Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13759

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
09-808355-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

brandstichting met gemeen gevaar voor goederen & personen met daarnaast meerdere vermogensdelicten (o.a. diefstal, oplichting en opzetheling)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/808355-17, 09/035116-17 (ttz. gev.) en 09/194162-15 (TUL)

Datum uitspraak: 28 november 2017

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de - gedeeltelijk door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen - zaken van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedatum] 1994 [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in detentiecentrum Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 november 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.F. Heslinga, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. P.J. de Water, advocaat te Katwijk, en door verdachte naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. M.D.A. Stam, raadsman van benadeelde partij [benadeelde 1] , naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Dagvaarding 1

Aan verdachte is onder parketnummer 09/808355-17 - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2017 te Katwijk of Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een jerrycan die hij had geplaatst in de directe omgeving van een motor (merk Yamaha met [kenteken 1] ) in/bij het portiek van de woningen gelegen aan de Langeveldstraat [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een lap(je) stof in een jerrycan met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of deze jerrycan en/of voornoemde motor en/of ventilatieschacht van het flatgebouw aan de Langeveldstraat horende bij de woningen met de nummers [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde motor en/of een snorfiets (merk Peugeot Vivacity met [kenteken 2] ) en/of voornoemde woningen en/of het/de daarin aanwezige goed(eren), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de zich in voornoemde en/of in (een) aangrenzende en/of omliggende woning(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemde en/of in (een) aangrenzende en/of omliggende woning(en) bevindende perso(o)n(en), in

elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 30 juni 2017 te Katwijk of Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Toyota, [type 1] met [kenteken 4] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (met kracht) een steen tegen voornoemde auto te gooien;

3.

hij op of omstreeks 30 juni 2017 te Katwijk of Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zwarte (oma)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij in of omstreeks de periode van 16 juni 2017 tot en met 1 juli 2017 te Katwijk of Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Tomos, [type 2] met [kenteken 3] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 juli 2017, althans in of omstreeks de periode van 16 juni 2017 tot en met 1 juli 2017 te Katwijk of Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, een goed, te weten een bromfiets (merk Tomos, [type 2] met [kenteken 3] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2017 tot en met 1 juli 2017 te Katwijk of Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonee met inhoud, een schroevendraaierset (merk Powerfix), meerdere althans een schroevendraaier(s) (merk Werckmann), 2 althans 1 accu boormachine(s) (merk Bosch), een klopboormachine en/of meerdere, althans een

tang (merk Werckmann), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van inklimming;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 juli 2017 te Katwijk of Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, een of meer goederen, te weten een portemonnee met inhoud en/of meerdere gereedschappen waaronder meerdere schroevendraaiers en/of (een) boormachine(s) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Dagvaarding 2

Aan verdachte is onder parketnummer 09/035116-17- na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - tenlastegelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 6 oktober 2016 te Katwijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen levensmiddelen, waaronder frisdrank en/of melk, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn B.V. ( [locatie] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.


hij op of omstreeks 8 oktober 2016 te Katwijk, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Albert Heijn B.V. ( [locatie] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag en/of een statiegeldbon van de flessenautomaat, door
- een krat bier in de flessenautomaat te plaatsen en hiervan een statiegeldbon te ontvangen,
- vervolgens bij de servicebalie te vertellen dat hij die statiegeldbon niet heeft ontvangen,
- waardoor een medewerker van de Albert Heijn het krat bier opnieuw door het apparaat heeft gehaald en verdachte (opnieuw) een statiegeldbon heeft gekregen, en/of
- verdachte vervolgens bij de kassa twee statiegeldbonnen heeft aangeboden en hiervoor geld heeft ontvangen, terwijl hij maar één krat bier heeft ingeleverd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 oktober 2016 te Katwijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en/of een statiegeldbon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn B.V. ( [locatie] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


3.


hij op of omstreeks 1 november 2016 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een snorfiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 en/of 2 november 2016 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Katwijk, althans in Nederland, een goed, te weten een bromfiets/snorfiets (merk Tomos, met [kenteken 5] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.


hij op of omstreeks 2 november 2016 te Katwijk, opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een deur, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3 Overwegingen

3.1

Inleiding

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan brandstichting. Daarnaast wordt hij verdacht van acht vermogensdelicten. De rechtbank dient te beoordelen welke feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard en hoe deze feiten gekwalificeerd moeten worden.

3.1

De standpunten van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig een op schrift gesteld requisitoir, de volgende standpunten ingenomen.

Dagvaarding 1

Feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de bewoners van de flat is ontstaan.

