Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13869

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 29073
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, Sadaat geen kwetsbare minderheidsgroep, vrees voor Taliban bij terugkeer niet aannemelijk, onvoldoende gemotiveerd door verweerder geen reeel risico op ernstige schade 3 EVRM bij terugkeer, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/29073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.S. Poelman).

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting waren aanwezig de voogd van eiser bij [stichting] , [persoon A] , en een medewerker van [stichting] , [persoon B] . Tevens was H.C. Khanna als tolk aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag - samengevat - het volgende aangevoerd. Eiser is op de leeftijd van 9 of 10 jaar oud samen met zijn ouders en twee zussen vertrokken vanuit Afghanistan naar Iran. Twee broers en een zus van eiser zijn niet meegegaan. In Irak is eiser in aanraking gekomen met de Iraanse politie, nadat zijn moeder hem had gevraagd om boodschappen te halen. De politie heeft eiser staande gehouden omdat hij een Afghaan was zonder documenten en verblijfsrecht in Iran. Zij hebben hem vrijgelaten met de keuze om uitgezonden te worden naar Syrië om te gaan vechten of om terug te keren naar Afghanistan. Eiser heeft aangegeven dit eerst met zijn vader te willen overleggen. De vader van eiser zei hem dat hij niet naar Syrië maar ook niet naar Afghanistan kon gaan omdat de Taliban hem daar zou doden. Vervolgens heeft de vader van eiser voor hem een reis naar Nederland geregeld, waarna eiser Iran heeft verlaten.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) eiser is [naam eiser], geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Afghaanse nationaliteit;

2) eiser behoort tot de Sadaat, is sjiitisch en ongehuwd;

3) eiser is op jonge leeftijd met zijn ouders naar Iran vertrokken;

4) eiser kan niet terug naar Afghanistan omdat de Taliban hem zullen doden.

Verweerder heeft de problemen die eiser in Iran stelt te hebben gehad en welke aanleiding zouden hebben gevormd voor zijn vlucht naar Nederland niet als een relevant element aangemerkt. Deze gestelde problemen hebben zich immers niet in het land van herkomst – het land waarvan eiser de nationaliteit bezit – afgespeeld.

Verweerder heeft de bovenste drieaande relevante elementen geloofwaardig geacht. Daarentegen acht verweerder de gestelde vrees dat de Taliban eiser zal doden bij terugkeer naar Afghanistan niet aannemelijk. Eiser is dan ook niet als vluchteling aan te merken in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Van belang is dat eiser Afghanistan op jonge leeftijd heeft verlaten en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging. De omstandigheid dat eiser vanwege een verstandelijke beperking niet in staat zou zijn om ingewikkelde verklaringen af te leggen omtrent de verwachte problemen, doet hieraan niet af. Afgezien van de inschatting van [stichting] en de gemachtigde is de beperking van eiser niet objectief of medisch nader onderbouwd. Dat betrokkene niet in staat is om ingewikkelde verklaringen af te leggen, wordt vanwege zijn referentiekader wel door verweerder gevolgd, maar dit brengt gelet op het vorenstaande geen ander oordeel met zich mee. De enkele omstandigheid dat de broers van eiser in 2009 problemen hebben ondervonden in Afghanistan en naar Nederland zijn gevlucht, maakt zonder nadere onderbouwing en gelet op het tijdsverloop niet dat eiser dezelfde problemen zal ondervinden. Dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep van de Sadaat leidt niet tot het oordeel dat eiser als vluchteling dient te worden aangemerkt, nu uit zijn verklaringen niet naar voren is gekomen dat hij op grond van het behoren tot deze groep problemen heeft ondervonden.

