Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:14012

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
17/8547
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat uit eisers verklaringen niet volgt dat hij atheïst is of zich als atheïst profileert in Irak. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd hoe eisers werk als acteur, regisseur en scenarioschrijver, waarvan verweerder niet heeft betwist dat eiser daarin zijn non-religieuze opvattingen ten aanzien van politiek en maatschappij tot uitdrukking brengt, zich verhoudt tot wat in het Algemeen ambtsbericht inzake Irak van november 2016 en in het U.S. State Department Country Report on Human Rights Practices 2015 ten aanzien van Irak is vermeld over atheïsten, journalisten en mediapersoneel. Daaruit volgt immers dat journalisten, mediapersoneel en atheïsten zich in Irak niet vrijelijk kunnen uiten zonder daarbij te moeten vrezen voor geweld van de zijde van onder meer de veiligheidsdiensten, conservatieve moslims of medeburgers. Dat verweerder stelt dat eiser niet behoort tot een risicogroep is zoals geïdentificeerd in het huidige landgebonden beleid inzake Irak, acht de rechtbank niet voldoende, gelet op de raakvlakken met eisers werk en gelet op de geloofwaardig geachte aanhouding van eiser tijdens het filmen van een demonstratie voor een documentaire over activisten onder het regime van de Baath-partij in 2015. Dat eisers films niet bij wet of door de rechter verboden zijn in Irak, leidt evenmin tot de conclusie dat eiser niet hoeft te vrezen voor geweld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de verklaring van eiser dat zijn werk wordt afgewezen door religieuze mensen, dat een imam zich in negatieve zin heeft geuit tijdens het vrijdaggebed over de film waarin eiser speelt en dat de regisseur van deze film naar aanleiding van de film is bedreigd. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat het werk van een landelijk bekende acteur, regisseur en scenarioschrijver per definitie verder reikt dan de plaats waarin hij woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 17/8547, V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: drs. J.D. Albarda.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E. Hoftijzer, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen Z. Hanina, tolk.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit.

2. Op 12 oktober 2015 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft eiser - samengevat - ten grondslag gelegd dat hij in zijn werk als acteur, regisseur en scenarioschrijver kritiek uit op de invloed van de islam in de Iraakse politiek. Eiser is vanwege zijn werk in 2006, 2010 en 2014 bedreigd. Daarnaast hebben de veiligheidsdiensten hem eind maart 2015 aangehouden tijdens het filmen van een demonstratie en hebben zij op 7 of 8 april 2015 op de school van eisers dochter naar haar geïnformeerd. Twee of drie dagen daarna is eiser beschoten vanuit een auto.

3. Verweerder volgt eiser in zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Ook volgt verweerder dat eiser heeft gewerkt als acteur, regisseur en scenarioschrijver en dat hij is aangehouden tijdens het filmen van een demonstratie. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser meerdere malen is bedreigd, dat de veiligheidsdiensten hebben geïnformeerd naar zijn dochter en dat eiser is beschoten. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn werk te vrezen heeft in Irak.

4. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder ten onrechte de bedreigingen, het informeren door de veiligheidsdiensten naar zijn dochter en de beschieting niet geloofwaardig acht. De beroepsgrond faalt.

4.1.

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2006 een dreigbrief heeft ontvangen. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet gedetailleerd kan verklaren over deze brief. Zo weet eiser niet welk Koranvers in de brief werd geciteerd. Ook heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over waar de dreigbrief is, nu hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hij niet weet waar de dreigbrief is omdat hij verschillende keren is verhuisd en hij in de zienswijze heeft gesteld dat de brief in Zweden is. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat de dreigbrief voor eiser blijkens zijn verklaring aanleiding was Irak te ontvluchten en asiel in Zweden aan te vragen zodat het in de rede had geleden dat eiser hierover eenduidig had verklaard.

