Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13984

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
NL17.3608 en NL17.3609
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VA, Afghanistan, geloofwaardigheid relaas, motiveringsgebrek, beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.3608, NL17.3609


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiseres, [naam 1] , eiser,

mede namens hun minderjarige kinderen [naam 2] en [naam 3],
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder,

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de twee afzonderlijke besluiten van verweerder van

29 mei 2017 (de bestreden besluiten).


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en eiseres op [geboortedatum 1] . Eisers bezitten de Afghaanse nationaliteit. Op 31 oktober 2015 hebben zij aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

  2. Eisers hebben aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag gelegd. [naam 4] , een oudere, rijke man uit het dorp waar eiseres woonde, wilde met eiseres trouwen. De vader van eiseres heeft een verzoek van [naam 4] meermaals geweigerd, waarna hij uiteindelijk door [naam 4] werd mishandeld en later door hem werd vermoord. [naam 4] heeft eiseres uiteindelijk meegenomen en heeft haar gedwongen met hem te trouwen. Zij verbleef ruim een maand bij hem. Eiseres werd door [naam 4] en later door zijn zoon verkracht en bedreigd. Eiser was werkzaam bij [naam 4] Eiser en eiseres kenden elkaar sinds zij kinderen waren. Ze zijn uit hetzelfde dorp afkomstig. Op een dag heeft eiseres eiser gevraagd om haar te helpen ontsnappen. Een paar dagen later zijn zij samen gevlucht. Eisers verbleven vervolgens ongeveer 7,5 tot 8 jaar in Iran en zijn daarna naar Nederland gevlucht. Bij terugkeer naar Afghanistan vrezen eisers voor eerwraak; zij zullen beschuldigd worden van overspel en gestenigd worden.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Hun verklaringen over het huwelijk van eiseres met [naam 4] de daaruit voortvloeiende problemen acht verweerder niet geloofwaardig.

  4. Eisers hebben in beroep gemotiveerd betwist dat hun asielrelaas niet geloofwaardig is. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat het voor hen, als Hazara, uiterst gevaarlijk is om van Kaboel naar hun herkomstgebied in de provincie Maidan Wardak te reizen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet beoordeeld. Eisers verwijzen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 juni 2011 in zaken nrs. 8319/07 en 11449/07, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk (hierna: het arrest in de zaak Sufi en Elmi).


De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat het gestelde huwelijk met [naam 4] en de daarna ondervonden problemen niet geloofwaardig zijn, ten eerste ten grondslag gelegd dat eiseres weinig kan verklaren over [naam 4] . In de bestreden besluiten is vermeld dat van eiseres mag worden verwacht dat ze verklaringen kan afleggen over zijn macht en dat zij meer kennis over hem had, nu ze woonachtig was in een klein dorp waar iedereen [naam 4] kende. Het had in de rede gelegen dat zij naar hem had geïnformeerd nu [naam 4] meermaals langskwam om haar hand te vragen. Bovendien heeft ze enige tijd bij hem in huis verbleven. De rechtbank stelt vast dat eiseres alle vragen die verweerder haar heeft gesteld over [naam 4] heeft beantwoord. Tijdens het nader gehoor op 1 maart 2016 (zie p. 14 van het rapport nader gehoor) heeft eiseres antwoord gegeven op vragen over zijn uiterlijk, zijn leeftijd en zijn twee andere vrouwen. Tijdens het aanvullend gehoor van 30 maart 2016 heeft eiseres vragen beantwoord over de macht die [naam 4] (zie p. 4 van het rapport aanvullend gehoor). Uit de stukken blijkt niet dat verweerder eiseres heeft gevraagd of zij tijdens de maand dat zij in het huis van [naam 4] verbleef met hem heeft gepraat en zo ja, waarover. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting niet verduidelijkt wat eiseres naar de mening van verweerder nog meer had moeten kunnen vertellen over [naam 4] Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval niet aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat zij te weinig heeft verklaard over (de macht van) [naam 4] zonder daarover meer vragen te stellen tijdens het nader of aanvullend gehoor.

6. Verweerder heeft eisers verder tegengeworpen dat eiseres vaag heeft verklaard over het aantal huwelijksaanzoeken. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat zij heeft verklaard dat zij niet precies weet hoeveel tijd er tussen zat, maar dat het steeds een paar dagen is geweest (zie p. 15 van het rapport nader gehoor). De rechtbank is met eisers van oordeel dat dit voldoende specifiek is, voor gebeurtenissen die acht jaar geleden plaats hebben gevonden. Daarbij wordt overigens opgemerkt dat verweerder eisers heeft gevraagd hoe actueel hun vrees bij terugkeer naar Afghanistan is, nu de gestelde gebeurtenissen lang geleden hebben plaatsgevonden, maar dat niet heeft betrokken in de besluitvorming. Verder heeft verweerder eisers tegengeworpen dat eiseres slechts vermoedt dat haar vader door [naam 4] is omgebracht, maar eiser of zijn vriend [naam 5] daarnaar niet heeft laten informeren in het dorp. Eiseres heeft aangevoerd dat het inderdaad slechts een vermoeden is dat haar vader is vermoord door [naam 4] en dat zij geen gelegenheid had eiser te vragen of hij hierover navraag kon (laten) doen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, omdat eisers voldoende uitgelegd hebben waarom noch eiser noch zijn vriend [naam 5] navraag hebben kunnen doen. Voorts heeft verweerder ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiseres niet met haar vader heeft besproken of ze zich tot de dorpsoudste zouden wenden, omdat zij wisselend verklaard zou hebben over of [naam 4] nu wel of niet de dorpsoudste is. Eiseres heeft verklaard dat hij “het hoofd van ons gebied” was (zie p. 14 van het rapport nader gehoor) en bij de correcties en aanvullingen uitgelegd dat zij daarmee dorpshoofd bedoelde. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van wisselende of ongeloofwaardige verklaringen op dit punt. De overige punten die verweerder eisers tegenwerpt, zoals dat het bevreemdend is dat eiser bij een zoon van [naam 4] op de kamer sliep, zien niet op de kern van het asielrelaas en zijn voorts gemotiveerd betwist.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een motiveringsgebrek. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet gelet op de beoordelingsruimte die verweerder heeft voor wat betreft de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas, geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten. De rechtbank draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. De rechtbank overweegt ten aanzien van de grond dat eisers niet veilig naar hun herkomstgebied kunnen reizen nog als volgt. In de bestreden besluiten heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1040) op het standpunt gesteld dat de vraag via welke route eisers naar hun woonplaats moeten reizen, niet aan de orde is in het kader van de beoordeling van de asielaanvraag. In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat de verwijzing naar voornoemde uitspraak onjuist is, dat de verwijzing van eisers naar het arrest in de zaak Sufi en Elmi juist is en dat de vraag of eisers veilig hun herkomstgebied kunnen bereiken wel degelijk aan de orde is in het kader van de beoordeling van hun asielaanvraag. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eisers niet hebben aangetoond dat zij hun herkomstgebied alleen kunnen bereiken door te reizen over een weg waar sprake is van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Nu het verweerschrift, waarin verweerder dit standpunt heeft ingenomen, pas twee dagen voor de zitting aan eisers is verzonden, hebben zij onvoldoende gelegenheid gehad om hierop gemotiveerd te reageren. Eisers kunnen desgewenst een onderbouwde grond op dit punt aanvoeren nadat opnieuw op de aanvragen is beslist.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.