Verweerder overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is geen sprake van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Afghanistan, en de provincie [provincie] in het bijzonder, aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. Voorts behoort eiser niet tot een groep die systematisch een reëel risico loopt op ernstige schade en niet tot een door verweerder aangewezen kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst. Niet valt daarnaast in te zien dat eiser persoonlijk een risico loopt op ernstige schade. Hoewel niet valt uit te sluiten dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan problemen zou kunnen ondervinden, betreft dit een onzekere toekomstige gebeurtenis. Dat uit eisers verklaringen valt af te leiden dat zijn familie in het verleden problemen heeft gehad in Afghanistan, leidt niet tot een andere conclusie. De ouders van eiser zijn al jaren geleden vertrokken uit Afghanistan. Sinds die tijd is er veel veranderd in Afghanistan en niet is gebleken noch gesteld dat de familie van eiser ook thans nog problemen zou ondervinden in Afghanistan. Verweerder erkent dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan kwetsbaar zal zijn vanwege zijn jonge leeftijd, maar acht niet zondermeer aannemelijk dat hij het slachtoffer zal worden van kindermishandeling en kindermisbruik, ook niet gezien in het licht van zijn etnische afkomst. Voor zover eiser van mening is dat zijn kwetsbaarheid ook wordt veroorzaakt doordat hij niemand in Afghanistan kent en zijn familie in Iran woonachtig is, overweegt verweerder dat niet valt in te zien dat er niemand van zijn familie vanuit Iran naar Afghanistan zou kunnen terugkeren om hem aldaar bij te staan, temeer nu uit zijn verklaringen blijkt dat het gezin in het bezit is van de Afghaanse nationaliteit en illegaal in Iran verblijft.

4. Eiser voert in beroep aan dat hij behoort tot de Sadaat en betoogt dat deze groep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep. Hiervoor verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 mei 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:5919) en naar het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan (AA Afghanistan) van 2014. In het AA Afghanistan van 2014 wordt overwogen dat de Sadaat geen discriminatie ondervinden vanwege het feit dat ze Sadaat zijn, maar in de bronvermelding wordt verwezen naar vertrouwelijke bronnen, die voor eiser als zodanig niet verifieerbaar zijn. Voorts is het feit dat de broers van eiser problemen hebben gehad met de Taliban relevant voor de beoordeling van de problemen die eiser te wachten staan bij terugkeer. Eiser verwijst in dit kader naar paragraaf 43 en 53 van het ‘Handbook and Guidelines on procedures and criteria for determining refugee status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the status of refugees, reissued Geneva, december 2011’. De problemen van de broers van eiser zijn geloofwaardig alsook voldoende zwaarwegend geacht. Uit de relazen van de broers volgt dat het dorp en de omgeving waar zij vandaan komen regelmatig lastiggevallen werd door de Taliban. De omstandigheden zijn sindsdien niet wezenlijk gewijzigd. De Taliban rekruteren in de provincie [provincie] nog steeds actief en de algemene veiligheidssituatie is aldaar verslechterd, blijkens het AA Afghanistan van 2016. Destijds was eiser te jong om te worden gerekruteerd, maar het risico op rekrutering voor eiser is op dit moment levensgroot aanwezig. Het enkele feit dat er sinds de rekrutering van de broers zes jaar is verstreken, betekent geenszins dat het gevaar is geweken. Ook het standpunt van verweerder dat eiser nooit persoonlijk problemen heeft ondervonden, is strikt genomen niet juist. Immers het gezin is als gevolg van de rekrutering naar Iran gevlucht. Eiser stelt zich bovendien op het standpunt dat hij kwetsbaar is als gevolg van zijn sociale en intellectuele beperkingen. Daarnaast is bij eiser een posttraumatische stressstoornis (PTSS) geconstateerd. Eiser verwijst naar een afschrift van het behandelplan van i-Psy De Jutters van 12 januari 2017, een brief van de mentor en docent van eiser en van de docent en coördinator van de [school] van 30 maart 2017, de uitslag van het intelligentie-onderzoek van 1 maart 2017, een brief van [stichting] van 19 mei 2017 en een brief van een kind- en jeugdpsycholoog van 26 juni 2017. Eiser is daarnaast kwetsbaar als gevolg van zijn minderjarigheid in combinatie met het behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 december 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:5084). De enkele stelling dat de familie van eiser hem kan volgen naar Afghanistan is niet terecht. De vader van eiser is het slachtoffer geweest van ernstig geweld en bedreiging van de zijde van de Taliban en derhalve is het voor hem niet veilig om terug te keren naar Afghanistan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5.2.

