Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13556

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
C-09-529572-HA ZA 17-333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Misdragingen Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1947. Eisers stellen dat hun vaders onrechtmatig geëxecuteerd zijn. Het verjaringsverweer van de Staat wordt gehonoreerd.

De vorderingen waren ogv de ‘Verjaringswet’ van 31 oktober 1924, Stb. 482 op 31 december 1952 verjaard. Bij beantwoording van de vraag of het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoekt de rechtbank, net als in eerdere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1947-1949 aansluiting de bij de gezichtspunten zoals geformuleerd in het arrest HR 28 april 2000, NJ 2000, 430. Net als in eerdere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1946-1949, acht de rechtbank het bij de toepassing van gezichtspunt g passend om de redelijke termijn waarbinnen aansprakelijkstelling dient plaats te vinden en een vordering tot schadevergoeding dient te zijn ingesteld te laten aanvangen op het moment waarop de eisers daadwerkelijk op de hoogte waren van de mogelijkheid om de Staat aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken. Eisers zijn in 2013 daarvan op de hoogte geraakt.

De rechtbank gaat niet mee in het betoog van eisers dat het toen voor hen geen zin had een vordering in te stellen, omdat in het vonnis in de Rawagedeh-zaak (ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793) was overwogen dat een beroep van de Staat op verjaring jegens de kinderen zal wel kunnen slagen. Dat werd volgens eisers anders toen deze rechtbank in het vonnis van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:2442) overwoog dat er geen grond is om bij een beroep op verjaring in deze gevallen onderscheid te maken tussen weduwen en kinderen. De rechtbank oordeelt dat het te ver voert om op basis van het vonnis in de Rawagedeh-zaak tot maart 2015 te spreken van een ‘hypothetische mogelijkheid’ om een vordering in te stellen. Het zou in strijd met de rechtszekerheid zijn om de aanvang van de in gezichtspunt g bedoelde termijn afhankelijk te laten zijn van het tijdstip waarop een procedure tegen de Staat naar de inschatting van eisers voldoende kans van slagen heeft.

Met de in december 2016 uitgebrachte dagvaarding is de redelijke termijn als bedoeld in gezichtspunt g overschreden. Dat leidt ertoe dat het beroep op verjaring van de Staat slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0898
AR 2017/6160
NJF 2018/49
RAV 2018/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zaaknummer / rolnummer: C/09/529572 / HA ZA 17-333

Vonnis van 22 november 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende in het dorp [dorp 1] ( [… 1] ), Indonesië,

2. [eiser sub 2] ,

wonende in het dorp [dorp 2] ( [… 2] ), Indonesië,

3. [eiser sub 3] ,

wonende in het dorp [dorp 3] ( [… 3] ), Indonesië,

4. [eiser sub 4] ,

wonende in het dorp [dorp 4] ( [… 3] ), Indonesië,

5. [eiser sub 5] ,

wonende in het dorp [dorp 5] ( [… 3] ), Indonesië,

6. [eiser sub 6] ,

wonende in het dorp [dorp 6] ( [… 3] ), Indonesië,

7. [eiser sub 7] ,

wonende in het dorp [dorp 7] ( [… 4] ), Indonesië,

8. [eiser sub 8] ,

wonende in de wijk [wijk] ( [… 3] ), Indonesië,

9. [eiser sub 9] ,

wonende in het dorp [dorp 6] ( [… 3] ), Indonesië,

10. [eiser sub 10] ,

wonende in het dorp [dorp 8] ( [… 2] ), Indonesië,

11. [eiser sub 11] ,

wonende in het dorp [dorp 3] ( [… 3] ), Indonesië,

12. [eiser sub 12] ,

wonende in het dorp [dorp 3] ( [… 3] ), Indonesië,

13. [eiser sub 13] ,

wonende in het dorp [dorp 9] ( [… 3] ), Indonesië,

14. [eiser sub 14] ,

wonende in het dorp [dorp 6] ( [… 3] ), Indonesië,

15. [eiser sub 15] ,

wonende in het dorp [dorp 10] ( [… 3] ), Indonesië,

eisers,

advocaat: mr. L. Zegveld te Amsterdam,

behandelend advocaten: mr. L. Zegveld en mr. A. Vossenberg te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. K. Teuben te Den Haag,

behandelend advocaten: mr. K. Teuben en mr. R.S.I. Lawant te Den Haag.

