Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13587

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 584
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdwet. Hulpvraag voldoende vastgesteld. Onvoldoende onderzoek naar psychische stoornissen, deskundig onderzoek nodig. Aard/ omvang hulp eveneens onvoldoende onderzocht, bijzondere situatie: eenoudergezin, moeder werkt niet, eerder wel toereikend pgb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/29.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/584

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. A.C. den Brok).

Procesverloop

Op 28 april 2016 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het treffen van voorzieningen op het gebied van jeugdhulp voor en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar zoon [zoon 1] (hierna: [zoon 1] ).

Bij besluit van 29 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres op grond van de Jeugdwet de maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel toegekend voor twee uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van

1 mei 2016 tot en met 30 april 2017.

Bij besluit van 20 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen F.D. Duque Msc, gedragswetenschapper (Sociaal Team).

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. [zoon 1] , geboren op [geboortedatum] 1999, is gediagnosticeerd met ADD (een concentratiestoornis), zijn totale IQ is vastgesteld op 92 en voorts is sprake van dyscalculie. Vanwege deze problematiek ervaart hij beperkingen in het dagelijks leven en vraagt hij veel extra aandacht binnen de opvoeding. Eiseres waarborgt de begeleiding en zorg voor [zoon 1] . Eiseres ontving een pgb voor begeleiding individueel op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) voor 2 tot en met 3,9 uur per week.

1.2.

Per 1 januari 2015 valt de jeugdhulpvraag van [zoon 1] onder de Jeugdwet en onder de verantwoordelijkheid van verweerder. Eiseres heeft op 2 februari 2016 een melding bij verweerder gedaan en aangegeven dat zij behoefte heeft aan ondersteuning op grond van de Jeugdwet. Gelet hierop heeft op 15 maart 2016 een gesprek plaatsgevonden, met als doel de situatie van [zoon 1] in kaart te brengen en de mogelijkheden binnen het eigen netwerk te inventariseren. Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerder samen met eiseres een ondersteuningsplan opgesteld. Hierin is door verweerder opgenomen dat [zoon 1] aanspraak kan maken op twee uur begeleiding individueel per week. Het ondersteuningsplan is door eiseres op 28 april 2016 ondertekend, waarbij zij heeft aangetekend niet akkoord te gaan met de genoemde omvang van de indicatie. Het ondertekende ondersteuningsplan is door verweerder als aanvraag aangemerkt.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres een pgb voor jeugdhulp toegekend voor de maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel gedurende twee uur per week, op basis van het tarief voor informele zorgverlening (€ 20,- per uur). Het pgb wordt toegekend voor de periode van 1 mei 2016 tot en met 30 april 2017.

3. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft verweerder een second opinion aangevraagd bij de MO-zaak. In het advies van de MO-zaak van 25 oktober 2016 is vermeld dat in de situatie van [zoon 1] -conform huidige wet- en regelgeving- geen noodzaak bestaat voor een individuele voorziening voor Begeleiding Individueel in de thuissituatie, zodat hij niet in aanmerking komt voor jeugdhulp. Nu eiseres via de oude Awbz wel recht heeft gehad op zorg en gedurende lange tijd een pgb heeft gekregen, wordt geadviseerd een geleidelijke overgang te creëren en de helft van het aantal uren van de oude indicatie voor de duur van een jaar in de vorm van een pgb toe te kennen. Dit komt neer op twee uur per week. Eiseres dient rekening te houden met een volledige afbouw van het pgb.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres -in navolging van het advies van 6 december 2016 van de Onafhankelijke Commissie voor de Bezwaarschriften (commissie)- ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

5. In beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de door verweerder toegekende maatwerkvoorziening jeugdhulp van twee uur per week begeleiding individueel in de situatie van [zoon 1] niet toereikend is. Eiseres heeft in plaats van minder uren juist meer uren nodig om haar zoon te begeleiden, gelet op de moeizame overstap naar het MBO. Eiseres heeft betoogd dat zij per dag minimaal een uur per dag begeleiding geeft en voorts dat [zoon 1] 24 uur per dag een beroep op iemand moet kunnen doen. Eiseres is hiervoor de aangewezen persoon, maar ziet zich thans gedwongen te gaan werken, gelet op de halvering van het aantal uren pgb. De consequentie hiervan is dat zij niet langer 24 uur per dag beschikbaar kan zijn voor [zoon 1] en de vereiste begeleiding niet kan bieden.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de nieuwe Jeugdwet in werking getreden. Gemeenten zijn met ingang van die datum op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de uitvoering van alle jeugdzorg. Met ingang van eveneens 1 januari 2015 heeft de gemeenteraad van Krimpenerwaard de Verordening jeugdhulp Krimpenerwaard 2015 (Verordening) vastgesteld. Met ingang van 1 mei 2016 geldt de Regeling PGB jeugdhulp Krimpenerwaard 2016, eerste wijziging (Regeling).

