Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14058

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
NL17.5548
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag, status in Griekenland, medische omstandigheden, beroep op Paposhvili, interstatelijk vertrouwensbeginsel, geen nova.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5548


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Younge),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.5549, plaatsgevonden op 3 augustus 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiser heeft al eerder, op 2 januari 2017, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 12 januari 2017 heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. Bij uitspraak van 6 februari 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:484) heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, het door eiser hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Op 29 juni 2017 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend en aangevoerd dat hij in Nederland door leden van Nejat is bedreigd en dat zij belastende verklaringen over hem bij de politie hebben afgelegd, waarna hij gedurende twee maanden, 24 uur per dag, is gemonitord door politieagenten. Vanaf het moment dat de politie erachter kwam dat deze verklaringen vals waren, hebben zij eiser beschermd en hem erkend als erepolitieman. Voorts heeft eiser verklaard dat de omstandigheden als het gaat om opvang, hygiëne en zorg in Griekenland in algemene zin slecht zijn. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij Hiv-positief is, Hepatitis C heeft en last heeft van een hoge bloeddruk en dat hij tijdens de eerste asielprocedure niet de kans heeft gekregen om hierover te praten.

3. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser naar het oordeel van verweerder geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe overweegt verweerder dat de problemen met Nejat in Griekenland reeds in de eerste asielprocedure zijn meegewogen en dat eiser in de onderhavige procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Griekse autoriteiten hem niet zouden willen of kunnen beschermen. Ten aanzien van de verklaringen van eiser in Nederland te zijn bedreigd door dezelfde personen die hem ook in Griekenland zouden hebben bedreigd, overweegt verweerder dat eiser hieromtrent ongeloofwaardig heeft verklaard. De medische situatie van eiser en de algemene situatie in Griekenland zijn eveneens door verweerder meegenomen in de eerste asielprocedure. Eiser heeft in de onderhavige procedure niet aannemelijk gemaakt dat Griekenland zijn internationale verplichtingen jegens hem niet nakomt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat verweerder er dan ook vanuit dat de Griekse autoriteiten zich aan hun verdragsverplichtingen zullen houden.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Eiser is van mening dat hij in Griekenland niet de rechten toegekend heeft gekregen waarop het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), (het Vluchtelingenverdrag) hem recht geeft. Met name huisvesting en gezondheidszorg is niet toegankelijk gebleken voor eiser, hetgeen de oorzaak is geweest van ernstige gezondheidsklachten. Dit klemt temeer, nu eiser positief is getest op het Hiv-virus, Hepatitis C heeft en zijn nierfunctie ernstig is verminderd. Eiser is zeer depressief en door hulpverleners en artsen is geconstateerd dat hij begonnen is met automutilatie. Hij heeft zich tevens suïcidaal uitgelaten tegenover medische hulpverleners. In zijn algemeenheid is de toegankelijkheid van de gezondheidszorg in Griekenland voor vluchtelingen en asielzoekers niet gegarandeerd. Ten onrechte heeft verweerder geen toepassing gegeven aan het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, Paposhvili v. België, met zaaknummer 41738/10 (het arrest Paposhvili) en zich er niet van vergewist dat de nodige gezondheidszorg ook feitelijk toegankelijk is voor eiser. Verweerder heeft het niet noodzakelijk geacht om van tevoren garanties te vragen aan Griekenland. Bij uitzetting naar Griekenland is volgens eiser sprake van een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Verweerder had zich door middel van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) moeten vergewissen van de gezondheidsstaat van eiser en zijn medische omstandigheden in de procedure dienen te betrekken.

Ter onderbouwing verwijst eiser naar de volgende stukken:

  • -

    het laboratorium dagrapport van de Medische dienst Detentie centrum Rotterdam van 25 juli 2017;

  • -

    de brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer van 11 april 2017;

  • -

    het advies van de adviescommissie vreemdelingenrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 8 juni 2017;

  • -

    de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 14 juli 2017 en de daarbij behorende bijlagen;

  • -

    een aantal pagina’s van de website ‘levenmethiv.be’;

  • -

    de website ‘legalbarriers.peoplewithhiveurope.org’: het special rapport van de European Centre for Disease Prevention and Control, ‘From Dublin to Rome: ten years of responding to HIV in Europe and Central Asia. Summary report’ en het rapport van Harm reduction in Western Europe;

  • -

    de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 mei 2017 met zaaknummer 201703694/1/V3 en zaaknummer 201703694/2/V3;

  • -

    A. Terlouw, ‘Medische omstandigheden als reden voor toepassing discretionaire bepaling Dublin III’, in: A&M 2017, nummer 4.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

6.2.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) volgt dat er voor de bestuursrechter in vreemdelingenzaken geen ruimte meer bestaat om ambtshalve het ne bis-beoordelingskader toe te passen en dient de bestuursrechter elk besluit op een opvolgende aanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet de bestuursrechter toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen, zoals die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Handvest, nakomt ook met betrekking tot het verlenen van medische zorg. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Griekenland dit niet of niet langer doet.

6.4.

Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat ten aanzien van Griekenland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat eiser als statushouder wettelijk dezelfde rechten heeft als burgers van Griekenland. De omstandigheid dat statushouders deze rechten in de praktijk niet altijd kunnen genieten, maakt vorenstaand oordeel niet anders. Indien eiser bij terugkeer van mening is dat de Griekse autoriteiten zijn rechten niet eerbiedigen, dient hij zich hierover te beklagen bij de (hogere) Griekse autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat eiser zich in Griekenland met zijn medische problemen heeft gewend tot instanties voor hulp of medische behandeling. Derhalve is niet gebleken dat de Griekse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen en dat de medische behandeling voor Hiv en Hepatitis C aan eiser in Griekenland wordt geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of met artikel 4 van het Handvest.

6.5.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder gehouden was om te onderzoeken of de beschikbare medische zorg ook feitelijk toegankelijk is voor eiser in Griekenland, overweegt de rechtbank als volgt. Het arrest Paposhvili ziet op de mogelijkheden van medische behandeling in het land van herkomst. In dit geval gaat het om de vraag of eiser kan terugkeren naar Griekenland. De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met zich mee brengt dat er in beginsel van kan worden uitgegaan dat eiser toegang heeft tot de medische zorg in Griekenland. Aangezien eiser – zoals hiervoor is overwogen – niet heeft onderbouwd dat de Griekse autoriteiten die toegang niet kunnen of willen bieden, slaagt het beroep op het arrest Paposhvili niet.

6.6.

Dat verweerder gehouden was om ambtshalve een BMA-advies op te vragen, volgt de rechtbank eveneens niet. In de door eiser overgelegde stukken heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiser een medisch onderzoek aan te bieden, reeds omdat uit deze stukken niet volgt dat de medische klachten van eiser sinds de eerdere asielaanvraag zijn veranderd of verslechterd.

7. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw 2000 is evenmin gebleken. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser dan ook niet ten onrechte met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.