Partijen zullen hierna eisers en de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 december 2016, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 29 mei 2017 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    het voorstel van partijen voor een afwijkende procesvoering;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van eisers over het beroep van de Staat op verjaring;

  • -

    het tussenvonnis van 20 september 2017;

  • -

    de akte van de Staat.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Japan de toenmalige Nederlandse kolonie Nederlands-Indië bezet. Na de capitulatie van Japan hebben de nationalistische leiders Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de Republiek Indonesië uitgeroepen. Nederland heeft de Republiek Indonesië toen niet erkend. Op 27 december 1949 heeft Nederland de soevereiniteit over Nederlands-Indië overgedragen aan de Republiek Indonesië.

2.2.

De tussengelegen periode van 17 augustus 1945 tot 27 december 1949 was in Nederlands-Indië een chaotische tijd, waarin misdragingen hebben plaatsgevonden enerzijds van Indonesiërs gericht tegen Nederlanders en Nederlandsgezinde Indonesiërs en anderzijds van eenheden van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (hierna: het KNIL) en/of Nederlandse legereenheden gericht tegen Indonesiërs.

2.3.

In de loop van 1946 werd het nationalistische verzet in Zuid-Celebes omvangrijker en gewelddadiger. De toen aanwezige KNIL-eenheden waren niet in staat om de rust en orde te herstellen. Daarom heeft het toenmalige Nederlands-Indische bestuur in december 1946 de staat van oorlog afgekondigd voor Zuid-Celebes. Ook is toen besloten om het Departement Speciale Troepen (een KNIL-onderdeel, hierna: het DST) onder leiding van kapitein Raymond Westerling naar Zuid-Celebes te zenden, met de opdracht om Zuid-Celebes te ‘zuiveren’ van nationalistische opstandelingen die zich aan ernstige terreurdaden schuldig hadden gemaakt. Dit om de rust en orde onder Nederlands koloniaal gezag op Zuid-Celebes te herstellen.

2.4.

Het DST is op 5 december 1946 aangekomen op Zuid-Celebes in de hoofdstad Makassar. Het DST en andere onderdelen van het KNIL hebben daarna van december 1946 tot en met april 1947 ‘zuiveringsacties’ uitgevoerd in de regio Zuid-Celebes, waarbij telkens ‘standrechtelijke executies’ hebben plaatsgevonden van mannen die werden verdacht van verboden nationalistische activiteiten en/of terreur. Die executies werden vaak in aanwezigheid van de dorpsbevolking uitgevoerd om zo de nationalistische terreur te breken en gehoorzaamheid, rust en orde af te dwingen. De militairen van het DST en andere onderdelen van het KNIL hadden van de autoriteiten géén richtlijnen meegekregen over de manier waarop de zuiveringen moesten worden uitgevoerd en hebben hun handelen dus steeds naar eigen inzicht bepaald.

2.5.

Vanaf december 1946 bereikten de Nederlands-Indische autoriteiten berichten van misdragingen door Nederlandse militairen bij het uitvoeren van de zuiveringsacties op Zuid-Celebes (het huidige Zuid-Sulawesi), onder meer in de dorpen Kulo en Abbokongang.

2.6.

Omstreeks 5 februari 1947 is opdracht gegeven om de streek Sidenreng Rappang te ‘zuiveren’. De executierondes in dit gebied vonden grotendeels in de maand februari 1947 plaats.

2.7.

Op 22 februari 1947 is besloten om het DST terug te trekken van Zuid-Celebes. Op 4 maart 1947 is het DST daar vertrokken. Daarna, in maart en april 1947, hebben andere KNIL-militairen nog zuiveringsacties uitgevoerd op Zuid-Celebes.