Verweerder heeft voorts niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser in 2010 na een voorstelling op het podium in het oor werd gefluisterd dat hij een goede acteur is, maar dat het jammer is dat hij dood zou gaan. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte betrokken dat eiser niet weet wie hem heeft bedreigd, waarom hij werd bedreigd en of de andere spelers op het podium ook werden bedreigd. De verklaring dat eiser denkt dat de bedreiger iemand van de overheid was, heeft verweerder in dit verband niet ten onrechte onvoldoende geacht, en daarbij kunnen betrekken dat eiser in 2013 het land legaal en zonder problemen heeft verlaten en weer is teruggekeerd. Verweerder heeft niet hoeven inzien waarom eiser naar aanleiding van de bedreiging niet met zijn collega’s dan wel anderen over het voorval heeft gesproken. De verklaring dat een collega eiser vroeg wie de betreffende persoon was, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht, nu onduidelijk is gebleven waarom de collega die vraag aan eiser stelde.

Verweerder heeft voorts niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht dat eiser in 2014 naar aanleiding van zijn rol in de film ‘ [A] ’ en de serie ‘ [B] ’ in de gaten is gehouden en bedreigd door [Bedreiger] een bekende uit de wijk waarin eiser woonde die werkzaam was voor de milities. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser op dat moment geen aanleiding heeft gezien het land te verlaten. Verweerder heeft daarnaast niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat eiser, nu hij in de gaten werd gehouden en bedreigd, zonder problemen naar een ander adres is verhuisd en daar nog tot eind maart 2015 eveneens zonder problemen heeft gewoond.

Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet geloofwaardig is dat mensen van de veiligheidsdienst op de school van eisers dochter naar haar hebben gevraagd. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte betrokken dat de directrice eiser niet heeft verteld welke mensen naar zijn dochter vroegen. Eisers verklaring dat het ging om mensen van de overheid omdat zij volgens de directrice in grote auto’s met voorwielaandrijving reden, heeft verweerder niet aannemelijk hoeven achten. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte niet ingezien waarom deze personen eiser niet rechtstreeks maar via zijn dochter zouden benaderen.

Verweerder acht geloofwaardig dat enkele dagen na de gebeurtenis op school in de buurt van eiser is geschoten. Verweerder heeft echter eisers verklaring dat hij het doelwit was van die beschieting niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser, indien hij het doelwit was van de beschieting, hierna Irak heeft verlaten maar weer is teruggekeerd om zijn documenten in orde te maken. Aan de overgelegde verklaring van de buurman van eiser, [Buurman] , dat doelgericht op eiser is geschoten, heeft verweerder geen waarde hoeven hechten, nu hij tevens heeft verklaard dat hij enkel schoten heeft gehoord.

5. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat hij op basis van de geloofwaardig geachte elementen niet reeds in aanmerking komt voor vergunningverlening. Omdat eiser in zijn werk naar buiten treedt met zijn mening en kritiek uit op de islam, loopt hij bij terugkeer naar Irak een (verhoogd) risico op vervolging of ernstige schade vanwege zijn werkzaamheden, het behoren tot een bepaalde sociale groep en/of een hem toegedichte overtuiging. Eiser wijst in dit verband naar wat in het Algemeen Ambtsbericht inzake Irak van november 2016 (Ambtsbericht) in het U.S. State Department Country Report on Human Rights Practices 2015 (Country Report) is opgenomen ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting en naar wat in het Ambtsbericht is vermeld over journalisten en mediapersoneel en ten aanzien van atheïsten. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat in Bagdad sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn (15c-situatie). Ter onderbouwing verwijst eiser naar diverse passages uit het Ambtsbericht, het rapport ‘UNHCR Position on Returns to Iraq’ van 14 november 2016 en het rapport van Amnesty International ‘Punished for Da’esh Crimes’ van 18 oktober 2016. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Volgens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 30 oktober 1991 in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19) dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken ("special distinguishing features"), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329) zijn deze specifieke individuele kenmerken evenwel niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (JV 2007/30).

