Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14030

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 29642
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeid als zelfstandige, verdringingseffect

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/29642

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuijs).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 16 februari 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Als tolk is verschenen M. Sivridag.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser beoogt de verkrijging van een verblijfsvergunning om als zelfstandige in Nederland arbeid te verrichten bij eenmansbedrijf ‘[bedrijfsnaam]’.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen zonder advies te vragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) omdat het ondernemingsplan van eiser niet aan de gestelde vereisten voldeed. In bezwaar heeft eiser aanvullende stukken overgelegd en heeft verweerder de aanvraag alsnog voorgelegd aan de RVO.

De RVO heeft op 30 juni 2016 op verzoek van verweerder advies uitgebracht in eisers zaak. Volgens dit advies verricht eiser met zijn onderneming geen onderscheidende activiteiten. De Land en Tuinbouworganisatie (LTO) maakt zich grote zorgen over de marktsituatie in verschillende agrarische sectoren: prijzen zijn laag en boeren en tuinders in heel Europa hebben moeite om rekeningen te betalen. Zij maken veelvuldig gebruik van (goedkope) flexibele arbeidsrelaties, seizoen werkers en de inhuur van zelfstandigen. Gelet op de werkgelegenheidsontwikkeling en de ruime arbeidsmarkt in de agrarische sector wordt geconcludeerd dat de onderneming van eiser een negatieve invloed heeft op de markteconomie en de werkgelegenheid.

Naar aanleiding van dit advies heeft op 27 september 2016 een hoorzitting plaatsgevonden. Verweerder heeft aanleiding gezien de RVO een toelichting op het advies te vragen. Op 1 november 2016 heeft de RVO zijn advies verduidelijkt. De conclusie is gelijkluidend aan het eerste advies.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2. Eiser voert aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft in het geheel niet kunnen reageren op het aanvullende advies van 1 november 2016 van de RVO. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb en artikel 41 van het Aanvullend Protocol (standstill-bepaling) van het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (Besluit 1/80). In 1973 maakte de term onderscheidende activiteiten geen onderdeel uit van het Nederlandse toetsingsbeleid voor zelfstandigen. Verder hebben verweerder en de RVO ten onrechte een aantal documenten buiten beschouwing gelaten. Daarbij doelt eiser met name op referenties betreffende verrichte werkzaamheden en toezeggingen voor toekomstige opdrachten. Deze documenten hebben overduidelijk betrekking op eiser. Voorts zien deze documenten op de huidige onderneming aangezien zij toezeggingen voor de toekomst bevatten. Tot slot heeft verweerder de aanvraag ten onrechte afgewezen wegens een negatief effect op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie: het verdringingseffect. Dit effect wordt niet door de RVO in zijn advies genoemd. Gebleken is dat eiser inspringt op een vraag die in de Nederlandse sector bestaat en dat hij daarmee in zijn onderhoud kan voorzien.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het advies van de RVO een deskundigenadvies is. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd en heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen om te twijfelen aan het advies. Het plaatsen van kritische kanttekeningen is niet voldoende om het advies onderuit te halen. Volgens verweerder is geen sprake van strijd met de standstill-bepaling. Ook in 1973 kwam men voor de door eiser geambieerde vergunning in aanmerking als men een wezenlijk Nederlands belang diende en werd dit belang slechts aanwezig geacht indien een vreemdeling met zijn activiteiten in een behoefte voorzag en geen negatief effect had op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. Het RVO advies heeft dan ook op goede gronden rekening gehouden met het verdringingseffect, aldus verweerder. Ook de toets of sprake is van onderscheidende activiteiten is op goede gronden verricht en maakt onderdeel uit van de vraag of met de activiteit in een behoefte werd voorzien. Deze toets werd ook in 1973 al verricht. Nu RVO zijn advies baseert op de huidige en feitelijke situatie, zijn de door eiser overgelegde stukken die zien op de situatie voor 17 november 2014 terecht niet beoordeeld. Voorts vormen de stukken waarmee eiser wil aantonen dat er behoefte is aan zijn activiteiten geen weerlegging van het effect van eisers onderneming op de markteconomie en de werkgelegenheid. Een aanvullend advies naar aanleiding van meer recent ingediende stukken is dan ook niet nodig, aldus verweerder.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) is een advies van de RVO een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Als uit een dergelijk advies op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie van het advies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, mag verweerder van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder middels de door hem ingeschakelde deskundige RVO, de markt- en werkgelegenheidssituatie mag betrekken bij de vraag of met de toetreding van eiser een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Verweerder heeft zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het verdringingseffect onderdeel is van de beoordeling of de vreemdeling met zijn onderneming een negatief effect heeft op de werkgelegenheidssituatie en daarom geen wezenlijk Nederlands belang dient.

Zoals verweerder aangevoerd heeft was de vraag of sprake was van – kort gezegd- onderscheidend vermogen, onderdeel van de toets of de onderneming in een behoefte voorziet, hetgeen ook in 1973 al werd getoetst. Er is dus geen sprake van strijd met de standstill-bepaling.

Eisers betoog dat het RVO-advies geen melding maakt van het verdringingseffect kan de rechtbank niet volgen. De adviezen geven aan dat eiser geen onderscheidende activiteiten verricht met zijn onderneming. Ook de beoogde uitzendwerkzaamheden zijn niet onderscheidend. Gezien de werkgelegenheidsontwikkeling en de ruime arbeidsmarkt in de agrarische sector wordt door de RVO geconcludeerd dat de onderneming van eiser een negatieve invloed heeft op de markteconomie en de werkgelegenheid. De rechtbank vat dit op als een omschrijving van het verdringingseffect. De omstandigheid dat er wel vraag is naar de activiteiten van eiser neemt deze negatieve invloed nog niet weg. De vraag naar eisers activiteiten versterken deze negatieve invloed zelfs, aldus de RVO.

De rechtbank is van oordeel dat de adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en – naar inhoud – inzichtelijk zijn. Verweerder mocht derhalve bij de beoordeling van eisers aanvraag van deze adviezen uitgaan, nu geen concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen is daartoe onvoldoende.

5. Van schending van artikel 7:9 van de Awb is de rechtbank niet gebleken. Eiser is immers in staat gesteld zijn zienswijze te geven op het eerste advies van de RVO. Vervolgens heeft verweerder naar aanleiding van de opmerkingen van eiser aanleiding gezien een aanvullend advies te vragen. Het aanvullend advies is een nadere nuancering van het eerste advies, waarbij aandacht is besteed aan de bij eiser gerezen twijfel over de conclusies van het eerste advies. Het lag, gelet op de inhoud van het aanvullend advies, niet op de weg van verweerder eiser wederom te horen dan wel in de gelegenheid te stellen wederom zijn visie te geven op het aanvullend advies.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.