2.8.

In 1947 is de zogenoemde commissie-Enthoven ingesteld om een onderzoek in te stellen naar “de oorzaken, de omvang en verschijningsvorm van de ongeregeldheden die gedurende het tijdvak December 1946-Februari 1947 in Zuid-Celebes hebben plaats gevonden en de maatregelen en acties die hebben gevoerd tot het herstel van orde en rust in het betrokken gebied, gezien in verband met alle omstandigheden die daarop van invloed zijn geweest”. De commissie-Enthoven concludeerde in 1948 in haar rapport, dat bij het militair optreden in Zuid-Celebes sprake was geweest van een aantal misdragingen, maar dat dit optreden verder gezien moest worden als de geboden uitoefening van de bevoegdheid van de overheid tot herstel van recht en veiligheid in de noodtoestand die was ontstaan. Het rapport is niet gepubliceerd maar ter vertrouwelijke kennisname voor de leden van de Eerste en de Tweede Kamer ter griffie gedeponeerd.

2.9.

Nadat in 1949 strafrechtelijk onderzoek was ingesteld tegen vier leidinggevende Nederlandse militairen op verdenking van het plegen van strafbare feiten bij het militair optreden op Zuid-Celebes, is eind 1954 definitief besloten om deze militairen niet (verder) te vervolgen.

2.10.

In 1954 hebben C. Van Rij en W.H.J. Stam in hun “Rapport betreffende de Zuid-Celebeszaak” geconcludeerd dat de handelingen van de militaire actieleiders bij de zuiveringen niets met rechtspraak te maken hadden, maar gekwalificeerd moeten worden als “tegenterreur”. Het voeren van tegenterreur is onder alle omstandigheden afkeurenswaardig, aldus Van Rij en Stam, die verder vaststellen dat het niet mogelijk is uit de stukken ook maar enigermate tot een juiste opstelling van het aantal slachtoffers van deze tegenterreur te komen.

2.11.

Na nieuwe meldingen in de Nederlandse pers en politiek over ook andere in de jaren 1945-1949 in het gehele toenmalige Nederlands-Indië gepleegde misdragingen, is daarover in juni 1969 in opdracht van de Nederlandse regering de zogenoemde Excessennota uitgebracht. Bijlage 2 daarvan bevat een rapport met bijlagen over de toen zogenoemde “Zuid-Celebesaffaire”. Hierin staat onder meer vermeld: “De drastische middelen die het detachement bij de uitvoering van deze opdracht heeft toegepast, vielen buiten het kader van een normale militaire actie.” In juli 1969 heeft de Tweede Kamer na debat de Excessennota 1969 “voor kennisgeving aangenomen”.

2.12.

Bij de jaarlijkse herdenking in Jakarta van het uitroepen van de Republiek Indonesië heeft de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Bot op 16 augustus 2005 in een toespraak onder meer verklaard dat Nederland zich achteraf bezien “met de grootschalige inzet van Nederlandse militairen in 1947 aan de verkeerde kant van de geschiedenis heeft geplaatst”. Daarbij heeft hij namens de Nederlandse regering diepe spijt betuigd voor het daardoor bij een groot aantal Indonesiërs veroorzaakte leed.

2.13.

In haar vonnis van 14 september 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793) heeft deze rechtbank (samengevat en voor zover nu van belang) geoordeeld dat het door de Staat gedane beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is jegens zeven weduwen van in 1949 in Rawagedeh (op Java) geëxecuteerde mannen (hierna: de zaak Rawagedeh). De rechtbank heeft geoordeeld dat de Staat aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de aan hem toe te rekenen onrechtmatige daden. De omvang van deze schade moest nader worden bepaald in een schadestaatprocedure.

2.14.