Uit voormeld arrest van 17 juli 2008 volgt verder dat, indien de desbetreffende vreemdeling geen deel uitmaakt van een specifieke groep als vorenbedoeld, specifieke onderscheidende kenmerken evenmin zijn vereist, indien hij aannemelijk maakt dat sprake is van een zeer uitzonderlijk situatie ("most extreme case") van algemeen geweld in zijn land van herkomst. In dat geval kan de enkele omstandigheid dat hij bij terugkeer wordt blootgesteld aan dat geweld voldoende zijn om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen.

5.2.

Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Bagdad-stad. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar onder meer het algemeen ambtsbericht inzake Irak van november 2016, de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 30 oktober 2015 ([2015] UKUT 00544) en de uitspraak van het EHRM van 23 augustus 2016 in de zaak J.K. and Others v. Sweden (59166/12), terecht op het standpunt gesteld dat zich in Bagdad-stad geen zogenaamde 15c-situatie voordoet. Uit de door eiser aangehaalde rapporten volgt naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld dan reeds in die uitspraken is beoordeeld.

5.3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser vanwege zijn werk als zodanig niet heeft te vrezen. Eisers beroepsgroep is geen risicogroep zoals geïdentificeerd in het huidige landgebonden beleid inzake Irak. Omdat de gestelde bedreigingen, het informeren door de veiligheidsdiensten naar eisers dochter en de beschieting niet geloofwaardig zijn geacht, eiser wel al geruime tijd films maakt en eisers werk niet verboden is in Irak, acht verweerder het niet aannemelijk dat eiser vanwege zijn werk heeft te vrezen in Irak. Verweerder volgt evenmin dat eiser vanwege een eventuele toegedichte overtuiging te vrezen heeft in Irak. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat uit eisers relaas niet volgt dat hij geen moslim meer is, afvallig is of atheïst is, of zich als atheïst profileert in Irak, en om die reden te vrezen zou hebben voor vervolging.

5.4.

Eiser heeft tijdens het nader gehoor onder meer het volgende verklaard:

“In 2015 zou een serie op TV komen. Daarin zou gesproken worden over de documenten die openbaar gesteld zouden worden en geheim waren over de politieke Islam, of wel de religie Islam binnen de politiek.

[…] Ik ben tegen het geloof, ongeacht wat voor sector dan ook. Ook binnen mijn acteerwerk.

[…] Ik ben ertegen dat het geloof regeert in de politiek en op straat.

[…] Kunt u mij een folder of iets dergelijks overleggen van de film van de demonstraties in Irak?

Tijdens de demonstratie waarbij ik aangehouden ben is alles ingenomen dat ik had. Dit is ook de film die getoond is in Nederland en waar gesproken wordt over het regime van de Baath-partij.

[…] Kunt u mij een folder overleggen van een andere film die u in de problemen heeft gebracht?

Door deze film, “ [A] ”, is de regisseur van deze film bedreigd. […] De film is vertoond in Najef maar daar hebben ze het verboden vanwege politieke redenen. De film is ook vertoond in Jordanië. Daar werd de regisseur in het openbaar bedreigd omdat hij over de Baath-partij sprak.

[…] U verklaarde eerder dat uw werk politiek-religieus is. Wat houdt dit precies in?

Wat ik daarmee wil zeggen is het sektarische geloof gemengd met de politiek. Het gebruiken van het geloof in het leven en de maatschappij. Alle partijen in het land zijn religieuze partijen. Er is geen meningsuiting, persoonlijke uiting van dromen, al deze dingen zijn verblind.

[…] Is uw werk in Irak verboden?

[…] Het is niet verboden, maar het is niet aanvaard. […] Met verboden bedoel ik de stad Najef. Daar werd het verboden omdat het gebied zeer religieus is, zeer vasthoudend aan het geloof. Er waren wat woorden die in de tijd van Sadam gebruikt werden. Er zijn ook theatervoorstellingen niet getoond in de stad Basrah. Bij een van de voorstellingen werd alcohol genuttigd. Maar mijn film en voorstellingen zijn wel getoond in Baghdad. Als je de naam van de film “ [A] ” in Google intypt dan zul je zien dat er een film getoond wordt waarin gepreekt wordt over de film, in het vrijdagsgebed.