Feit 2 en 3

De officier van justitie heeft gevorderd dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier, wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard dat verdachte de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Feit 4

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en dat wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard dat verdachte de hem onder subsidiair tenlastegelegde opzetheling heeft begaan. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op de als gestolen geregistreerd staande Tomos is aangehouden, terwijl zijn verklaring - dat hij de Tomos had gevonden en naar het politiebureau wilde brengen - volstrekt ongeloofwaardig is, aangezien verbalisanten hebben gezien dat verdachte niet naar het politiebureau reed maar de brommer stilzette bij een flatgebouw.

Feit 5

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte degene is geweest die de goederen uit de woning van aangever heeft meegenomen en dat aldus het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte op 30 juni 2017, zijnde kort na de insluiping, in het bezit was van de bij de insluiping weggenomen portemonnee en dat een dag later, bij de aanhouding, wederom die portemonnee is aangetroffen alsook de bij de insluiping weggenomen schroevendraaiers. De officier van justitie heeft gewezen op de omstandigheid dat op de plek waar verdachte eerder op de (onder feit 4 ten laste gelegde) gestolen Tomos stapte de verpakking van die schroevendraaiers is aangetroffen. Voorts heeft de officier van justitie aangegeven dat uit het dossier ook blijkt dat verdachte in het bezit is geweest van bij de insluiping weggenomen elektrisch gereedschap, terwijl de verklaring van verdachte over de herkomst van de goederen niet geloofwaardig is, aangezien die verklaring door zijn eigen vader wordt tegengesproken en verdachte heeft verklaard dat zijn vader niet liegt.

Dagvaarding 2

Feit 1 en 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich aan de onder feit 1 tenlastegelegde winkeldiefstal en de onder feit 2 tenlastegelegde oplichting heeft schuldig gemaakt, aangezien verdachte door diverse personen, waaronder verbalisanten, op de bewakingsbeelden van de Albert Heijn is herkend.

Feit 3

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair tenlastegelegde en heeft tot bewezenverklaring geconcludeerd van de subsidiair tenlastegelegde heling. De officier van justitie heeft erop gewezen dat verbalisanten verdachte op een Tomos [adres 1] in hebben zien rijden en dat enkele uren later in een schuur op [adres 1] te Katwijk een Tomos werd aangetroffen die gestolen bleek te zijn.

Feit 4

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem tenlastegelegde vernieling, aangezien een getuige heeft verklaard dat een man met een Tomos met een koevoet de deur open heeft gewrikt, verbalisanten verdachte diezelfde avond op de Tomos hebben zien rijden en verdachte bovendien aan het opgegeven signalement voldoet.

3.2

De standpunten van de verdediging

Dagvaarding 1

Feit 1

De raadsman heeft naar voren gebracht dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan brandstichting, maar dat hij dient te worden vrijgesproken van het strafverzwarende bestanddeel dat door die brand levensgevaar voor de bewoners van de flat is ontstaan, aangezien een brandrapport ontbreekt en het bestanddeel ‘levensgevaar’ dus niet objectief vast te stellen is.

Feit 2 en feit 3

De raadsman heeft zich ten aanzien van deze feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 4

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de hem primair tenlastegelegde diefstal, nu er geen bewijsmiddelen in het dossier zitten waaruit blijkt dat verdachte deze diefstal heeft gepleegd. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde heling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 5

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde, aangezien uit het dossier niet blijkt dat verdachte in de woning van aangever is geweest. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Dagvaarding 2

Feit 1

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, aangezien verdachte op de beelden in het dossier niet in het gezicht te zien is en de gestelde herkenningen niet tot stand zijn gekomen op basis van specifieke, onderscheidende persoonskenmerken.

Feit 2

De raadsman heeft naar voren gebracht dat er geen statiegeldbonnen in het dossier zitten terwijl ook bij dit feit de gestelde herkenningen niet op de door de Hoge Raad voorgestelde wijze tot stand zijn gekomen, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Feit 3

De raadsman heeft vrijspraak gevraagd van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte niet op of bij de brommer is aangetroffen, en uit het dossier niet blijkt dat de persoon die rijdend op een Tomos is gezien, door de verbalisant in het gezicht is gezien, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die op de brommer reed, waarbij ook van belang is dat een en ander in de winter gebeurde, gedurende de nacht.