Tegen voormeld vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Evenmin is een schadestaatprocedure gevolgd. Na onderhandelingen heeft de Staat in 2011 en in 2012 aan weduwen van in Rawagedeh standrechtelijk geëxecuteerde mannen zijn excuses aangeboden en schikkingsbedragen betaald van € 20.000 per weduwe.

2.15.

Op 26 april 2013 heeft de Staat besloten om in navolging van de schikkingen met de weduwen van in Rawagedeh standrechtelijk geëxecuteerde mannen ook claims van weduwen van in Zuid-Sulawesi standrechtelijk geëxecuteerde mannen “zorgvuldig te willen afhandelen” en ook met hen zo mogelijk een schikking te willen treffen.

2.16.

De Nederlandse ambassadeur in Jakarta De Zwaan heeft op 12 september 2013 in een toespraak namens de Staat excuses gemaakt aan alle Indonesische weduwen en in het bijzonder aan die van Zuid-Sulawesi. De toen door hem aangekondigde “regeling van de Nederlandse regering” is op 10 september 2013 gepubliceerd in de Staatscourant met nummer 25383. Die regeling draagt de titel “Bekendmaking van de Minister van Buitenlandse zaken en de Minister van Defensie van 10 september 2013 (…) van de contouren van een civielrechtelijke afwikkeling ter vergoeding van schade aan weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies in het voormalige Nederlands-Indië van vergelijkbare ernst en aard als Rawagedeh en Zuid Sulawesi (hierna: de Bekendmaking).

2.17.

In de Bekendmaking staat dat de Staat ervoor heeft gekozen om te bezien of met claimanten die zich aantoonbaar in een gelijke positie bevinden als de weduwen van Rawagedeh en Zuid-Sulawesi tot een minnelijke regeling kan worden gekomen. Daarbij is (en blijft) voor de Staat uitgangspunt dat de vorderingen van deze claimanten jegens de Staat zijn verjaard. De Staat is in deze gevallen echter bereid om de vorderingen uit onrechtmatige daad van deze groep claimanten in der minne te regelen door middel van het sluiten van een privaatrechtelijke vaststellingsovereenkomst met een schikkingsbedrag van € 20.000 per weduwe, inclusief alle kosten. Daartoe moet vóór 11 september 2015 een verzoek zijn ingediend. In de Bekendmaking staan de voorwaarden aan de hand waarvan wordt bepaald welke personen daarvoor in aanmerking kunnen komen. In de Bekendmaking staat verder dat de contouren die bepalen wie in aanmerking komen voor het sluiten van een vaststellingsovereenkomst – gelet op het zuiver privaatrechtelijke karakter van de vordering van claimanten jegens de Staat en de gekozen oplossing voor afdoening daarvan via het sluiten van een vaststellingsovereenkomst naar burgerlijk recht – geen publiekrechtelijke basis hebben en ook niet bedoeld zijn om hiervoor een publiekrechtelijke basis te vormen. Sinds eind juli 2014 werpt de Staat het overlijden van een claimante niet meer tegen bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst op grond van de Bekendmaking.

2.18.

Gelet op de bijzondere aard van de zaak hebben de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie aanleiding gezien om de indieningstermijn van claims onder de Bekendmaking eerst met twee jaar te verlengen tot 11 september 2017 en daarna opnieuw met twee jaar tot 11 september 2019.

2.19.

Mede naar aanleiding van de studie van de Zwitserse onderzoeker dr. Rémy Limpach over gebruik van geweld in de periode 1945–1949 in toenmalig Nederlands-Indië, getiteld “De brandende kampongs van Generaal Spoor” (Amsterdam: Boom, 2016), heeft het kabinet alsnog besloten tot een breed opgezet onderzoek van de naoorlogse dekolonisatie (inclusief samenleving) en het politiek, bestuurlijk, justitieel en militair optreden in 1945–1949 in voormalig Nederlands-Indië / Indonesië, zowel vanuit Haags als vanuit lokaal (Indonesisch) perspectief. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd door de onderzoeksinstituten Koninklijk Instituut voor Taal-, Land en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) (Kamerstukken II 2016-2017, 26 049, nr. 82).