Door wie werd het verboden in Najef?

De religieuze mensen, de Imams, de mensen van het geloof, mensen van de autoriteiten.

Ik ben tegen het gebruik van religie in de politiek. […] Er is geen uitspraak van een rechter of wet die het verbied. Maar wel een preek van het vrijdaggebed die over miljoenen mensen verspreid werd die zegt dat het verboden is. Dan wordt het verboden en het besluit is hoger dan een rechtbank.

Kunt u mij vertellen welke persoonlijke problemen u heeft ondervonden vanwege uw religie?

De vraag klopt niet. Ik heb geen geloof. De persoonlijke problemen die ik heb ondervonden heb ik verteld. Daar verwijs ik naar.”

5.5.

In het Ambtsbericht is onder “Vrijheid van meningsuiting” opgenomen dat het gewapende conflict en politiek gemotiveerd geweld Irak tot één van de gevaarlijkste landen maken voor journalisten om te werken. Organisaties die zich inzetten voor persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zien in het optreden tegen de media de politieke invloed om ongewenste kritiek het zwijgen op te leggen gedurende de aanhoudende politieke impasse in 2016. Journalisten hebben in de verslagperiode opnieuw te maken gehad met gericht geweld vanwege hun werkzaamheden. Het geweld of de dreiging daarvan komt zowel van de zijde van veiligheidstroepen als van de zijde van ISIS. Bij de demonstraties rond de Groene Zone in Bagdad zouden journalisten die verslag wilden doen van de gebeurtenissen zijn belemmerd in hun werk en aangevallen zijn door aanwezig veiligheidspersoneel. Geweld van Iraaks veiligheidspersoneel lijkt verband te houden met negatieve verslaggeving over de veiligheidsorganisaties en de PMF. Er zijn ook gevallen bekend dat het geweld van de zijde van gewapende onbekende personen komt (pagina 65-66).

Onder “Atheïsten en afvalligen” is opgenomen dat Atheïsten zich in Irak niet vrij kunnen uiten uit angst voor geweldpleging of zelfs vermoord te worden door conservatieve moslims of medeburgers en in het geheim samenkomen. Dit hangt samen met de ongewenstheid in de Iraakse samenleving om kritiek te uiten op de islam (pagina 68).

Onder “Beroepsgroepen” is opgenomen dat journalisten onverminderd het risico lopen slachtoffer te worden van geweld en dat de berichtgeving in de verslagperiode met name zag op gebied dat niet in handen is van ISIS. Uit een bericht dat ISIS in Mosul een voormalige medewerker van het Iraqi Media Network heeft onthoofd, blijkt dat mediapersoneel nog altijd het risico loopt door ISIS gedood te worden. In Basra en Diyala zijn journalisten of mediapersoneel om het leven gekomen door geweld. In Bagdad, Basra, Muthanna en mogelijk ook in andere provincies, hebben journalisten te maken gehad met andere vormen van geweld, zoals bomaanslagen, intimidatie en verbale agressie (pagina 80).

5.6.

In het Country Report is onder “Freedom of Speech and Expression” opgenomen: “Despite the constitutional protection for freedom of expression, government oversight of media operations tightened, at times resulting in closures of media outlets, restrictions on reporting, and interference with internet service. Individuals were able to criticize the government publicly or privately, but not without fear of reprisal.”

Onder “Press and Media Freedoms” is opgenomen: “An active media expressed a variety of views largely reflecting the owners’ political viewpoints. The media also self-censored to comply with government restrictions against violating public order and because of fear of reprisal, particularly by nongovernmental forces.

[…] International and local organizations reported arrests and harassment of journalists as well as closure of media outlets covering politically sensitive topics, including poor security, corruption, and weak governmental capacity. The deterioration in the security situation exacerbated harassment of journalists.

Onder “Violence and Harassment” is opgenomen: “In its 2015 annual report, JFO reported 235 cases of harassment and violence against journalists, resulting in at least 30 journalists killed and at least 10 others who disappeared, their whereabouts unknown at year’s end.

