Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13861

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 28506
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit eiseres met Chinese nationaliteit.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/28506

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.S. Poelman).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2016 is eiseres in kennis gesteld van het feit dat zij de Europese Unie binnen een termijn van 28 dagen dient te verlaten, als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (het terugkeerbesluit).

Eiseres heeft tegen het terugkeerbesluit op 6 december 2016 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Chinese nationaliteit.

2. Eiseres kan zich niet verenigen met het terugkeerbesluit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd. Door verweerder is niet gemotiveerd waarom een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Het terugkeerbesluit is disproportioneel en onevenredig. Tijdens het gehoor ten aanzien van het opleggen van het terugkeerbesluit is eiseres niet voldoende in de gelegenheid gesteld om individuele omstandigheden aan te voeren op grond waarvan aanleiding zou bestaan om af te zien van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit. Niet is gebleken dat eiseres is uitgelegd dat individuele omstandigheden mogelijk tot het afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit kunnen leiden en dat het aan haar is om zodanige omstandigheden aan te voeren. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat enige specifiek daarop gerichte vraagstelling heeft plaatsgevonden. Tijdens het gehoor heeft eiseres aangegeven dat zij niet terug kan naar China omdat zij vreest voor haar leven. Eiseres vindt het onbegrijpelijk dat verweerder niet heeft doorgevraagd wat de dringende redenen zijn waarom zij niet terug kan naar China.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De rechtbank overweegt omtrent het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht als volgt.

4.1.

Eiseres heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht en heeft daartoe op 10 januari 2017 een eigen verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. Gelet op deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiseres vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

5. De rechtbank overweegt ten aanzien van het terugkeerbesluit als volgt.

5.1.

Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Vw 2000 dient een vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in artikel 62 of 62c bepaalde termijn.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 dient de vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000, stelt Onze Minister de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres niet rechtmatig in Nederland verblijft, nu de door haar ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij besluit van 23 maart 2015 is afgewezen. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2015 staat dit besluit in rechte vast.

5.3.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het terugkeerbesluit op rechtsgevolg gericht is. Bij besluit van 23 maart 2015 heeft verweerder eiseres opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Verweerder heeft eiseres in het terugkeerbesluit opnieuw een vertrektermijn van 28 dagen gegund. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1237), is het terugkeerbesluit reeds om die reden op rechtsgevolg gericht.

5.4.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat verweerder eiseres, die niet rechtmatig in Nederland verblijft, schriftelijk in kennis stelt van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen 28 dagen. Op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000 kan verweerder deze termijn verkorten of bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiseres in het terugkeerbesluit de maximale vertrektermijn van 28 dagen heeft geboden en ook geen inreisverbod op grond van artikel 66a van de Vw 2000 heeft opgelegd. Voor verweerder bestond er derhalve geen ruimte om de door eiseres aangevoerde individuele omstandigheden dat zij niet kan terugkeren naar China omdat zij vreest voor haar leven en dat zij omwille van religieuze redenen naar Nederland is gekomen, in de besluitvorming mee te nemen. De rechtbank gaat ook aan deze stellingen voorbij, nu dit asielgerelateerd is en in de onderhavige procedure niet kan worden beoordeeld.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.