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht te verklaren dat de Staat jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld en jegens hen aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de Staat;

II de Staat te veroordelen in de immateriële schade van eisers ter hoogte van

€ 30.000;

III de Staat te veroordelen in de materiële schade van eisers, nader op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente primair vanaf 1947, subsidiair vanaf de datum van de dagvaarding;

IV de Staat te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

3.2.

Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat hun vaders in 1947 in Kulo en in Abbokongeng in het district Sidenreng Rappang, Zuid-Sulawesi onrechtmatig zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Zij houden de Staat daarvoor aansprakelijk en vorderen materiële en immateriële schadevergoeding.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

inleiding

4.1.

Eisers stellen allen kind te zijn van mannen die in februari 1947 door het DST of andere KNIL-eenheden zijn geëxecuteerd tijdens de zuiveringsacties die toen werden uitgevoerd in Zuid-Sulawesi in het district Sidenreng Rappang, in de dorpen Kulo en Abbokongang.

bijzondere afspraken over deze procedure

4.2.

De Bekendmaking voorziet enkel in een vergoeding voor weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies in het voormalige Nederlands-Indië. Kinderen van deze slachtoffers vallen buiten de reikwijdte van de Bekendmaking. Zij zijn aangewezen op het voeren van een civielrechtelijke procedure tegen de Staat. Naast deze zaak zijn verschillende zaken aanhangig gemaakt door eisers die stellen kind te zijn van een in 1947-1949 door Nederlandse militairen onrechtmatig geëxecuteerde man. Met inbegrip van de vijftien eisers in deze zaak, zijn vorderingen aanhangig gemaakt van 76 eisers die stellen dan hun vader in 1947-1949 is gedood door Nederlandse militairen. Daarnaast zijn vorderingen van ongeveer 500 van dergelijke eisers aangekondigd.

4.3.

De positie van kinderen van mannen die in 1947-1949 in voormalig Nederlands-Indië zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen is aan de orde gekomen in het vonnis van de rechtbank in de zaak Rawagedeh (vgl. 2.13). Daarin heeft de rechtbank – samengevat en voor zover nu van belang – geoordeeld dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid uitsluitend onaanvaardbaar is jegens de weduwen van de geëxecuteerde mannen, en de mannen die bij de executies gewond zijn geraakt. Een beroep op verjaring jegens de kinderen zal wel kunnen slagen, aangezien “het handelen van de Staat (...) hun (andere) nabestaanden in een volgende generatie in minder directe mate (raakt).

4.4.

De positie van de kinderen van slachtoffers van onrechtmatige executies is voorts aan de orde in zaak C/09/428182 / HA ZA 12-1165. Daarin heeft de rechtbank in haar vonnis van 11 maart 2015 – kort gezegd – overwogen dat het beroep op verjaring van de Staat ten aanzien van de eisers in die zaak die stellen kinderen te zijn van door in voormalig Nederlands-Indië eveneens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Samengevat was de rechtbank van oordeel dat er geen grond bestond om bij de beoordeling van het beroep op verjaring van de Staat onderscheid te maken tussen de weduwen en de kinderen van mannen die in Zuid-Sulawesi onrechtmatig waren geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Deze procedure, waarin een deskundige is benoemd is, loopt nog.

4.5.

Tijdens een op 29 mei 2017 gehouden regiezitting, waarin de voortgang van de lopende procedures over misdragingen van Nederlandse militairen in voormalig Nederlands-Indië is besproken, heeft de Staat kenbaar gemaakt dat hij behoefte heeft aan een oordeel dat hij aan een hogere rechter kan voorleggen over zijn beroep op verjaring ten aanzien van – kort gezegd – de kinderen. Bij die gelegenheid is afgesproken dat partijen in onderling overleg tot een eenstemmig voorstel voor een afwijkende procedure komen in een door hen tezamen geselecteerde zaak. Dat voorstel is in deze zaak gedaan. Het voorstel houdt – kort gezegd – in dat de partijdiscussie in deze zaak vooralsnog beperkt is tot het beroep op verjaring van de Staat. De rechtbank zal daarover oordelen in een appellabel vonnis. Daarna zal de rest van de partijdiscussie worden gevoerd.