Feit 4

De raadsman heeft erop gewezen dat het incident ’s nachts heeft plaatsgevonden en dat er slechts één getuige is die op een afstand van 50 meter stond, zodat vrijspraak dient te volgen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Dagvaarding 1

Feit 1

Ten aanzien van de brandstichting geldt dat verdachte heeft bekend dat hij een motorfiets, die op dat moment geparkeerd stond voor een portiekflat, in brand heeft gestoken met behulp van een jerrycan met benzine. De vraag die de rechtbank vervolgens heeft te beantwoorden is of er door dit handelen van verdachte sprake is geweest van te duchten levensgevaar voor personen en goederen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar te duchten was, dat wil zeggen dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (zie o.a. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653). De door verdachte in de brand gestoken motorfiets stond zeer nabij de gevel van de portiekflat. Het risico bestond aldus dat de brand zou overslaan naar de woningen in de flat. Dit gevaar heeft zich ook daadwerkelijk gerealiseerd. Uit het inzetverslag van de brandweer van 26 mei 2017 blijkt dat de brand zich heeft uitgebreid naar de bovengelegen portiekwoningen via de ventilatieschacht. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de brand omstreeks 03:00 uur is ontstaan, een tijdstip waarop veel mensen thuis zijn en liggen te slapen. Uit het inzetverslag blijkt ook dat er in totaal 19 personen zijn ontruimd uit 10 verschillende woningen zowel via het portiek met een vluchtmasker als via een redvoertuig. Deze personen zijn allemaal opgevangen op het politiebureau. Door verdachte is bij de brandstichting gebruik gemaakt van benzine waardoor de brand direct fel was en zeer snel om zich heen heeft gegrepen. Voorts kan niet alleen vuur maar ook de daarmee gepaard gaande rookontwikkeling levensgevaar voor personen opleveren. De rechtbank is dan ook, anders dan de raadsman, van oordeel dat sprake is geweest van te duchten levensgevaar voor personen en gemeen gevaar voor goederen.

Aangezien verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit verder heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte voor het overige geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

  • -

    proces-verbaal van aangifte [benadeelde 1] , d.d. 26 mei 2017, met bijlage te weten foto’s van de brandschade (blz. 40, 43, 46 en 47);

  • -

    proces-verbaal van aangifte [naam 1] , namens [slachtoffer 3] , d.d. 26 mei 2017 (blz. 55);

  • -

    proces-verbaal van aangifte [naam 8] namens [naam 8] , d.d. 26 mei 2017 (blz. 58 t/m 60);

  • -

    een geschrift, te weten een inzetverslag – OvD opgesteld door [naam 2] d.d. 26 mei 2017, met bijlage te weten foto’s van de brand (blz. 61 t/m 67);

  • -

    proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 5 juni 2017, met bijlage te weten foto’s van het onderzoek (blz. 68 t/m 79);

- de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2017.

Feit 2

Aangezien verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] d.d. 30 juni 2017 (blz. 133 en 134);

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2017.

Feit 3

Aangezien verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van verdachte geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [naam 3] d.d. 30 juni 2017 (blz. 150 en 151);

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2017.

Feit 4

Op 23 juni 2017 heeft [benadeelde 3] aangifte gedaan van diefstal van zijn brommer.2 In een nader verhoor heeft aangever verklaard dat hij de brommer op 16 juni 2017 rond 20:00 uur voor zijn woning aan de [adres 2] in Katwijk had neergezet en een kettingslot door het wiel had gedaan. Op 17 juni 2017 ontdekte aangever dat zijn brommer weg was.3 Op 30 juni 2017 heeft de politie de brommer van aangever aangetroffen op de [adres 3] in Rijnsburg, waarna door de officier van justitie besloten is om een baken onder de brommer te plaatsen.4 Op 1 juli 2017 kreeg de politie de melding dat de brommer in beweging kwam. Na een achtervolging van de brommer is de bestuurder aangehouden. De bestuurder bleek verdachte te zijn.5 Verdachte heeft verklaard dat hij de brommer had gevonden, dat hij zag dat de brommer open stond en dat hij vervolgens de brommer mee had genomen6 om naar het politiebureau te brengen.

Ook met de lezing van verdachte is, naar het oordeel van de rechtbank, evenwel sprake van diefstal. Verdachte heeft immers een brommer, die niet van hem was, meegenomen en zich aldus wederrechtelijk toegeëigend. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de verklaring van verdachte, dat hij de brommer naar het politiebureau wilde brengen, ongeloofwaardig is, aangezien verdachte niet naar het politiebureau is gereden, maar de brommer bij een flat parkeerde.7