[…] Media workers often reported they were under pressure from persons and institutions, including politicians, government officials, security services, tribal elements, and business leaders, not to publish critical articles about them. Media workers offered accounts of violence, intimidation, death threats, and harassment by government or partisan officials. In August journalists reporting on anticorruption protests in Basrah stated they had received death threats. Journalists said that a vigilante group calling itself “Heroes of Iraq,” believed to be affiliated with one of Basrah’s ruling political parties, dropped leaflets containing death threats into the courtyard of the Basrah branch of the Iraqi Journalists Syndicate after the syndicate declared its support for the journalists covering and participating in the protests. The Iraqi Observatory for Press Freedoms issued a statement complaining that local security forces did not protect journalists from armed gangs that threatened their lives.

Media workers reported they could not cover stories on Shia PMF without receiving threats. On October 21, the pan-Arab television outlet al-Jazeera broadcast a report highly critical of former prime minister Maliki, as well as senior PMF leaders, on its regular Black Box investigative news program. This report implicated Maliki and PMF leaders in human rights violations, including extrajudicial killings and disappearances. After the broadcast of the report, al-Jazeera staff said credible sources had advised them to either leave the country or go into hiding.”

5.7.

Eiser hangt blijkens zijn verklaringen tijdens het nader gehoor, zoals onder 5.4. vermeld, geen religie aan en uit zijn non-religieuze opvattingen ten aanzien van politiek en maatschappij in zijn werk als acteur, regisseur en scenarioschrijver. Verweerder heeft gelet hierop onvoldoende gemotiveerd dat uit eisers verklaringen niet volgt dat hij atheïst is of zich als atheïst profileert in Irak. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd hoe eisers werk, waarvan verweerder niet heeft betwist dat eiser daarin zijn non-religieuze opvattingen ten aanzien van politiek en maatschappij tot uitdrukking brengt, zich verhoudt tot hetgeen in het Ambtsbericht en het Country Report is vermeld over atheïsten, journalisten en mediapersoneel. Daaruit volgt immers dat journalisten, mediapersoneel en atheïsten zich in Irak niet vrijelijk kunnen uiten zonder daarbij te moeten vrezen voor geweld van de zijde van onder meer de veiligheidsdiensten, conservatieve moslims of medeburgers. Dat verweerder stelt dat eiser niet behoort tot een risicogroep is zoals geïdentificeerd in het huidige landgebonden beleid inzake Irak, acht de rechtbank niet voldoende. Gelet op de raakvlakken van eisers werk, waarin hij zijn non-religieuze opvattingen ten aanzien van politiek en maatschappij uit, met de in het ambtsbericht benoemde beroepsgroep van journalisten/mediapersoneel en gelet op de geloofwaardig geachte aanhouding van eiser in 2015 door de veiligheidsdiensten tijdens het filmen van een demonstratie voor een documentaire over activisten onder het regime van de Baath-partij, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer niet hoeft te vrezen voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerders toelichting ter zitting, dat iedereen aangehouden had kunnen worden bij de demonstratie en dat niet is gebleken dat eiser is aangehouden vanwege zijn werk als regisseur, volgt de rechtbank niet nu uit eisers verklaringen volgt dat zijn camera met cassettes hierbij in beslag zijn genomen. Voor zover verweerder heeft betrokken dat eisers films niet bij wet of door de rechter verboden zijn in Irak, is de rechtbank van oordeel dat dit niet tot de conclusie leidt dat eiser om die reden niet hoeft te vrezen voor geweld van conservatieve moslims of medeburgers. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de onder 5.4. vermelde verklaring van eiser dat zijn werk wordt afgewezen door religieuze mensen, dat een imam zich in negatieve zin heeft geuit tijdens het vrijdaggebed over de film “ [A] ” waarin eiser speelt en dat de regisseur van deze film naar aanleiding van de film is bedreigd. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat het werk van een landelijk bekende acteur, regisseur en scenarioschrijver per definitie verder reikt dan de plaats waarin hij woont.

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 990,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Wegman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Journée, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2017.

griffier de rechter is buiten staat deze

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.