4.6.

In de andere zaken van kinderen wordt tot en met de conclusie van antwoord voortgeprocedeerd. Nadat in hoger beroep is geoordeeld over de onderhavige zaak, zal een comparitie na antwoord worden gelast in de andere zaken van kinderen.

4.7.

De rechtbank wijst dit vonnis overeenkomstig het procedurevoorstel van partijen. Dat betekent dat dit vonnis beperkt is tot het beroep op verjaring van de Staat en de daarmee samenhangende geschilpunten.

toepasselijk recht

4.8.

Net als partijen neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het voor 1 januari 1992 geldend Nederlands recht (BW(oud)) van toepassing is.

‘Nederlandse militairen’

4.9.

In navolging van partijen zal de rechtbank spreken over ‘de Nederlandse militairen’, ongeacht of het militairen van de koninklijke landmacht of van het KNIL waren. Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Staat voor de gestelde onrechtmatige executies maakt het niet uit tot welke eenheid de militairen behoorden.

‘misdragingen’

4.10.

De rechtbank heeft in haar eerdere vonnissen over aansprakelijkheid van de Staat voor gedragingen van Nederlandse militairen in voormalig Nederlands Indië in 1947-1949 in navolging van de terminologie die in de Excessennota is gehanteerd gesproken over ‘excessen’ van Nederlandse militairen. Zij heeft kennisgenomen van de in de afgelopen periode door historici en in de hedendaagse maatschappelijke discussie geuite kritiek op het gebruik van deze term. Zij zal daarom in dit vonnis deze term niet langer gebruiken, maar spreken van ‘misdragingen’ van Nederlandse militairen.

verjaring ?

4.11.

De Staat grondt zijn verjaringsverweer primair op artikel 1 van de per 1 januari 1992 ingetrokken wet van 31 oktober 1924, Stb. 482 (hierna: "de Verjaringswet"). De Verjaringswet bevat een specifieke verjaringsregeling voor geldschulden van het Rijk en andere overheden. Daarbij geldt dat ‘het Rijk’ het gehele koninkrijk omvat, inclusief de toenmalige koloniën, waaronder Nederlands-Indië. De Verjaringswet bepaalt dat voor dergelijke geldschulden een verjaringstermijn van vijf jaar geldt die een aanvang neemt op 31 december van het jaar waarin de geldschuld opvorderbaar is geworden. Voor de daarin genoemde vorderingen is de Verjaringswet een lex specialis ten opzichte van de algemene verjaringsregeling onder het oude recht, waarin voor vorderingen uit onrechtmatige daad een verjaringstermijn van dertig jaar gold.

4.12.

Nu de vorderingen van eisers strekken tot het verkrijgen van schadevergoeding van de Staat zijn deze vorderingen strekkende tot voldoening van een geldschuld in de zin van de Verjaringswet, die dus van toepassing is op de vorderingen van eisers.

4.13.

Het betoog van eisers dat hun vorderingen pas opvorderbaar zijn geworden in de zin van de Verjaringswet toen zij in contact kwamen met de in 2007 opgerichte Stichting KUKB die bereid was hun belangen in deze te behartigen, faalt. Beslissend voor de vraag of sprake is van een opvorderbare schuld in de zin van Verjaringswet is slechts het tijdstip waarop de bevoegdheid om onmiddellijk de naleving van de verbintenis te eisen is ontstaan. Zie onder meer de door de Staat aangehaalde voorbeelden van vaste rechtspraak waarin dit is bevestigd: HR 4 maart 1966, NJ 1966, 215, HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246, HR 11 september 1992, NJ 1992, 746 en HR 15 oktober 1999, NJ 2000, 138.

4.14.