Feit 5

Op 1 juli 2017 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning. Aangever heeft verklaard dat hij zijn woning aan de [adres 4] in Rijnsburg aan het verbouwen was en dat er om die reden tijdelijk een opening in zijn voordeur zat. Aangever heeft verklaard dat hij zijn woning op 29 juni 2017 om 11:00 uur in goede orde achter had gelaten en dat hij, toen hij op 1 juli 2017 om 09:00 uur weer in zijn woning kwam, zag dat er gereedschap miste. De goederen die ontbraken betroffen een aantal tangen, grijs-oranje schroevendraaiers van het merk Werckmann, twee boormachines van het merk Bosch, één klopboormachine, een aantal kwasten van de Action, een nieuwe rood-zwarte schroevendraaierset – nog in de verpakking - van het merk Powerfix en een donkerbruine leren portemonnee met onder andere een OV-chipkaart, twee pasjes van de Bouwmaat en geld.8 Bij de aanhouding van verdachte op 1 juli 2017 omstreeks 16:15 uur werd in zijn fouillering een bruine leren portemonnee aangetroffen waaronder andere een OV-chipkaart en twee pasjes van de Bouwmaat op naam van [slachtoffer 1] in zaten.9 In een tas die verdachte bij zich had zaten meerdere rood-zwarte schroevendraaiers van het merk Powerfix10, twee tangen van het merk Werckmann11 en schroevendraaiers van het merk Werckmann.12 Al deze goederen zijn inbeslaggenomen. Op de plek waar verdachte eerder op een gestolen brommer was gestapt werd een verpakking met de tekst ‘Powerfix screwdriver & bit set’ aangetroffen.13 Bij een doorzoeking van de woning aan de [adres 5] in Katwijk zijn onder andere twee accuboormachines van het merk Bosch en een klopboormachine van het merk Bosch aangetroffen en inbeslaggenomen.14 [naam 4] heeft op 2 juli 2017 tegenover de politie verklaard dat verdachte recent in de woning aan de [adres 5] is geweest en dat de inbeslaggenomen spullen van verdachte zijn.15 Aangever heeft alle aangetroffen en inbeslaggenomen goederen herkend als zijn eigendom.16

De rechtbank constateert dat verdachte kort na de diefstal in het bezit was van de portemonnee van aangever en het gestolen gereedschap. Gelet op het korte tijdsverloop tussen de diefstal en het aantreffen van de goederen onder/bij verdachte, wordt het ervoor gehouden dat verdachte de portemonnee en het gereedschap zelf heeft gestolen, tenzij verdachte voor de aanwezigheid van die goederen een aannemelijke verklaring heeft. Een dergelijke verklaring heeft verdachte echter niet gegeven. Verdachte heeft immers verklaard dat de portemonnee van hem was en dat hij het gereedschap van zijn vader had gekregen. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter genoegzaam dat de portemonnee niet van verdachte was en ook de vader van verdachte heeft verklaard dat hij verdachte geen gereedschap heeft gegeven.17 De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook onaannemelijk en is van oordeel dat, gelet op de omstandigheid dat verdachte kort na de diefstal in het bezit was van de bij die diefstal weggenomen goederen, in onderling verband beschouwd met de overige bewijsmiddelen in het dossier, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de insluiping in de woning van aangever [slachtoffer 1] en daarbij een portemonnee en gereedschap heeft weggenomen.

Dagvaarding 2

Feit 1

Op 20 oktober 2016 heeft [naam 6] , namens Albert Heijn [locatie] 137 te Katwijk, aangifte gedaan van diefstal. Aangever heeft verklaard dat hij op 7 oktober 2016 van een van zijn medewerkers te horen kreeg dat er gisteravond omstreeks 20:00 uur een persoon in de winkel is geweest die vermoedelijk iets had gestolen. De man was gekleed in het zwart en droeg een rugzak. Aangever heeft vervolgens de camerabeelden van de winkel bekeken. Aangever heeft verklaard dat op de camerabeelden het volgende is te zien. Op 6 oktober 2017 om 19:54 uur komt er een man de winkel binnen lopen die voldoet aan de omschrijving zoals opgegeven door zijn medewerker. Te zien is dat de man direct naar het frisdrankpad loopt en dat hij een blikje in zijn rugzak stopt. Hierna loopt de man naar de zuivelafdeling, pakt een pak melk uit de koeling en stopt dat ook in zijn rugzak. De man loopt vervolgens langs de kassa zonder de goederen die hij zojuist in zijn rugzak heeft gestopt, af te rekenen. Tot slot heeft aangever verklaard de man op de camerabeelden te herkennen als [verdachte] van eerdere diefstallen in de winkel.18

Door [verbalisanten 1] zijn tevens de camerabeelden bekeken. Zij hebben dit gedaan nadat zij verdachte voor andere feiten hadden gehoord op 22 november 2016. [verbalisanten 1] hebben gerelateerd dat, hoewel de man een capuchon en een petje draagt op de beelden, het gezicht van de man tot tweemaal toe goed in beeld is en dat zij de man herkennen als verdachte. Zij hebben verdachte eveneens herkend aan zijn specifieke loopje.19

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een blikje frisdrank en een pak melk uit de Albert Heijn aan het [locatie] . Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van de aangever en de verbalisanten voldoende blijkt dat zij de herkenning van verdachte op de camerabeelden hebben gebaseerd op eerdere contacten met verdachten alsmede een specifiek kenmerk hebben vermeld waaraan zij verdachte hebben herkend, te weten zijn karakteristieke loopje.