Gelet op de inhoud van het AA Afghanistan van 2016, waarin wordt overwogen dat de Sadaat geen discriminatie ondervinden vanwege hun etnische achtergrond, oordeelt de rechtbank dat verweerder de Sadaat terecht niet als kwetsbare minderheidsgroep heeft aangemerkt. Voor zover eiser betoogt dat van deze overweging uit het AA Afghanistan van 2016 niet kan worden uitgegaan, omdat het gebaseerd is op vertrouwelijke bronnen, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zoals de uitspraak van 12 oktober 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD5964), dient een ambtsbericht als deskundigenbericht te worden aangemerkt. Verweerder mag bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van de informatie uit het ambtsbericht uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Voorts blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 24 februari 2012, 201101708/1) dat de omstandigheid dat de identiteit en de hoedanigheid van een vertrouwenspersoon niet ten volle blijkt uit de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, niet tot het oordeel kan leiden dat het ambtsbericht niet op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft en derhalve onzorgvuldig tot stand is komen. Daarbij is overwogen dat de vreemdeling onvoldoende gemotiveerd heeft aangevoerd waarom de minister er in dit geval niet van mocht uitgaan dat de minister van Buitenlandse Zaken de vertrouwenspersoon zorgvuldig heeft geselecteerd en aanleiding had moeten zien om nadere informatie over die persoon op te vragen. Deze jurisprudentie is naar het oordeel van de rechtbank eveneens van toepassing op onderhavig geval waar sprake is van door de minister van Buitenlandse Zaken zorgvuldig geselecteerde vertrouwelijke bronnen. Samengevat heeft verweerder in hetgeen eiser met betrekking tot de inhoud van het voormeld ambtsbericht heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten hoeven zien om te twijfelen aan de juistheid van het ambtsbericht.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde vrees dat de Taliban eiser zal doden bij terugkeer naar Afghanistan niet aannemelijk heeft kunnen achten. Hierbij heeft verweerder in de beoordeling betrokken dat de broers van eiser in 2009 in Afghanistan problemen met de Taliban hebben ondervonden, maar dat dit, gelet op het tijdsverloop, niet betekent dat eiser derhalve ook problemen zal ondervinden bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser moet aannemelijk maken dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling staat en derhalve te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser hierin niet is geslaagd. Dat eiser samen met zijn ouders en zussen naar Iran is gevlucht wegens de problemen die de vader van eiser en zijn broers in 2009 met de Taliban hebben ondervonden, maakt zonder nadere onderbouwing en gelet op het tijdsverloop niet dat eiser als gevolg hiervan bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.

5.4.

Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het arrest van 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907) heeft overwogen, kan humanitaire problematiek als gevolg van een gewapend conflict een schending betekenen van artikel 3 van het EVRM in gevallen waarin een persoon "found himself faced with official indifference in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity" (paragraaf 279). Een schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden doet zich echter niet snel voor.

5.5.