Bij vorderingen als de onderhavige tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad valt het moment waarop de vordering opvorderbaar wordt samen met het moment waarop de vordering is ontstaan. Voor dit ontstaansmoment is vereist dat de schade op dat moment is geleden (HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246). Niet vereist is dat de schuldeiser op dat moment ook reeds bekend is met het bestaan van de verbintenis. De vorderingen van eisers zijn ontstaan direct na de executies in 1947. Toen zijn ook hun vorderingen opvorderbaar geworden in de zin van de Verjaringswet. Dat betekent dat de toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaar uit de Verjaringswet is aangevangen op 31 december 1947.

4.15.

In de rechtspraak zijn twee uitzonderingen aanvaard op de regel dat de termijn van vijf jaar begint te lopen op 31 december van het jaar waarin de schuld opvorderbaar is geworden. De eerste uitzondering betreft de situatie dat sprake is van een vordering tot vergoeding van schade veroorzaakt door milieuverontreiniging die pas na verloop van tijd aan de dag treedt en daarmee op één lijn te stellen vormen van schade die naar hun aard een gedurende lange tijd voor een ieder verborgen karakter hebben dat voor de opvorderbaarheid een beletsel vormt dat voor rekening van de overheid behoort te komen (HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 286 en 287). De tweede uitzondering betreft het geval waarin de burgerlijke rechter de schadevordering pas kan toewijzen nadat de administratieve rechter de onrechtmatigheid van het desbetreffende overheidsbesluit heeft vastgesteld (HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 139). Deze twee uitzonderingssituaties doen zich hier niet voor.

4.16.

Eisers betogen dat, gezien de specifieke omstandigheden van hun gevallen, redelijke wetsuitleg dient te leiden tot het aanvaarden van een uitzondering op de in de Verjaringswet neergelegde regel over de aanvang van de verjaringstermijn. Zij wijzen op de complexe historische en politieke achtergronden van de aan hun vorderingen ten grondslag gelegde onrechtmatige daden en op hun eigen sociale en culturele omstandigheden. Als tweede merken zij op dat hun omstandigheden in alle opzichten wezenlijk verschillen van die van ‘normale’ schuldeisers die zich plegen te verweren tegen een beroep op verjaring.

4.17.

De rechtbank ziet geen grond om in het betoog van eisers, dat zij vanwege hun specifieke omstandigheden hun vorderingen feitelijk niet geldend konden maken, een nieuwe uitzondering op de in de Verjaringswet neergelegde regel voor aanvang van de verjaringstermijn aan te nemen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eisers van meet af aan op de hoogte waren van de schade en de schade toebrengende gebeurtenis. Anders dan de gevallen waarin een redelijke wetsuitleg leidde tot de hiervoor genoemde uitzonderingen, gaat het hier niet om objectieve, in de aard van de schade of de schade toebrengende gebeurtenis gelegen of daarmee samenhangende beletselen om een vordering in te stellen. Het gaat hier om de specifieke omstandigheden van de gevallen van eisers. Deze omstandigheden lenen zich niet voor het formuleren van een nieuwe uitzondering op de regel dat de termijn van vijf jaar begint te lopen op 31 december van het jaar waarin de schuld opvorderbaar is geworden. Wel kunnen deze specifieke, met de personen van eisers en de sociale en culturele context waarin zij leven samenhangende, omstandigheden een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of – zoals eisers betogen – het beroep van de Staat op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.18.

Het voorgaande betekent dat de verjaringstermijnen zijn gaan lopen op 31 december 1947. Niet in geschil is dat de verjaring niet is gestuit. Daarmee is de verjaring voltooid op 31 december 1952. Gezien artikel 73a lid 2 Ow NBW heeft de inwerkingtreding van het nu geldende BW geen verandering gebracht in de rechtsgevolgen van die verjaring.

beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar ?

4.19.

De volgende vraag is of – zoals eisers betogen – het door de Staat gedane beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat de verjaringstermijn buiten toepassing moet worden gesteld. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.20.