Feit 2

Op 12 oktober 2016 heeft [naam 6] , namens Albert Heijn [locatie] 137 te Katwijk, aangifte gedaan van oplichting. Aangever heeft – kort gezegd – verklaard dat op 8 oktober 2016 omstreeks 18:40 uur een man tegen een medewerker van de servicebalie heeft gezegd dat hij geen statiegeld bon heeft ontvangen na het inleveren van een krat bier. De medewerkers is met de man meegelopen naar de flessenautomaat, alwaar de man van een collega een nieuwe statiegeldbon kreeg, waarna de man uiteindelijk twee statiegeldbonnen heeft ingeleverd bij de kassa, en hij voor de ingeleverde bonnen ook geld heeft ontvangen, terwijl hij (naar later is gebleken) maar één krat bier heeft ingeleverd. Aangever heeft de camerabeelden van die avond bekeken en heeft verklaard dat hij de man, naar aanleiding van een eerder gepleegde diefstal in de winkel, herkende als [verdachte] .20

Door [verbalisant 2] zijn de camerabeelden gericht op de flessenautomaat nogmaals bekeken. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat is te zien dat er een man bij de flessenautomaat staat en dat hij er een krat Heineken in stopt. De man drukt op de knop en pakt de bon uit de automaat. Vervolgens loopt de man direct door naar de servicebalie waar hij een medewerker aanspreekt. De medewerker loopt met de man mee terug naar de automaat. Door een andere medewerker wordt de eerder door de man aangeboden Heineken krat nogmaals aangeboden aan de automaat. Er komt een bon uit de automaat en de medewerker geeft de bon aan de man. Vervolgens is te zien dat de man naar de kassa’s loopt en de twee bonnen inlevert waarna hij geld krijgt van de kassière.21

[verbalisanten 2] hebben, na hiertoe te zijn bevraagd, gerelateerd dat zij de man op de aan hen getoonde foto’s van de camerabeelden herkennen als verdachte. Zij hebben verklaard verdachte onder andere te kennen uit de wijk en [verbalisanten 2] kent hem eveneens van het eerder overbrengen van verdachte naar het bureau ter aanhouding.22

[verbalisanten 1] hebben, nadat zij de camerabeelden hebben bekeken, gerelateerd dat zij de man op de beelden voor de volle 100% herkennen als verdachte. Naast het feit dat zij verdachte hebben herkend aan zijn specifieke loopje, hebben zij de jas van verdachte herkend. Verdachte draagt op de camerabeelden namelijk dezelfde jas die hij droeg tijdens zijn staandehouding op 3 november 2016. Van verdachte zijn toen foto’s gemaakt.23

De rechtbank acht gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting van de Albert Heijn aan het [locatie] . Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte zowel door aangever als door meerdere verbalisanten is herkend op de camerabeelden. In onderhavige zaak hebben meerdere verbalisanten, welke verdachte ambtshalve kennen uit meerdere contacten tijdens hun werkzaamheden, verklaard verdachte te herkennen op de camerabeelden. Daarnaast hebben zij gerelateerd verdachte onder meer te herkennen aan zijn specifieke loopje en aan zijn jas die verdachte tijdens een eerdere staande houding ook heeft gedragen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisanten. Dat het dossier geen kopie van de statiegeldbonnen bevat maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt immers genoegzaam dat verdachte twee keer een bon uit de flessenautomaat heeft teruggekregen terwijl hij maar één krat heeft ingeleverd.

Feit 3

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 3 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair

Op 2 november 2016 heeft [naam 5] aangifte gedaan van diefstal van haar brommer. Aangeefster heeft verklaard dat haar brommer op 1 november 2016 om 21:00 uur aan een hangslot stond geparkeerd beneden voor haar woning aan de [adres 8] te Rijnsburg. Toen zij naar haar werk ging op woensdagochtend 2 november 2016 om 3:30 uur zag zij dat haar brommer was verdwenen.24 Op 3 november 2016 omstreeks 08:45 uur heeft de politie de brommer van aangeefster, een grijze snorfiets van het merk Tomos, voorzien van het kenteken [kenteken 5] aangetroffen op [adres 1] 8 in Katwijk.25 De avond ervoor op 2 november 2016, omstreeks 22:48 uur, heeft er een zoektocht plaatsgevonden naar een verdachte van mogelijke vernieling bij een flat aan de [adres 7] in Katwijk. Tijdens deze zoektocht hebben de verbalisanten verdachte zien rijden op een grijze Tomos voorzien van het [kenteken 5] . Op het moment dat verdachte de verbalisanten zag is hij [adres 1] ingereden. Verbalisanten hebben verdachte en de brommer vervolgens niet meer aangetroffen.26 Kort hierna, op 3 november 2016 omstreeks 00:05 uur, is verdachte staande gehouden op de [adres 6] te Katwijk. [verbalisant 1] heeft verklaard verdachte direct te herkennen als de bestuurder van de Tomos.27

