op grond van zijn bekering en dat hij pas op het moment dat bij hem bekend is geworden dat er een vlucht naar Afghanistan is geboekt, een asielaanvraag indient. Eiser kan niet als vluchteling aangemerkt worden in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), (het Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij het bestreden besluit heeft verweerder voorts een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de bekering tot het christendom ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Ten onrechte heeft verweerder hem tegengeworpen dat hij niet eerder gewag heeft gemaakt van zijn twijfels ten opzichte van de islam, zijn interesse in het christendom en de activiteiten die hij in dit verband heeft verricht en dat hij niet eerder een asielaanvraag op grond van zijn bekering heeft ingediend. Voorts betoogt eiser dat hij wel degelijk voldoende inzicht heeft gegeven in zijn bekeringsproces en hierover uitvoerig en consequent heeft verklaard. Er is geen sprake van wisselende, opmerkelijke en summiere verklaringen. Eiser heeft ook geen onjuist antwoord gegeven op de vraag naar de betekenis van de bekering en heeft bovendien duidelijk verklaard over zijn activiteiten met betrekking tot het christendom. Indien de bekering van eiser door verweerder niet geloofwaardig wordt geacht, had beoordeeld dienen te worden of de afkeer van de islam geloofwaardig is, nu het beleid geen onderscheid maakt tussen bekeerlingen en afvalligen. Hieromtrent is echter niets terug te vinden in de besluitvorming. Tot slot voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan, omdat hij een risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn).

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000;

f. de vreemdeling zijn aanvraag enkel heeft ingediend teneinde zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen;

g. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk is verklaard;

h. de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst.

7. De rechtbank stelt voorop dat is gebleken dat eiser op 26 juli 2017 is uitgezet naar Afghanistan. De vraag die ter beoordeling voorligt, is of verweerder de bekering van eiser tot het christendom ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en derhalve of verweerder de vierde opvolgende asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

7.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:762), blijkt dat verweerder een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt de staatssecretaris ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het geval van eiser volgens de voormelde gedragslijn heeft gehandeld en niet ten onrechte heeft overwogen dat de gestelde bekering van eiser tot het christendom ongeloofwaardig is. Zo heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser zijn proces voor, tijdens en na zijn bekering niet aannemelijk heeft weten te maken middels concrete, coherente en consistente verklaringen. Verweerder heeft ook niet ten onrechte overwogen dat eiser evenmin blijk heeft gegeven van voldoende coherente en concrete kennis van het christelijke geloof noch van de daarbij opgedane ervaringen en activiteiten in Nederland. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder ook de afkeer van de islam in de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering betrokken, maar de afkeer van de islam wordt eveneens ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte de afvalligheid van de islam niet beoordeeld heeft, slaagt om die reden niet.

7.3.

Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat het niet eerder noemen van de belangstelling voor het christendom bijdraagt aan de ongeloofwaardigheid van de gestelde bekering. De door eiser in beroep gegeven verklaringen, te weten dat hij wel eerder in het gehoor bij DT&V op 11 mei 2017 heeft aangegeven dat hij afstand heeft genomen van de islam, dat hij niet eerder een aanvraag kon indienen omdat er niet eerder sprake was van een bekering en dat hij de derde asielaanvraag op aanraden van zijn toenmalige advocaat heeft ingetrokken, doen hieraan niet af. Hiermee heeft eiser immers niet duidelijk gemaakt waarom hij niet in een eerdere asielprocedure kenbaar heeft gemaakt dat hij twijfelde aan de islam en geïnteresseerd was in het christendom. Verweerder heeft eiser dan ook niet ten onrechte tegengeworpen dat hij dit niet in een eerdere asielprocedure naar voren heeft gebracht en dat hij niet eerder een asielaanvraag heeft ingediend op grond van zijn bekering, die naar eiser stelt reeds in mei 2017 heeft plaatsgevonden.

8. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn (artikel 15c-situatie), overweegt de rechtbank dat deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in de bovenstaande bepaling. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731) en van 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3513), waarin is geoordeeld dat er in Afghanistan geen sprake is van een artikel 15c-situatie. Uit de door eiser aangehaalde stukken in zijn zienswijze blijkt niet dat er sprake is van een significante verandering van de veiligheidssituatie in Afghanistan dat thans wel van een artikel 15c-situatie moet worden uitgegaan.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.