Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13726

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
C/09/538786 / FA RK 17-6685
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank verleent toestemming aan Stichting Jeugdbescherming west om de minderjarige op grond van artikel 1:306 BW buiten Nederland te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 17-6685

Zaaknummer: C/09/538786

Datum beschikking: 23 oktober 2017

Verzoek ex artikel 1:306 van het Burgerlijk Wetboek

Beschikking op het op 28 augustus 2017 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

de voogdes.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[vader]

de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen;

- het e-mailbericht van 20 oktober 2017 van de zijde van de jeugdbeschermer van Stichting Jeugdbescherming west.

Op 23 oktober 2017 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de heer [naam] jeugdbeschermer, namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;

  • -

    de minderjarige [minderjarige] , bijgestaan door mevrouw [naam] alsmede bijgestaan door een tolk, de heer [naam] .

Blijkens het door de rechtbank geraadpleegde systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen heeft de vader geen hier te lande bekende woon- of verblijfplaats. De vader is openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de Staatscourant van

11 oktober 2017, nr. 58486. De vader is evenwel niet ter zitting verschenen.

[naam minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om ook in raadkamer zijn mening kenbaar te maken aan de rechter. [naam minderjarige] heeft bij aanvang van de zitting aangegeven dat hij hier geen behoefte aan heeft.

Feiten

- De vader en de moeder, [moeder] hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Verenigde Arabische Emiraten.

- De moeder is overleden.

- De huidige woon- of verblijfplaats van de vader is onbekend.

- Blijkens de uittreksels uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben de vader en [naam minderjarige] beiden in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. [naam minderjarige] is hiernaast ook Brits Burger.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 4 mei 2017 is Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland belast met de voorlopige voogdij over [naam minderjarige] van 4 mei 2017 tot 21 juli 2017.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juli 2017 is Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland benoemd tot voogdes over [naam minderjarige] .

Verzoek en verweer

Stichting Jeugdbescherming west verzoekt – uitvoerbaar bij voorraad – op grond van artikel 1:306 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toestemming te verlenen om [minderjarige] te plaatsen buiten Nederland.

De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van [naam minderjarige] blijkens het uittreksel uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het voorliggende verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Op grond van artikel 1:306 BW mag een gecertificeerde instelling een hem toevertrouwde minderjarige niet zonder toestemming van de rechter buiten Nederland plaatsen. De rechter verleent deze toestemming slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.

Stichting Jeugdbescherming west is van mening dat het voor [naam minderjarige] wenselijk is om buiten Nederland – bij zijn familie in Engeland – geplaatst te worden. Jeugdbescherming west voert hiertoe het volgende aan. [naam minderjarige] heeft een belast verleden waarin hij ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. De moeder van [naam minderjarige] is overleden toen hij zeven jaar was. Vanaf dat moment heeft [naam minderjarige] met zijn vader een zwervend bestaan geleid, onder andere in [plaatsnaam] (Maleisië). [naam minderjarige] is gedurende deze tijd verwaarloosd, heeft geen onderwijs gevolgd en kende voornamelijk onzekerheid. Door een interventie van zijn Nederlandse familie verblijft [naam minderjarige] sinds 12 april 2017 in Nederland. Jeugdbescherming west is vervolgens betrokken geraakt in het kader van de voogdijmaatregel. In Nederland is hulpverlening opgestart en gewerkt aan de toekomst van [naam minderjarige] . [naam minderjarige] heeft na contact met en bezoeken aan zijn familie in Engeland het gevoel dat het goed is om in Engeland te gaan wonen. Hij voelt zich daar thuis en vrij en heeft het gevoel dat hij daar zijn leven verder op kan bouwen. Tijdens een netwerkoverleg op 10 augustus 2017 is met [naam minderjarige] , de familie uit Engeland en Nederland en alle betrokken hulpverleners hierover gesproken. Uit dit overleg is gebleken dat de mogelijkheden voor [naam minderjarige] om zich bij zijn familie in Engeland te vestigen goed zijn. De oom en tante waar [naam minderjarige] in Engeland gaat wonen zijn zeer betrokken en werken mee aan de hulpverlening en (eventueel) onderzoek. Zij hebben ook voldoende woonruimte en financiële middelen om voor hem te zorgen. Gelet op deze uitkomst is er besloten om uitvoering te geven aan de wens van [naam minderjarige] en de voogdij vanuit Nederland te blijven voeren. Het netwerk heeft vervolgens afspraken gemaakt over hun onderlinge afstemming en de hulpverleners in Nederland stellen rapportages samen ter overdracht aan hun collega’s in Engeland.

