Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14047

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
NL17.2199
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Irak, ongeloofwaardig dat eiser te vrezen heeft voor eerwraak vanwege de relatie met zijn geliefde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2199


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.J.M. van Kuppenveld),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 12 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.H. Taymour. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 16 oktober 2015 een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft, kort samengevat, aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij verliefd is geworden op een meisje van een andere stam. Hij wilde graag met dit meisje trouwen. Eisers vader heeft, op eisers verzoek, meerdere keren om de hand van het meisje gevraagd. Dit werd telkens geweigerd omdat het meisje al uitgehuwelijkt was aan haar neef. Eisers vader heeft eiser op enig moment verstoten, omdat hij de stam niet nog verder voor schut wilde zetten door weer haar hand te vragen. Het meisje wilde niet met haar neef trouwen, maar met eiser. Zij zijn vervolgens gevlucht naar het huis van eisers tante. In [plaats] is het meisje, na negen maanden, uiteindelijk door gewapende mannen meegenomen. Eiser vermoedt dat dit in opdracht was van haar familie. Eiser heeft sindsdien geen contact meer gehad met het meisje. Hij is uiteindelijk zelf gevlucht uit angst voor eerwraak van haar stam.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- Identiteit, nationaliteit en herkomst.

- De gestelde relatie van betrokkene en de daaruit voortvloeiende problemen met de stamleden van zijn geliefde.

Verweerder volgt eiser in zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder acht de verklaringen van eiser over zijn gestelde relatie en de problemen die hij stelt daardoor te hebben ondervonden met de stam van zijn geliefde, echter niet geloofwaardig.

4. Eiser heeft in zijn beroepsgronden uitgebreid gereageerd op het bestreden besluit. Kort en zakelijk weergegeven voert eiser aan dat verweerder de verklaringen van eiser over zijn relatie en de problemen die hij daardoor heeft ondervonden, ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft alles verteld wat hij weet en wat hij kan weten. Ook vult verweerder volgens eiser teveel zelf in en doet verweerder te vaak (onterechte) veronderstellingen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het asielrelaas ten aanzien van de gestelde relatie en de problemen die eiser daardoor stelt hebben ondervonden met de stam van zijn geliefde, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden en dit voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank licht daartoe het volgende uit.

5.1

Verweerder heeft het opmerkelijk mogen achten dat eiser in eerste instantie tijdens het eerste gehoor ontkennend heeft geantwoord op de vraag of hij een relatie heeft of dat hij verloofd of gehuwd is. Dat hij daarna uitgebreid over zijn gestelde relatie en de daaruit voortkomende problemen heeft verklaard doet daar niet aan af. Evenals de stelling van eiser in beroep, dat hij denkt dat zijn vriendin dood is en dat het dan niet gek is dat hij daarom in eerste instantie heeft aangegeven dat hij geen relatie heeft. Verweerder mocht van eiser verwachten dat, nu hij stelt dat dit de liefde van zijn leven is en de daardoor gestelde problemen de kern van zijn asielrelaas zijn, hij daarover direct helder kon verklaren en ook dat hij meer inspanningen zou verrichten om contact met haar te krijgen. Hierbij mocht verweerder het van belang achten dat eiser en zijn vriendin een groot risico hebben genomen door samen te vluchten. Verweerder heeft de enkele stelling van eiser, dat hij haar wilde gaan zoeken maar dat hij werd tegengehouden door familie, onvoldoende kunnen achten. Verweerder heeft derhalve de gestelde relatie derhalve niet geloofwaardig kunnen achten.

5.2

De rechtbank onderkent dat eerwraak een ernstige aangelegenheid is wat gevaar voor iemands leven kan betekenen. Echter, verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser het in zijn specifieke geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te maken zal kunnen hebben met eerwraak. Verweerder heeft het ongerijmd mogen achten dat de vader van eiser hem heeft verstoten, terwijl eisers vader eerder telkens instemde met het vragen van de hand van eisers geliefde. Verwacht zou worden dat eisers vader, na de verschillende pogingen, aangeeft dat hij geen heil meer ziet in het vragen van de hand van eisers geliefde en dat hij daarmee zou willen stoppen. Een verstoting ligt echter minder voor de hand. Eiser heeft hier ook geen goede verklaring voor gegeven. Verweerder heeft bij zijn conclusie voorts mogen betrekken dat de vader van eiser, eiser op eigen initiatief en zonder druk van de rest van de familie, heeft verstoten. Dit komt de geloofwaardigheid ervan niet ten goede. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat de verstoting en de ‘vogelvrij’-verklaring niet aannemelijk zijn gemaakt door eiser. De door eiser ingebrachte handgeschreven brief met de gestelde verklaring van zijn vader, leidt niet tot een andere conclusie.

5.3

Ten aanzien van de overval waarbij eisers vriendin zou zijn ontvoerd, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft het ongerijmd kunnen achten dat eiser geen vragen heeft gesteld aan zijn huisgenoot omtrent de omstandigheden van de overval. De stelling van eiser, dat het op dat moment allemaal niet tot hem doordrong, is onvoldoende om anders te oordelen. Zoals eerder is overwogen stelt eiser dat dit meisje de liefde van zijn leven is. Verwacht mocht dan ook worden dat eiser alles in het werk stelt om te achterhalen door wie ze is meegenomen en waar ze is gebleven. Voorts heeft verweerder het opvallend mogen achten dat de vriendin van eiser pas negen maanden nadat ze gevlucht waren, is ontvoerd.

5.4

Verweerder heeft zich ten aanzien van de de ter zitting overgelegde foto’s van het bekladde huis van de ouders van eiser, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze niet leiden tot een andere conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Immers, niet is na te gaan door wie de foto’s zijn gemaakt en wanneer. Ook is niet na te gaan door wie het huis is beklad. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser de link tussen de foto’s en de gebeurtenissen niet aannemelijk heeft gemaakt. Hoewel de rechtbank erkent dat het lastig kan zijn om zoiets aannemelijk te maken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hier op juiste gronden niet de waarde aan hecht, die eiser daaraan gehecht wenst te zien.

6. Gelet op hetgeen in de besluitvorming is opgenomen en hetgeen hierboven is opgenomen, komt eiser niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.