Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13859

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 29177
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

langdurig ingezetene van Spanje, afwijzing verblijfsvergunning regulier arbeid als zelfstandige, niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, negatief resultaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/29177

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: [persoon A]),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.S. Poelman).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.

Bij besluit van 15 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1969 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiser heeft in Spanje de status van langdurig ingezetene als bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezetenen onderdanen van derde landen (de Richtlijn).

2. Eiser heeft op 28 april 2016 de onderhavige aanvraag ingediend. Onder de bedrijfsnaam ‘[bedrijfsnaam]’ wil eiser arbeid als zelfstandige in Nederland verrichten. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser – voor zover van belang – de volgende stukken overgelegd:

  • -

    Rapport inzake jaarstukken 2014;

  • -

    Rapport inzake jaarstukken 2013;

  • -

    Een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) van 20 april 2016;

  • -

    Een uittreksel uit het handelsregister van de KvK van 9 mei 2016;

  • -

    Bijlage Verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer van de eenmanszaak;

  • -

    Bijlage Verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer van de vennootschap onder firma (V.O.F.);

  • -

    Kopie van zijn Pakistaanse paspoort;

  • -

    Kopie van de Spaanse verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene;

  • -

    Kopie van het Nederlandse paspoort van de medevennoot.

3. Verweerder heeft eisers aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser heeft niet aangetoond dat hij duurzaam over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de volgende stukken door eiser niet zijn overgelegd: een compleet en degelijk onderbouwd ondernemingsplan, het vennootschapscontract, stukken die opleiding en werkervaring aantonen, aangiften omzetbelasting, aangiften en aanslagen inkomensbelasting van de medevennoot en financiële stukken over 2015 en 2016. Niet wordt derhalve toegelicht wat de rol van eiser binnen de V.O.F. zal zijn, welke vaardigheden en kennis hem specifiek geschikt maken om werkzaam te zijn in deze branche en wat zijn bijdrage zal zijn aan de bedrijfsvoering. Voorts wordt niet toegelicht welke omzet- en winstprognoses eiser hanteert en hoe hij deze denkt te zullen realiseren. De in het verleden behaalde bedrijfsresultaten kunnen niet concreet worden beoordeeld en worden afgezet tegen geprognosticeerde resultaten. Volgens de jaarrekeningen over 2012, 2013 en 2014 was er sprake van een (aanzienlijk) negatief resultaat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met zijn medevennoot in staat zal zijn de negatieve resultaten om te buigen zodat er sprake zal zijn van een (voldoende) winstgevende onderneming.

4. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat de V.O.F. per 6 september 2016 is omgezet in een eenmanszaak met eiser als eigenaar. Eiser stelt zich op het standpunt dat hoewel de winst- en verliesrekening blijk geeft van een negatief resultaat over 2012 en 2013, dat verlies is teruggebracht in 2013 en dat de rentabiliteit is toegenomen. Het verlies in 2015 zal derhalve substantieel veel minder bedragen dan dat van 2014. Daarnaast heeft eiser de volgende stukken overgelegd:

  • -

    Een ondernemingsplan voor [bedrijf];

  • -

    Een uittreksel uit het handelsregister van de KvK van 7 september 2016.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd. Ook in bezwaar heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij duurzaam over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Verweerder overweegt hierbij dat [bedrijf] in de jaren 2012 tot en met 2014 (aanmerkelijke) verliezen leed en er geen cijfers zijn overgelegd die onderbouwen dat het verlies in 2015 zal zijn teruggebracht. Bovendien is er dan nog steeds sprake van een verlies. Het ontbreken van de cijfers over 2015 en 2016 en het spoedige einde aan de V.O.F. roepen ook vragen op over de zakelijke grondslag en bestendigheid van eisers plannen. Voorts overweegt verweerder dat er geen sprake is van een reëel ondernemingsplan. De gebruikte cijfers in het ondernemingsplan zijn niet onderbouwd. Gelet op de verliezen in het verleden en de hoogte van de laatst bekende jaaromzet in 2014 heeft de niet nader toegelichte inschatting dat in 2016 en 2017 omzetten van meer dan tachtigduizend euro geboekt zullen worden, niet de bewijswaarde die eiser er kennelijk aan toegekend wil zien. Bovendien is in het financiële deel van het plan veronachtzaamd een post personeelskosten op te nemen, terwijl eiser heeft aangegeven één personeelslid in dienst te zullen nemen, en valt uit de stukken niet op te maken waarom een bedrag van 15.000 euro aan goodwill betaald moet worden voor de overname van een verlieslatende onderneming.