De jeugdbeschermer heeft in zijn e-mailbericht van 20 oktober 2017 en ter zitting aangegeven dat er ook contact is gelegd met de Centrale Autoriteit in Nederland en de Centrale Autoriteit in Engeland ten aanzien van de vraag of de bevoegde autoriteiten in Engeland ook instemmen met de plaatsing van [naam minderjarige] aldaar.

[naam minderjarige] heeft tijdens de zitting verteld dat hij zich thuis voelt bij zijn familie in Engeland. Hij voelt zich daar gelukkig en ervaart een sterkere en warmere band met hen dan met zijn familie in Nederland. [naam minderjarige] verblijft nu al bij zijn oom en tante en wil graag bij hen blijven wonen. Sinds september 2017 gaat [naam minderjarige] in Engeland naar school en hij verwacht over een jaar door te kunnen stromen naar de universiteit.

De vader heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [naam minderjarige] wenselijk is dat hij bij zijn oom en tante in Engeland kan blijven wonen. De rechtbank overweegt hierbij dat [naam minderjarige] een zeer betrokken netwerk heeft in Engeland, bestaande uit familie en vrienden van wijlen zijn moeder – waaronder mevrouw [naam] – die hem hebben opgevangen. Samen met de in Nederland betrokken hulpverlening heeft dit netwerk al veel (praktische) zaken voor [naam minderjarige] geregeld. Zij hebben onder andere [naam minderjarige] aangemeld bij de instanties in Engeland, er is onderwijs voor hem geregeld en ervoor gezorgd dat hij – wanneer nodig – terecht kan bij een tandarts en een dokter. Voorts ondersteunen mevrouw [naam] en andere familieleden [naam minderjarige] financieel. [naam minderjarige] verblijft bovendien al bij zijn oom en tante en gaat sinds september 2017 in Engeland naar school, waar hij het naar zijn zin heeft. Kortom, in samenspraak met de betrokken instanties, familie/netwerk en [naam minderjarige] is er een weloverwogen keus gemaakt om [naam minderjarige] zijn toekomst in Engeland te laten opbouwen, wat – volgens alle betrokkenen – goed gaat. Voor hem is een beurs verkregen voor een college die per 1 september 2017 van start is gegaan en waar [naam minderjarige] , die in december achttien jaar zal worden en aan wie al ruim 10 jaar scholing is onthouden, onderwijs krijgt om zijn middelbare school diploma te behalen.

De rechtbank merkt hierbij nog het volgende op. Artikel 56 Brussel II-bis regelt de samenwerking tussen rechters en Centrale Autoriteiten in die gevallen waarin de rechter uit de ene lidstaat overweegt een kind te plaatsen in een instelling of in een pleeggezin in een andere lidstaat. In dit soort situaties dient er eerst overleg plaats te vinden met de Centrale Autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van die lidstaat én mag de beslissing over de plaatsing slechts worden genomen indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat – in dit geval Engeland – heeft ingestemd met de plaatsing. De rechtbank heeft van de jeugdbeschermer begrepen dat er contact is gelegd met de Centrale Autoriteit in Nederland en de Centrale Autoriteit in Engeland en dat er een onderzoek wordt, dan wel is, uitgezet bij de bevoegde lokale instantie in Engeland. De rechtbank ziet in dit uitzonderlijke geval – de procedure via de Centrale Autoriteit loopt, [naam minderjarige] verblijft momenteel al in Engeland én hij wordt op 9 december 2017 achttien jaar – geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van een definitief bericht van de bevoegde autoriteiten uit Engeland dat zij (op grond van artikel 56 Brussel II-bis) instemmen met de plaatsing.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank Stichting Jeugdbescherming west dan ook toestemming verlenen om [naam minderjarige] buiten Nederland, te weten Engeland, te plaatsen.

De rechtbank zal aldus beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

verleent de voogdes, Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, toestemming om de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Verenigde Arabische Emiraten), buiten Nederland – te weten Engeland – te plaatsen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, tevens kinderrechter, bijgestaan door

mr. M. Verkerk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2017.