Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14026

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1746
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Chinese nationaliteit, arbeid als zelfstandige, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1746

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuijs).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel ‘arbeid als zelfstandige’, afgewezen.

Bij besluit van 2 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens is Y. He verschenen als tolk. Daarnaast is de boekhouder van eiseres, [persoon A], verschenen en [persoon B] als toehoorder.

Overwegingen

1. Eiseres is op [geboortedatum] 1974 geboren, bezit de Chinese nationaliteit en is in het bezit van een verblijfsvergunning “EG-langdurig ingezetenen derdelanders” die door de Italiaanse autoriteiten is afgegeven. Eiseres heeft onderhavige aanvraag ingediend om als zelfstandige arbeid te verrichten in cafetaria [bedrijfsnaam] in [plaats]. Deze onderneming heeft de rechtsvorm van een vennootschap onder firma (vof). Eiseres is, tezamen met haar zus en [persoon C], vennoot in deze vof.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat niet is gebleken dat eiseres duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Dit is op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wel vereist. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de onduidelijke grondslag van de overnamesom van € 8000,- en de betaling van dat bedrag. Daarnaast is niet duidelijk welke werkzaamheden eiseres zal verrichten en wat haar toegevoegde waarde is voor de onderneming. Eiseres had dit kunnen onderbouwen met een ondernemingsplan maar heeft zulks nagelaten. Stukken met betrekking tot de werkervaring van eiseres ontbreken ook. De verklaring dat eiseres werkzaam is geweest bij een foodplaza in China, is onvoldoende concreet, nu niet aangegeven wordt welke werkzaamheden zij daar verricht heeft en voor welke periode.

Omdat een ondernemingsplan ontbreekt wordt door eiseres ook geen inschatting gegeven van de verwachte omzet en kosten en daarmee winst in de komende jaren. Verweerder gaat niet zonder meer uit van in het verleden behaalde resultaten.

3. Eiseres betoogt dat verweerder in strijd handelt met Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezetenen onderdanen van derde landen (hierna: de Richtlijn). De richtlijn biedt slechts een beperkte bevoegdheid tot het vragen van bewijsstukken. Verweerder mag niet van eiseres verlangen dat zij een ondernemingsplan overlegt. Te meer omdat verweerder niet betwist dat eiseres voldoende inkomsten genereert uit haar deelneming aan het bedrijf.

Verweerder mag volgens de richtlijn alleen als bewijs verlangen dat eiseres voldoet aan alle voorwaarden om op rechtmatige wijze haar beroep of bedrijf hier te lande uit te oefenen. Voor een startende ondernemer is het daarbij ook nog eens onmogelijk om sluitend bewijs ter zake van de hoogte en duurzaamheid van het inkomen te geven.

Eiseres heeft geheel onverplicht toch een deugdelijke onderbouwing gegeven van de wijze waarop en de mate waarin eiseres verwacht haar inkomen te verwerven. Aangezien het bedrijf al geruime tijd bestaat is er geen reden tot het opvragen van een ondernemingsplan.

De werkervaring van eiseres is niet relevant volgens de richtlijn. Het gaat er om dat eiseres op dit moment voldoende verdient en geen beroep op de openbare kas hoeft te doen.

4. In artikel 15 van de Richtlijn zijn de voorwaarden voor verblijf in een tweede lidstaat neergelegd. In artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn is bepaald dat de lidstaten betrokkene kunnen vragen bewijzen te overleggen waaruit blijkt dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en het minimumpensioen. In artikel 15, vierde lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Richtlijn is onder meer bepaald dat de aanvraag vergezeld gaat van overeenkomstig de nationale wetgeving vereiste bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de desbetreffende voorwaarden. In het bijzonder wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als zelfstandige, mag worden verwacht dat hij bewijst dat hij beschikt over de volgens het nationale recht noodzakelijke middelen om een dergelijke economische activiteit uit te oefenen, waarbij hij de vereiste documenten en vergunningen overlegt. De Richtlijn is geïmplementeerd in de Vw 2000, het Vb 2000 en de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000.

Op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft.

5. De rechtbank stelt voorop dat eiseres de gegevens en bescheiden ter onderbouwing van haar aanvraag reeds in de aanvraagfase en uiterlijk in de bezwaarfase had dienen te overleggen. Stukken die eerst in beroep worden overgelegd kunnen door de rechtbank niet in de beoordeling worden betrokken. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:410). De stukken die eiseres eerst in beroep heeft overgelegd, zoals haar belastingaangifte over 2016 en de jaarrekening 2016, zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten.

Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder van de vreemdeling die de status van langdurig ingezetene heeft, stukken mag verlangen waaruit blijkt dat hij arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten en waaruit blijkt dat hij uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. In onderhavige zaak is geen ondernemingsplan overgelegd. De stelling van eiseres dat in haar geval, waarbij sprake is van toetreding tot een bestaande vof die al sinds 1 januari 2008 bestaat, geen ondernemingsplan vereist is, volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de voornoemde uitspraak van 6 februari 2015) volgt dat zowel uit het aanvraagformulier als uit het beleid van verweerder (paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000) genoegzaam duidelijk blijkt welke stukken relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De rechtbank stelt vast dat zowel op het aanvraagformulier als in het primaire besluit staat vermeld dat eiseres bij haar aanvraag als bewijsmiddel onder andere een ondernemingsplan moet overleggen. Voor zover eiseres van mening was dat in haar geval, in afwijking van het beleid, geen ondernemingsplan hoefde te worden overgelegd, had het op haar weg gelegen om daarover contact op te nemen met verweerder.

De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor het handelen van verweerder, door vast te houden aan zijn beleid van het eisen van een ondernemingsplan, gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De omstandigheid dat de vof al langere tijd bestaat is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan eiseres mogen tegenwerpen dat zij, door het ontbreken van een ondernemingsplan (of soortgelijk stuk) geen inzicht heeft gegeven in de plannen van de onderneming en specifiek in het aandeel van eiseres in de onderneming. Daarbij is van belang dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt wat haar toegevoegde waarde is voor de onderneming en onvoldoende inzicht heeft gegeven hoe de zakelijke overeenkomst waarbij aan eiseres een (relatief groot) winstaandeel van 40% is toegekend voor een (relatief laag) bedrag van € 8.000,- tot stand is gekomen. Voorts heeft eiseres tijdens de hoorzitting desgevraagd aangegeven te helpen met het maken van friet en te assisteren en helpen in de onderneming. Hierdoor zijn bij verweerder twijfels gerezen over de vraag of eiseres wel als zelfstandig ondernemer valt aan te merken. Het betoog van eiseres ter zitting dat zij dit bij de hoorzitting verkeerd gezegd heeft, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten om deze twijfel weg te nemen.

Nu er onder meer geen ondernemingsplan is overgelegd en onduidelijk is wat de rol en toegevoegde waarde van eiseres binnen de onderneming zal zijn, is niet aangetoond dat eiseres voldoet aan het vereiste van artikel 3.30, eerste lid onder b, van het Vb 2000.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.