Uit het voorgaande leidt de rechtbank, in onderling verband en samenhang bezien, af dat de verbalisanten in de avond van 2 november 2016 verdachte hebben zien rijden op de gestolen brommer. Meerdere verbalisanten, die verdachte uit eerdere contacten ambtshalve kennen, hebben verdachte herkend. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisanten. Dat door de verbalisant een iets afwijkend kenteken is opgeschreven, doet hier niet aan af, gelet op de hectische situatie op dat moment. Daar komt bij dat de brommer in dezelfde straat – [adres 1] te Katwijk – is aangetroffen als de straat waar verdachte die avond ervoor is in gevlucht en dat de eigenaar van de woning waar de brommer is aangetroffen, heeft verklaard dat iemand in zijn schuur moet zijn geweest.28 Aangezien verdachte is gevlucht op het moment dat hij de verbalisanten zag, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de brommer waar hij op reed van diefstal afkomstig was en hij zich hiermee aldus schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de brommer.

Feit 4

Met de raadsman acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde vernieling, zodat hij van dit feit zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat alleen [getuige] de vernieling (van grotere afstand) heeft gezien, terwijl die verklaring niet zodanig specifiek is dat op grond daarvan met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die de deur van de woning heeft vernield.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart het volgende bewezen.

Dagvaarding 1

1.

hij op 26 mei 2017 te Katwijk opzettelijk brand heeft gesticht in een jerrycan die hij had geplaatst in de directe omgeving van een motor (merk Yamaha met [kenteken 1] ) bij het portiek van de woningen gelegen aan de Langeveldstraat [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een lapje stof in een jerrycan met benzine, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en deze jerrycan en voornoemde motor en ventilatieschacht van het flatgebouw aan de Langeveldstraat horende bij de woningen met de nummers [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde motor en een snorfiets (merk Peugeot Vivacity met [kenteken 2] ) en voornoemde woningen en daarin aanwezige goederen en levensgevaar voor de zich in voornoemde woningen bevindende personen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemde woningen bevindende personen te duchten was;

2.

hij op 30 juni 2017 te Katwijk opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Toyota, [type 1] met [kenteken 4] ), toebehorende aan [benadeelde 2] , heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (met kracht) een steen tegen voornoemde auto te gooien;

3.

hij op 30 juni 2017 te Katwijk althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zwarte (oma)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij in de periode van 16 juni 2017 tot en met 1 juli 2017 te Katwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Tomos, [type 2] met [kenteken 3] ), toebehorende aan [benadeelde 3] ;

5.

hij in de periode van 29 juni 2017 tot en met 1 juli 2017 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, een schroevendraaierset (merk Powerfix), meerdere schroevendraaiers (merk Werckmann), 2 boormachines (merk Bosch), een klopboormachine en meerdere tangen (merk Werckmann), toebehorende aan [slachtoffer 1] , zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van inklimming;

Dagvaarding 2

1.


hij op 6 oktober 2016 te Katwijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen levensmiddelen, waaronder frisdrank en melk, toebehorende aan Albert Heijn B.V. ( [locatie] ).

2.


hij op 8 oktober 2016 te Katwijk, met het oogmerk om zich te bevoordelen door het aannemen van een listige kunstgrepen Albert Heijn B.V. ( [locatie] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed te weten een geldbedrag en een statiegeldbon van de flessenautomaat, door
- een krat bier in de flessenautomaat te plaatsen en hiervan een statiegeldbon te ontvangen,
- vervolgens bij de servicebalie te vertellen dat hij die statiegeldbon niet heeft ontvangen,
- waardoor een medewerker van de Albert Heijn het krat bier opnieuw door het apparaat heeft gehaald en verdachte opnieuw een statiegeldbon heeft gekregen, en
- verdachte vervolgens bij de kassa twee statiegeldbonnen heeft aangeboden en hiervoor geld heeft ontvangen, terwijl hij maar één krat bier heeft ingeleverd;


3.