6.2.

In artikel 2.3 van de Jeugdwet is het volgende bepaald:

Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

6.3.

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:46 van de Awb bepaalt dat een besluit op een deugdelijke motivering dient te berusten.

7. Tussen partijen is de omvang van de indicatie in geschil. Eiseres heeft verzocht om een voortzetting van de oude indicatie op grond van de Awbz van 4 uur (2 - 3,9 uur) individuele begeleiding per week, en verweerder is tot toekenning van de helft daarvan over gegaan.

7.1.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet beoordeelt verweerder of een jeugdige jeugdhulp nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Ten behoeve hiervan treft verweerder voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt verweerder een deskundige toeleiding naar de aangewezen voorziening. Daarbij houdt verweerder rekening met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouders.

7.2.

Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) volgt uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.

7.3.

De rechtbank overweegt dat op grond van de voormelde uitspraak van de CRvB er kortweg vijf stappen zijn die verweerder bij de beoordeling van een aanvraag om een jeugdhulpvoorziening dient te onderscheiden en doorlopen. De rechtbank zal hierna op de verschillende stappen ingaan, voor zover aan de bespreking daarvan kan worden toegekomen.

Vaststelling jeugdhulpvraag

7.4.

In de eerste plaats dient verweerder de jeugdhulpvraag vast te stellen. Verweerder heeft de hulpvraag van [zoon 1] vastgesteld aan de hand van het gesprek dat op 5 maart 2016 tussen eiseres en het Sociaal Team van verweerder (jeugdconsulenten E. de Rooijen en F.D. Duque) heeft plaatsgevonden. In dit gesprek heeft eiseres onder meer de problematiek van [zoon 1] uiteengezet. Op grond van het gesprek is een ondersteuningsplan opgesteld, waarin onder het kopje ‘integrale vraaganalyse’ een samenvatting wordt gegeven van de door eiseres genoemde problematiek van [zoon 1] en de daarmee gemoeide hulpvraag. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee in voldoende mate de jeugdhulpvraag heeft vastgesteld.

Vaststelling opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen

7.5.

Volgens eerdergenoemde uitspraak van de CRvB moet de rechtbank zich er vervolgens van vergewissen of verweerder in voldoende mate in kaart heeft gebracht of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dit zijn. De rechtbank oordeelt dat hiervan geen sprake is. Verweerder heeft voor de vaststelling van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen van [zoon 1] verwezen naar hetgeen in het ondersteuningsplan is opgenomen, alsmede naar het in bezwaar door de Indicatieadviseur Stichting De MO-zaak opgestelde advies van 25 oktober 2016. In beide stukken is de problematiek van [zoon 1] uiteengezet. Daarbij is echter alleen gebruik gemaakt van datgene wat eiseres naar voren heeft gebracht. Dat blijkt uit het ondersteuningsplan, en evenzeer uit de second opinion van de MO-zaak. Noch de jeugdconsulent, noch de indicatieadviseur heeft [zoon 1] zelf gezien. De rechtbank stelt verder vast dat zich in het dossier geen medische informatie bevindt. [zoon 1] is niet door een arts gezien, er is geen medisch advies gevraagd en evenmin is in meer algemene zin medische informatie bij de behandelend sector opgevraagd. Aldus ligt aan verweerders standpunt geen medisch oordeel over [problematiek van zoon 1] en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten tijde van de melding om jeugdhulp ten grondslag. Verweerder acht dit ook niet noodzakelijk. Verweerder is blijkens het verweerschrift namelijk de overtuiging toegedaan, en de rechtbank citeert: “dat jeugdconsulenten, die immers allemaal SKJ-geregistreerd zijn en in dat kader bijscholing moeten volgen, bij uitstek de jeugdprofessionals zijn met de vereiste deskundigheid om de concrete hulpbehoefte vast te stellen, als sprake is van populaire ziektebeelden met een breed spectrum aan diversiteit, waaronder een brede categorie personen te plaatsen is, zoals ADD. (…) In dit geval is er volgens het college dan ook geen specifieke deskundigheid vereist, buiten het stellen van de diagnose”. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De jeugdconsulent noch de indicatieadviseur zijn immers aan te merken als medisch deskundig, laat staan als specialist op het gebied van (jeugd)psychiatrische stoornissen, zoals onder meer ADD. Bovendien zijn beide adviseurs bij de vaststelling van de problematiek alleen afgegaan op de door eiseres verstrekte informatie, hetgeen de rechtbank onvoldoende acht voor een afgewogen oordeel. Het feit dat volgens verweerder sprake is van een ‘populair ziektebeeld’ waaronder een brede categorie personen is te plaatsen, doet daar niets aan af. Het gaat immers om de individuele vaststelling van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen van [zoon 1] in de fase waarin hij zich ten tijde van het onderzoek bevindt.

