Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13977

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
AWB 17/9842 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, intrekking van vergunning, ongeloofwaardige verklaringen.

Vreemdelingenwet 2000: 32. Algemene wet bestuursrecht: 3:2

Samenvatting:

Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel ingetrokken nadat zijn echtgenote bij het nareisgehoor andere verklaringen heeft afgelegd omtrent de dood van de vader van eiser, welke voor verweerder eerder aanleiding waren om eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. De verklaringen van eiser zijn thans niet meer geloofwaardig.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen voor het oordeel dat het gehoor met de echtgenote van eiser op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Eiser is vóór het nemen van het betreden besluit in de gelegenheid geweest om op de inhoud van het verslag van gehoor van zijn echtgenote te reageren.

Voorts verschillen de verklaringen van eiser en zijn echtgenote voor wat betreft de naam en het tijdstip en de wijze van overlijden van de vader van eiser zodanig van elkaar dat verweerder de asielvergunning van eiser terecht heeft ingetrokken.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/9842

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , alias [alias] , geboren op [1984] , van Somalische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is bij besluit van 27 juni 2011 met ingang van 21 juni 2011 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 5 juli 2016 is de geldigheidsduur van deze vergunning verlengd tot 21 juni 2021.
Bij brief van 27 augustus 2015 heeft verweerder eiser uitgenodigd om tijdens een gehoor aanvullende gegevens te verstrekken omdat verweerder de herkomst van eiser onvoldoende kon vaststellen. Op 5 oktober 2016 is de echtgenote van eiser in het kader van een nareisprocedure gehoord op de Nederlandse diplomatieke post in Addis Abeba.

2. Verweerder heeft de verklaringen van de echtgenote van eiser dermate in tegenspraak geacht met die, welke eiser tijdens zijn nader gehoor op 23 juni 2011 heeft afgelegd, dat verweerder hierin aanleiding heeft gevonden om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van eiser op grond van het bepaalde in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in te trekken.

3. Verweerder acht het asielrelaas van eiser, op grond waarvan hij in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet langer geloofwaardig. De door eiser gestelde gewelddadige dood van zijn vader in 2004, welke verweerder heeft aangemerkt als een centraal en essentieel deel van het relaas van eiser, en de daarmee samenhangende gebeurtenissen, zijn door de verklaring van de echtgenote van eiser, dat de vader van eiser in 2012 een natuurlijke dood is gestorven, niet langer geloofwaardig. Hierdoor kan eiser ook niet meer worden gevolgd in zijn vrees voor vermeende bloedwraak.

4. Eiser heeft aangevoerd dat het besluit is gebaseerd op een gehoor van de echtgenote van eiser, waarbij geen mogelijkheid is geboden om op het verslag van dit gehoor correcties en aanvullingen aan te brengen. Eiser wijst er op dat zijn echtgenote analfabeet is. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de echtgenote van eiser aan het einde van het gehoor geen behoefte had om de antwoorden aan te passen en zij geen correcties en aanvullingen had.

5. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het gehoor van de echtgenote van eiser in Addis Abeba is verlopen op de manier zoals bij dergelijke gehoren gebruikelijk is; er zijn geen nadere regels voor het afnemen van een dergelijk gehoor, maar het gehoor is wel ingericht conform de eisen van de Awb. Hoewel niet is voorzien in de mogelijkheid van het achteraf indienen van aanvullingen en correcties, is het gehoor wel besproken met de echtgenote van eiser.