subsidiair

hij omstreeks 1 en 2 november 2016 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Katwijk, een goed, te weten een bromfiets (merk Tomos, met [kenteken 5] ) voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, en een proeftijd van 3 jaar onder de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en toezicht door de Reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een lagere straf aan verdachte op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting van een motorfiets die op dat moment geparkeerd stond voor een appartementencomplex. De brand is uiteindelijk overslagen naar het appartementencomplex wat aanzienlijke schade heeft veroorzaakt. Verdachte heeft dit gedaan omdat hij boos was op de eigenaar van de motorfiets. Verdachte heeft daarmee onaanvaardbare risico’s genomen en de bewoners van het appartementencomplex met zijn handelen in levensgevaar gebracht . Maar liefst 19 bewoners van het appartementencomplex moesten midden in de nacht worden geëvacueerd en hebben tijdelijk elders onderdak moeten zoeken. Dit alles heeft enorm veel angst, onrust, onzekerheid en ongemak veroorzaakt. Brandstichting is een zeer ernstig feit, met name vanwege de verstrekkende gevolgen die het met zich mee kan brengen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij, zonder rekening te houden met de levens en goederen van anderen, tot zijn daad is gekomen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt een woninginbraak en aan meerdere (winkel-)diefstallen, een oplichting en een vernieling. Dit zijn ernstige feiten, die doorgaans (grote) financiële schade en veel overlast voor de betrokkenen met zich meebrengen. Een diefstal uit een woning is daarbij extra belastend omdat verdachte daarmee inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners op een plaats waar zij zich bij uitstek veilig moeten kunnen voelen. Verdachte heeft een aantal van deze feiten in een kort tijdsbestek van enkele weken gepleegd, terwijl hij tussendoor nog is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De rechtbank neemt dit verdachte, die in een proeftijd loopt, zeer kwalijk.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 8 augustus 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder ten aanzien van vermogensdelicten is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 24 oktober 2017 met betrekking tot verdachte. De reclassering heeft gerapporteerd dat bij verdachte sprake was van een problematisch alcohol- en harddrugsgebruik en hij een zwervend bestaan leidt. In het verleden is hij diverse keren aangemeld om een behandeling te ondergaan, onder meer in verband met zijn verslaving. Soms stagneerde dit direct al na de aanmelding, dan weer lukte het verdachte niet de behandeling vol te houden.

Mede als gevolg van de uitlatingen van verdachte over het regelmatig ervaren van psychoses ontstond bij de reclassering bovendien het vermoeden dat bij verdachte sprake was van psychische problematiek. Onderzoek naar het psychisch functioneren van verdachte was echter niet mogelijk omdat hij geen toestemming gaf voor verdiepingsdiagnostiek. Daarom heeft de reclassering de rechtbank geadviseerd een rapportage door het NIFP te laten uitbrengen omtrent verdachte, zodat onderzoek kan worden gedaan naar zijn toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank acht het echter niet noodzakelijk dat over verdachte een NIFP-rapport wordt opgemaakt, aangezien verdachte duidelijke verklaringen heeft afgelegd, en heeft verklaard dat zijn delicten zijn voortgekomen uit boosheid en middelengebruik.

Straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er geen omstandigheden zijn die aanleiding geven om van de door de officier van justitie geformuleerde eis, waarbij rekening is gehouden met de ernst en omstandigheden van de feiten en de persoon van de verdachte, af te wijken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte de hulp die hij nodig heeft ten aanzien van zijn middelengebruik en omgaan met boosheid en frustraties zal kunnen opstarten in detentie. Dat er thans geen plan van aanpak ligt van de reclassering doet dan ook niet af aan de omstandigheid dat verdachte met zijn problemen aan de slag kan. Het is voorts aan verdachte om na detentie met reclassering mee te gaan werken, zodat reclassering – die verdachte kennen – de op te leggen voorwaarden van toezicht en meldplicht nader in kan vullen. Gelet op al het bovenstaande, volgt de rechtbank de officier van justitie in de door haar gedane strafeis.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

[benadeelde 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.825.95.

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

[benadeelde 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.409,11.

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:

[benadeelde 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 430,00.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [benadeelde 2] , met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 3.825,95 bestaande uit € 2.326,95 materiele schade en € 1.500,00 immateriële schade, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 3] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] ten aanzien van de post ‘schade kettingslot + disc’ gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor het overige heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering, zowel materieel als immaterieel, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 2] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de benadeelde partij zijn schade had kunnen vorderen bij zijn verzekeringsmaatschappij. Tot slot heeft de raadsman zich met betrekking tot de vordering van [benadeelde 3] op het standpunt gesteeld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [benadeelde 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘schade motor’, ‘schade handschoenen’ en ‘schade kettingslot + disc’, zijn voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en voor toewijzing vatbaar.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen namens de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 500,00 toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.825,95.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 mei 2017 , nu vast is komen te staan dat de schade vanaf deze datum is ontstaan.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met hun vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering [benadeelde 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Dat de benadeelde partij wellicht de keuze heeft gehad om de schadevergoeding te vorderen bij zijn verzekering, maakt dit niet anders. De benadeelde partij is immers niet verplicht om dit te doen.