6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder moet niet op de stoel van eiser gaan zitten en moet een grote mate van terughoudend betrachten. Uit de winst- en verliesrekeningen van de jaren 2012, 2013 en 2014 blijkt dat sprake is van een negatief resultaat, maar gezien het huidige economische klimaat moet het ervoor gehouden worden dat het resultaat in 2015 en 2016 substantieel minder negatief en mogelijk zelfs positief zal zijn. Voorts heeft ook een verlieslijdende onderneming een intrinsieke waarde en is de berekening van goodwill een complex vraagstuk dat afhankelijk is van vele variabelen, waaronder de toekomstverwachtingen en klantenbinding. Eiser stelt tot slot dat verweerder ten onrechte overweegt dat het spoedige einde aan de V.O.F. vragen oproept. Verweerder gaat ook hier teveel op de stoel van zowel eiser als zijn medevennoot zitten. De medevennoot had kennelijk reden om zich te laten uitkopen uit de V.O.F.

7. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

8.1.

In artikel 15 van de Richtlijn zijn de voorwaarden voor verblijf in een tweede lidstaat neergelegd. Ingevolge artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn kunnen de lidstaten betrokkene vragen bewijzen te overleggen waaruit blijkt dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en het minimumpensioen. In artikel 15, vierde lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Richtlijn is bepaald dat de aanvraag vergezeld gaat van overeenkomstig de nationale wetgeving vereiste bewijsstukken waaruit blijkt dat betrokkene voldoet aan de desbetreffende voorwaarden. In het bijzonder wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als zelfstandige, mag van betrokkene bewijs worden verlangd dat hij beschikt over de volgens het nationale recht noodzakelijke middelen om een dergelijke economische activiteit uit te oefenen, waarbij hij de vereiste documenten en vergunningen overlegt.

8.2.

De Richtlijn is onder meer geïmplementeerd in de Vw 2000 en in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

8.3.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b en c, van het Vb 2000 in samenhang met artikel 3.30, vijfde lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan een langdurig ingezetene die:

b. uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en

c. voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf.

8.4.

Op grond van het vorenstaande overweegt de rechtbank dat verweerder van een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene heeft, stukken mag verlangen waaruit blijkt dat hij arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten en waaruit blijkt dat hij uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft.

8.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat eiser met de door hem overgelegde stukken onvoldoende heeft aangetoond dat hij als zelfstandige arbeid verricht of gaat verrichten waarmee hij duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Uit de jaarrekeningen over 2012, 2013 en 2014 blijkt dat sprake is geweest van een negatief resultaat, hetgeen door eiser niet wordt betwist. Eiser stelt echter dat de economie aantrekt en dat derhalve een minder negatief en mogelijk zelfs een positief resultaat wordt verwacht in 2015 en 2016. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser deze stelling niet met financiële stukken heeft onderbouwd, zodat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in staat zal zijn om de negatieve resultaten om te buigen en een voldoende winstgevende onderneming te realiseren. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij beschikt over een balans en een winst- en verliesrekening over 2016 en dat hij in 2015 een resultaat van nul euro heeft geboekt. Eiser heeft deze stukken echter niet aan de rechtbank en aan verweerder doen toekomen noch heeft hij het gestelde met betrekking tot het resultaat in 2015 nader onderbouwd. Gelet op de ex tunc toets in beroep, kunnen deze gegevens overigens niet door de rechtbank in de beoordeling worden meegenomen. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte overwogen dat de door eiser gebruikte cijfers in het ondernemingsplan niet zijn onderbouwd en dat de post personeelskosten niet in het financiële deel van het ondernemingsplan is opgenomen.

8.6.

Ook hetgeen verder door eiser in beroep is aangevoerd, namelijk dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat het betalen van goodwill voor een verlieslijdende onderneming en het spoedige einde aan de V.O.F. vragen oproept, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid de aanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.