Verweerder kon zich derhalve niet baseren op het onderzoek van de jeugdconsulent en de MO-zaak, zoals dit thans aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd. In zoverre voldoet het bestreden besluit niet aan daaraan uit het oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen. Reeds hierom is het beroep gegrond.

Bepaling aard en omvang van de jeugdhulp

7.6.

Ten aanzien van de derde stap in het onderzoeks- en beoordelingskader overweegt de rechtbank als volgt. Bij het bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige dient te worden uitgegaan van de eerder vastgestelde jeugdhulpvraag (stap één). Het ondersteuningsplan noch de rapportage van de MO-zaak maakt inzichtelijk welke hulp voor [zoon 1] bij de gestelde hulpvraag naar aard en omvang nodig is. Het ondersteuningsplan bevat slechts een lijstje met ‘Zorgen’ en “Eerste doelen en afspraken’. De MO-zaak noemt enkele ‘Doelen’ voor de korte en lange termijn. Die beide inventarisaties zijn onvoldoende om de aard, maar ook de omvang, van de hulp vast te kunnen stellen die nodig is om [zoon 1] in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.

Uit het ondersteuningsplan blijkt verder dat verweerder als onderdeel van de analyse van de jeugdhulpvraag heeft meegenomen dat eiseres -als moeder van [zoon 1] - bewust niet werkt en dat sprake is van een éénoudergezin, vanwege het overlijden van de vader van [zoon 1] . Onder het kopje ‘integrale vraaganalyse’ staat vermeld, en de rechtbank citeert: “Moeder werkt bewust niet. Moeder benoemt dat er teveel onvoorziene omstandigheden zijn om te kunnen werken. Moeder geeft aan voor [zoon 1] beschikbaar te moeten zijn. Moeder benoemt dat het met haar zoon [zoon 2] niet goed is gegaan. Hij heeft verkeerde dingen gedaan en ging met verkeerde mensen om. Moeder heeft de angst dat het ook fout gaat met [zoon 1] en wil hem hiervoor behoeden”. Ook de MO-zaak benoemt de financiële situatie van moeder, waar wordt gerapporteerd dat het pgb toereikend is. Dat verweerder een en ander in de situatie van [zoon 1] als onderdeel van de jeugdhulpvraag heeft meegenomen (éénoudergezin, waarbij moeder niet werkt, toereikend pgb), houdt ook in dat in het vervolg van de beoordeling niet kan worden volstaan met de overweging dat het belang van eiseres om te voorzien in een inkomen niet meegewogen hoeft te worden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden om zelf te voorzien in de nodige hulp. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt evenmin toereikend is gemotiveerd. Ook hierom is het beroep gegrond.

8. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder in strijd met de artikelen 7:12 en 3:2 van de Awb onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan zijn onderzoeks- en motiveringsplicht. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

9. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank niet beschikt over de feitelijke gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal geen bestuurlijke lus toepassen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden, gelet op het nog te verrichten onderzoek in deze zaak. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Een nieuw besluit op bezwaar dient in elk geval mede gebaseerd te worden op deugdelijk onderzoek, waarbij ook de medische situatie voldoende wordt betrokken. Ook zal verweerder gemotiveerd moeten onderbouwen hoe in het geval van [zoon 1] rekening is gehouden met het feit dat sprake is van een éénoudergezin, waarbij moeder niet werkt en of hij met de gestelde indicatie voldoende wordt gecompenseerd voor zijn individuele jeugdhulpvraag. De rechtbank zal verweerder voor de nieuw te nemen beslissing geen termijn stellen ( [zoon 1] is inmiddels 18 en krijgt sinds zijn 18e verjaardag vanuit de Wmo wel voldoende adequate zorg, aldus eiseres ter zitting), maar brengt uitdrukkelijk onder de aandacht dat verweerder blijkens de Memorie van Toelichting behorende bij artikel 8:72 van de Awb gehouden is de nieuwe beslissing zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te nemen en dat daarbij in elk geval met bijzondere voortvarendheid dient te worden gehandeld.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Breda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.