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.409,11.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 juni 2017, nu vast is komen te staan dat de schade vanaf deze datum is ontstaan.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met hun vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering [benadeelde 3]

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij betrekking niet-ontvankelijk verklaren, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd en een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de bromfiets door de politie in beslag is genomen en ook door de politie weer is teruggeven aan de benadeelde partij.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van:

- een bedrag groot € 2.825,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 mei 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1];

- een bedrag groot € 1.409,11, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 2].

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage I aan dit vonnis is gehecht) genoemde voorwerp onder 3 zal worden teruggegeven aan verdachte en dat de overige goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich over het beslag niet uitgelaten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp.

De overige voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de tenuitvoerlegging zal gelasten van de bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 16 februari 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één week.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig om de vordering van de officier van justitie van 26 september 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één week, gewezen onder parketnummer 09/194162-15 en waarbij verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van deze rechtbank op 16 februari 2016, toe te wijzen, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd, die bij voormeld vonnis van de politierechter was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten en hij voor deze feiten ook zal worden veroordeeld.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 57, 63, 157, 310, 311, 326 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding 2 met parketnummer 09/035116-17 onder 3 primair en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding 1 met parketnummer 09/808355-17 onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat verdachte de bij dagvaarding 2 met parketnummer 09/035116-17 onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Dagvaarding 1

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

ten aanzien van feit 3 en 4 primair, telkens:

diefstal;

ten aanzien van feit 5 primair:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

Dagvaarding 2

ten aanzien van feit 1:

diefstal;

ten aanzien van feit 2:

oplichting;

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

opzetheling;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 1 (ÉÉN) JAAR, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op het adres Bezuidenhoutseweg 179 (2594 AH te Den Haag), en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- mocht blijken dat verdachte behandeling (gericht op middelengebruik dan wel het maken van juiste keuzes) nodig heeft dan dient veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling te stellen van forensische polikliniek De Waag, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling of de reclassering aan te geven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1] , een bedrag van € 2.825,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 mei 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst het overige deel van de vordering af;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2] , een bedrag van € 1.409,11, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.892,95 ten behoeve van [benadeelde 1], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 mei 2017;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 38 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.409,11 ten behoeve van [benadeelde 2], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2017;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 24 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 16 februari 2016, gewezen onder parketnummer 09/194162-15, te weten gevangenisstraf voor de duur van één week;

gelast de teruggave aan verdachte van het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp, te weten: 1 STK Tas (omschrijving: zwart);

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 genummerde voorwerpen, te weten: 1 STK mes (omschrijving: U.S. M8ai), 1 STK breekijzer, 1 STK verdovende middelen, 1 STK verdovende middelen, 1 STK verpakkingsmateriaal (omschrijving: 1 bulk gripzakjes) en 1 STK weegschaal (omschrijving: zwart, merk: Tangent);

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.C. Bannink, voorzitter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

mr. F.W. van Dongen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.M.E. Oudshoorn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2017.

Bijlage:

1. Beslaglijst

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017144203, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Leiden-Bollenstreek, doorgenummerd blz. 1 t/m 267, met 1 bijlage (hierna ook aangeduid als “PV 1”) en het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017217755, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Leiden-Bollenstreek, doorgenummerd blz. 1 t/m 92 (hierna ook aangeduid als “PV 2”) en het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017052068, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, doorgenummerd blz. 1 t/m 58 (hierna ook aangeduid als “PV 3”) .

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 4 en 5, PV 2.

3 Proces-verbaal verhoor aangever, blz. 10 en 11, PV 2.

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 6, PV 2.

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 12 en 13, PV 2.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 61 en 62, PV 2.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 12, PV 2.

8 Proces-verbaal van aangifte, blz. 69 en 70, PV 2.

9 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 33, PV 2.

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 55, PV 2.

11 Geschrift, te weten “bijlage goederen”, blz. 74, PV 2.

12 Geschrift, te weten “bijlage goederen”, blz. 71, PV 2.

13 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 55, PV 2.

14 Geschrift, te weten “bijlage goederen”, blz. 71 en 72, PV 2.

15 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 77, PV 2.

16 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 80, PV 2.

17 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 83. PV 2.

18 Proces-verbaal van aangifte, blz. 4 en 5, PV 3.

19 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 9, PV 3.

20 Proces-verbaal van aangifte, blz. 10 en 11, PV 3.

21 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 13 t/m 15, PV 3.

22 Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, blz. 17, PV 3 en proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, blz. 18, PV 3.

23 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 9, PV 3.

24 Proces-verbaal van aangifte, blz. 46, PV 3.

25 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 50, PV 3.

26 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 31 en 32, PV 3.

27 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 33 en 34, PV 3.

28 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 50, PV 3.