Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13670

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
NL17.9138
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt niet dat de situatie van Hazara’s zodanig is verslechterd dat eiser enkel vanwege zijn etniciteit een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. De door eiser overgelegde informatie, waaronder het rapport van Amnesty International van 5 oktober 2017 waarin wordt opgeroepen tot een vertrekmoratorium, geeft verder geen aanleiding voor het oordeel dat in Afghanistan sprake is van een 15c-situatie. Uit informatie van UNAMA volgt niet dat sprake is van een aanmerkelijke verslechtering in het aantal burgerslachtoffers.

In de uitspraak wordt verwezen naar EHRM van 11 juli 2017 (E.P. en A.R. tegen Nederland, zaaknummers 43538/11 en 63104/11, http://hudoc.echr.coe.int), waarin is overwogen dat dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan niet zodanig is dat sprake is van een 15c-situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9138


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Jonker),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.E. Jasper).


Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9139, plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Mirzad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [1999] .

2. Eiser heeft eerder, op 18 december 2015, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft daaraan, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat zijn ouders zijn ontvoerd en vermoord door de Taliban, dat hij is opgevoed door zijn oom maar ruzie kreeg over landbouwgrond, dat zijn oom heeft geprobeerd hem te vermoorden en dat hij met hulp van zijn oom Afghanistan kon verlaten. Bij beluit van 30 maart 2016 is de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw, omdat het asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. Bij uitspraak van 25 april 2016 van deze rechtbank is het beroep ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 24 mei 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ongegrond verklaard. Daarmee is het besluit van 30 maart 2016 in rechte komen vast te staan.

3. Eiser heeft op 25 april 2017 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij de volgende elementen ten grondslag gelegd:

- Eiser kampt met psychische problemen;

- Er is sprake van nieuwe gebeurtenissen in de geboortestreek van eiser;

- Eiser wil tijdens zijn huidige procedure het werkelijke verhaal met betrekking tot zijn familie en met betrekking tot de reden van zijn vlucht uit Afghanistan naar voren brengen. Eiser is geruime tijd seksueel misbruikt.

4. Verweerder heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en de aanvraag daarom afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Ten aanzien van het eerste element overweegt verweerder dat het feit dat eiser lijdt aan stemmingswisselingen en suïcidaliteit geen omstandigheid is die leidt tot een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De behandeling voor de psychische klachten is afgerond, zodat het uitblijven van behandeling geen gevolgen zal hebben.

Ten aanzien van het tweede element overweegt verweerder dat in de leefomgeving van eiser, de Hazara’s in de meerderheid zijn. De geweldsincidenten waar eiser op wijst, deden zich met name voor in de Ghorband vallei en niet in het district Surkhi Parsa waaruit eiser afkomstig is. Omdat de ouders van eiser nog in leven zijn, heeft hij een sociaal netwerk. Dat in de Ghorband vallei sprake zou zijn van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn; hierna: 15c-situatie) is niet relevant, omdat eiser uit Surkhi Parsa komt. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn woonomgeving het risico loopt om geronseld te worden. Eiser heeft eerder zonder documenten kunnen reizen, dus niet valt in te zien waarom hij dat nu niet zou kunnen.

Ten aanzien van het derde element overweegt verweerder dat er geen aanknopingspunten zijn voor een verschoonbare reden om het eerder niet naar voren brengen van het huidige asielrelaas te rechtvaardigen, temeer daar zijn gestelde broer is overleden op 28 april 2016. Eiser heeft eerder aantoonbaar niet de waarheid gesproken. Hij is dus in staat en bereid om niet naar waarheid te verklaren.