Uit het door eiser in beroep overgelegde behandelplan van Ipsy, De Jutters, van
12 januari 2017 blijkt dat eiser is gediagnostiseerd met een PTSS, hij problemen binnen de primaire steungroep, problemen gebonden aan de sociale omgeving, problemen met school en opleiding en andere psychosociale en omgevingsproblemen heeft. Als behandelbeleid presenteert Ipsy in het geval van eiser: PSA, het uitvoeren van een IQ-test (SON-R), het opbouwen van een vertrouwensrelatie en het voeren van steunende en structurerende gesprekken ter stabilisatie en indien genoeg draagkracht een trauma behandeling. Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels behandeld wordt. Voorts blijkt uit een brief van [persoon C], mentor en docent van eiser op het [school] te [plaats], van 30 maart 2017 dat eiser zich jonger gedraagt dan dat hij is, kinderlijk en wazig overkomt en niet zelfredzaam is maar bij alles wat hij doet afhankelijk is van begeleiding, zowel bij schoolzaken als bij andere zaken zoals persoonlijke verzorging. Voorts blijkt uit een rapportage van S. Hamid, K&J psycholoog, van 1 maart 2017 dat uit een bij eiser uitgevoerd IQ-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van SON-R 6-40, is gebleken dat eiser over het totaal bezien presteert op een beneden gemiddeld niveau in vergelijking met leeftijdgenoten. Voorts is opgemerkt dat opvallend is dat eiser onzeker is, hierdoor sneller opgeeft en weinig zelfvertrouwen heeft in het naar behoren afronden van de test. Geadviseerd wordt om een volledig psychologisch onderzoek bij eiser te verrichten als hij de Nederlandse taal beter beheerst, om zo de sociale en emotionele ontwikkeling ook te kunnen onderzoeken. Tot slot blijkt uit een brief van [stichting] van 19 mei 2017 onder meer dat eiser van een zogenaamde Proces Opvang Locatie (POL) is verplaatst naar een Kleine Woon Groep in [plaats] waar hij met minder jongeren samenwoont en er 24 uur per dag begeleiding is. Dit in uitzondering op het reguliere beleid van [stichting] , eiser heeft immers geen verblijfsvergunning, vanwege zijn onvoldoende sociaal inzicht/sociale onvermogen waardoor hij meerdere malen in conflictsituaties met leeftijdsgenoten terecht kwam. Voorts blijkt uit de brief dat eiser depressief overkomt, weinig inzicht in sociale interactie heeft, hij moeite heeft met het onthouden en begrijpen van informatie en hij in [plaats] een geïsoleerd bestaan leidt.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat eiser gelet op zijn PTSS, zijn beneden gemiddeld intelligentieniveau, zijn sociale en psychische problematiek, zijn leeftijd – jongvolwassen – en het ontbreken van een sociaal netwerk in Afghanistan bijzonder kwetsbaar is. De rechtbank is van mening dat er een reëel risico bestaat dat eiser zich door zijn bijzondere kwetsbaarheid niet kan handhaven in Afghanistan en als gevolg van zijn kwetsbaarheid en algehele voorkomen in het bijzonder vatbaar is voor rekrutering door de Taliban. Ter zitting heeft verweerder erkend dat rekrutering door de Taliban in de provincie [provincie] nog steeds plaatsvindt. De rechtbank overweegt dat er derhalve gegronde redenen zijn om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Van belang hierbij is dat eiser al geruime tijd, ruim acht jaar, niet meer in Afghanistan is geweest en dat hij daar niet langer over een sociaal netwerk beschikt, nu zijn gezinsleden in Iran respectievelijk Nederland verblijven. Van zijn ouders kan voorts niet verlangd worden dat zij hem begeleiden naar Afghanistan, nu zij omwille van problemen die zij hebben ondervonden aan de zijde van de Taliban destijds noodgedwongen Afghanistan hebben moeten verlaten. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat niet is gebleken dat er geen familieleden zijn in Afghanistan die eiser kunnen bijstaan. Er zou wellicht een zus zijn in Afghanistan die eiser zou kunnen bijstaan. De rechtbank overweegt hierover dat uit het eerste gehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat zijn vierde zus is weggegaan toen hij klein was, zij niet mee naar Iran is gereisd, dat onbekend is waar zij is en dat eiser haar voor het laatst in Afghanistan heeft gezien. Ter zitting heeft eiser verklaard niet te weten waar zijn zus is, dat zij jarenlang vermist is en dat zijn moeder ook geen contact heeft met haar en niet weet waar zij is. Andere familie heeft eiser niet in Afghanistan. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen en is derhalve van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser in Afghanistan kan worden bijgestaan door een familielid. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Afghanistan onvoldoende heeft gemotiveerd.

6. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
19 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.