6. De rechtbank is van oordeel dat in het verslag van het gehoor, de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanwijzingen te vinden zijn dat de wijze waarop het gehoor van de echtgenote van eiser in Addis Abeba is verlopen en in de besluitvorming van de onderhavige zaak is betrokken, in strijd is met het zorgvuldigheidsvereiste van artikel 3:2 of met enige andere bepaling van de Awb. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder ter zitting onbestreden heeft verklaard dat het gehoor op de gebruikelijke wijze heeft plaatsgevonden. Voorts is eiser vóór het nemen van het bestreden besluit in de gelegenheid geweest om op de inhoud van het verslag van het gehoor te reageren. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat de verklaringen van zijn echtgenote en die van eiser over de familiebanden geen contradicties bevatten. Eiser doelt in het bijzonder op zijn verklaringen over de verkoop van qat door de broer van eiser, die wel met die van zijn echtgenote overeenkomen. Eiser wijst hierbij op pagina 8 van het nader gehoor van eiser van 23 juni 2016. Eiser wijst verder op de ingewikkelde familiebanden en cultuurverschillen. Eiser stelt dat een oom ook vader kan worden genoemd, zodat hetgeen de echtgenote van eiser heeft verklaard over zijn vader, overeenkomt met hetgeen eiser heeft verklaard over zijn stiefvader. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de verklaring van echtgenote van eiser over het steekincident met de broer van eiser in 2005 geen blijk geeft van een onderliggende ruzie over verkochte grond. Voorts heeft de echtgenote van eiser niets verklaard over de moord op haar oom, de vader van eiser, en geeft zij als naam van de man waarmee de moeder van eiser is hertrouwd, een andere naam dan eiser heeft opgegeven. Verweerder neemt aan dat de echtgenote van eiser de vader van eiser heeft bedoeld met degene die een natuurlijke dood is gestorven.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens zijn eerste gehoor in 2007 heeft verklaard dat zijn vader is genaamd [A] , en is vermoord in 2004. De echtgenote van eiser heeft tijdens het gehoor in 2016 verklaard dat de vader van eiser is genaamd [B] , en dat deze in 2012 een natuurlijke dood is gestorven. Eiser heeft tijdens het intrekkingsgehoor in 2017 verklaard dat de man met wie zijn moeder na de dood van zijn vader is gehuwd, een broer van zijn vader was met de naam [C] . Uit respect wordt hij aangesproken als “vader”. De echte naam van zijn vader is [naam] , [bijnaam] is zijn bijnaam, Shikh is een titel.

9. De rechtbank stelt vast dat de naam van de vader van eiser, zoals de echtgenote van eiser die heeft opgegeven, niet overeenkomt met de naam, zoals eiser die heeft opgegeven. Deze afwijking is naar het oordeel van de rechtbank niet terug te voeren op een andere schrijfwijze. Voorts stelt de rechtbank vast, dat uit de verklaringen van de echtgenote van eiser over het steekincident met de broer van eiser in 2005 niets blijkt van een onderliggende ruzie over verkochte grond, zoals eiser heeft verklaard. Voorts heeft de echtgenote van eiser niets verklaard over de moord op haar oom, de vader van eiser. Nu die moord ongeveer tien maanden voor haar huwelijk met eiser zou hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat zij niets van dit voorval zou weten, gezien de omstandigheid dat de vader van eiser haar oom was, en gelet op de impact die dit op het leven van eiser zou hebben gehad. Ook geeft de echtgenote van eiser als naam van de man waarmee de moeder van eiser is hertrouwd, een andere naam dan eiser heeft opgegeven, zodat dit mede twijfel oproept over de verklaringen die eiser in 2007 en 2011 heeft afgelegd en die voor verweerder aanleiding zijn geweest om hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte aangenomen dat de echtgenote van eiser de vader van eiser heeft bedoeld met degene die een natuurlijke dood is gestorven. De door eiser genoemde punten, waarop de gehoren van hem en zijn echtgenote wel overeenstemmen en de door eiser gegeven verklaring dat de tweede echtgenoot van zijn moeder uit respect ook “vader” genoemd is, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de geconstateerde tegenstrijdigheden de kern van het relaas van eiser raken. Verweerder heeft daarom dat relaas niet langer geloofwaardig mogen achten. Gelet daarop heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd terecht ingetrokken.

11. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. den Haan, voorzitter, en mr. C. Karman en mr. M. den Heijer, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van
mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
28 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.