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende aandacht heeft gehad voor zijn medische omstandigheden en voor zijn jonge leeftijd tijdens zijn eerste asielprocedure. Zijn medische problemen zijn later verergerd. Hij heeft suïcidepogingen ondernomen en een opname in een psychiatrische instelling moeten ondergaan. Zijn jongere broertje heeft in Nederland zelfmoord gepleegd. Bovendien heeft eiser een voor hem zeer beschamend asielrelaas waarover hij pas later heeft kunnen verklaren. Verweerder pakt de asielaanvraag zeer formalistisch op door te stellen dat eiser eerder heeft gelogen, terwijl Nidos heeft aangegeven dat eiser grote moeite heeft gehad met het vertellen van het werkelijke verhaal vanwege schaamte, culturele verschillen, vermijding, PTSS en depressieve klachten. Dit moet worden aangemerkt als een deskundigenbericht. Eiser verwijst verder naar een artikel van Geertje Kindermans, waarin wordt benoemd hoe moeilijk het voor slachtoffers is om over het misbruik te praten, laat staan voor kinderen. Besproken wordt dat klachten als depressie, PTSS en suïcidaliteit kunnen ontstaan. Dit zijn precies de klachten die eiser ook heeft. Vermijding speelt ook een heel grote rol. Dat is precies wat eiser ook naar voren heeft gebracht.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiser conform het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C2/4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft afgewezen als niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden besloten de aanvraag niet inhoudelijk te toetsen. Eiser heeft aan deze aanvraag een ten opzichte van de eerdere aanvraag geheel nieuw asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft echter niet onderbouwd dat hij tijdens zijn eerdere asielprocedure niet in staat was om hierover te kunnen verklaren. Nidos is een voogdijinstelling en dus deskundig op dat gebied. Niet is gebleken dat de deskundigheid van de jeugdbeschermer die de brief van 23 april 2017 heeft geschreven deskundig is ten aanzien van het beoordelen of eiser al dan niet in staat was over zijn nu gestelde asielrelaas te verklaren. Gelet hierop is de brief van Nidos van 23 april 2017 niet te beschouwen als een deskundigenbericht. Het artikel van Geertje Kindermans, waar eiser naar heeft verwezen, is een algemeen artikel dat niet op de situatie van eiser is toegespitst. Eiser heeft niet met andere, medische stukken onderbouwd dat hij eerder niet over zijn nu gestelde asielrelaas heeft kunnen verklaren. Dit is ook niet uit de destijds gehouden gehoren naar voren gekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens zijn eerdere asielprocedure niet over zijn gestelde asielrelaas heeft kunnen verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert verder aan dat hij als Hazara in Parwan tot een minderheid behoort en daar een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Met Ghorband en Surkhi Parsa bedoelt eiser hetzelfde. Verweerder is verder onvoldoende ingegaan op wat in de zienswijze onderbouwd naar voren is gebracht omtrent de veiligheidssituatie in Afghanistan en de mogelijkheden om terug te keren. Eiser heeft daarbij onder andere verwezen naar het rapport ‘Forced back to danger. Asylum-seekers returned from Europe to Afghanistan’ van Amnesty International van 5 oktober 2017. Ook gaat verweerder niet in op het concrete punt dat het reizen in Afghanistan, met name over de ‘death roads’, zeer gevaarlijk is.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Hazara in Parwan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Uit de door hem overgelegde landeninformatie blijkt niet dat de situatie voor Hazara's op relevante wijze is verslechterd. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat uit die informatie niet volgt dat de Hazara’s vanwege hun etniciteit een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1413), naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 5 juli 2016 (A.M. tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2016:0705JUD002909409) en naar de beslissing van het EHRM van 11 juli 2017 (E.P. en A.R. tegen Nederland, zaaknummers 43538/11 en 63104/11, http://hudoc.echr.coe.int). Uit deze rechtspraak volgt bovendien dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan niet zodanig is dat sprake is van een 15c-situatie. De door eiser overgelegde landeninformatie, waaronder het rapport van Amnesty International van 5 oktober 2017 waarin wordt opgeroepen tot een vertrekmoratorium, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit de voorhanden zijnde informatie omtrent het aantal burgerslachtoffers volgt niet dat in 2016 en de eerste helft van 2017 sprake was van een aanmerkelijke verslechtering van de veiligheidssituatie, als die cijfers worden afgezet tegen de cijfers over 2014 en 2015. Uit gegevens van de United Nations Assistance Mission in Afghanistan (UNAMA) blijkt dat na een stijging van het aantal dodelijke burgerslachtoffers in 2014 tot 3701, in 2015 en 2016 sprake was van een daling. Wel nam het aantal burgergewonden in 2015 en 2016 toe. Verder blijkt uit de informatie van UNAMA dat het aantal burgerdoden en -gewonden in het eerste helft van 2017 vrijwel hetzelfde was als in de eerste helft van 2016. De rechtbank verwijst naar het rapport ‘2016 Annual Report on the Protection of Civilians in Armed Conflict in Afghanistan’ van UNAMA uit februari 2017 (https://unama.unmissions.org/sites/default/files/protection_of_civilians_in_armed_conflict_annual_report_2016_final280317.pdf) en het rapport ‘Protection of Civilians in Armed Conflict: Midyear Report’ van UNAMA uit juli 2017 (https://unama.unmissions.org/sites/default/files/protection_of_civilians_in_armed_conflict_midyear_report_2017_july_2017.pdf). Uit deze informatie volgt weliswaar dat de situatie in Afghanistan onverminderd zorgwekkend is, maar niet dat sprake is van een dermate hoge mate van willekeurig geweld in Afghanistan dat aangenomen dient te worden dat een burger die daar naartoe terugkeert alleen door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade.

Ook het gegeven dat Duitsland de uitzettingen van Afghanen tijdelijk heeft opgeschort, maakt niet dat aangenomen moet worden dat in Afghanistan sprake is van een 15c-situatie. Verweerder heeft zich tot slot terecht op het standpunt gesteld dat de vraag via welke route eiser daar kan komen, in het kader van de beoordeling van eisers asielaanvraag niet aan de orde is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 12 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1040). Deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.A. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.