De Staat wijst terecht erop dat de ratio van verjaring is gelegen in de rechtszekerheid en dat verjaring er ook toe strekt om de schuldenaar te beschermen tegen ‘oude’ vorderingen, waarmee hij, nadat de verjaringstermijn is verstreken, geen rekening meer hoeft te houden. Mede vanwege de moeilijkheden die kunnen ontstaan als lang nadien feiten moeten worden vastgesteld en verwijten moeten worden beoordeeld, geldt als uitgangspunt dat strikt de hand moet worden gehouden aan verjaringstermijnen. Dit geldt ook voor de verjaringstermijn van vijf jaar uit de Verjaringswet, die veel korter was dan de reguliere verjaringstermijn van dertig jaar voor vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad.

4.21.

Naar het huidige recht kan een beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden bevonden. Ook naar oud recht was het – zoals in andere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in 1946-1949 in voormalig Nederlands-Indië is geoordeeld – mogelijk een beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden in strijd met de goede trouw te achten.

4.22.

Anders dan de Staat betoogt, kan uit (r.o. 3.4 van) het door hem aangehaalde arrest HR 3 november 1995, NJ 1998, 380, niet worden afgeleid dat onder het oude recht geen ruimte bestond een beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden in strijd met de goede trouw te achten. Dit arrest gaat over een andere kwestie aangaande de verjaring, te weten de – door de Hoge Raad in negatieve zin beantwoorde – vraag of in het geval dat de schuldeiser zijn vordering niet geldend heeft kunnen maken wegens het voor hem verborgen karakter van zowel de schade als het causaal verband daarmee een uitzondering moet worden gemaakt op de in vaste rechtspraak aanvaarde regels dat i) de algemene, in artikel 2004 BW (oud) neergelegde, termijn van dertigjaar inzake verjaring van rechtsvorderingen met betrekking tot verbintenissen begint te lopen, zodra de bevoegdheid om onmiddellijk naleving van de verbintenis te eisen is ontstaan en ii) dat dit ook geldt als de schuldeiser met het bestaan van zijn vordering onbekend is. De Hoge Raad overweegt in de door de Staat geciteerde overweging dat het loslaten van de door de rechtszekerheid geëiste vaste termijn zoals bepleit in het voorliggende geval tot onbillijkheid kan leiden voor de vermeende schuldenaar.

4.23.

De Staat betoogt dat alleen plaats kan zijn voor het buiten toepassing laten van de (absolute) verjaringstermijnen op grond van de redelijkheid en billijkheid in gevallen waarin de vordering objectief bezien niet eerder ingesteld kón worden. Ook als dat zo zou zijn – hetgeen de rechtbank onbesproken laat – gaat dit betoog niet op. Gesteld noch gebleken is namelijk dat eisers vóór 31 december 1952 hun vorderingen konden instellen. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4.24.

Vanaf 27 december 1949, toen Indonesië onafhankelijk werd, moesten eisers hun vorderingen in Nederland aanbrengen: de standrechtelijke executies waarop de vorderingen van eisers gestoeld zijn, maakten immers deel uit van het Nederlands militair overheidsoptreden in Nederlands-Indië in 1947. Militair optreden is overheidsoptreden (acta iure imperii) waarvoor de Staat immuniteit van jurisdictie geniet buiten Nederland en alleen in Nederland in rechte kan worden betrokken. Er is geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat eisers – destijds (zeer jonge) kinderen, wonend in Zuid-Sulawesi – (via hun moeder als wettelijk vertegenwoordiger) de Staat tussen 27 december 1949 en 31 december 1952 voor een Nederlandse rechter hadden kunnen dagen. Aangenomen moet worden dat de Staat vóór 27 december 1947 eveneens voor een rechtbank in Nederlands-Indië kon worden gedaagd. Op geen enkele manier blijkt dat dat destijds feitelijk mogelijk was voor eisers. Dat geldt temeer als de chaotische situatie waarin Nederlands-Indië, in het bijzonder Zuid-Celebes, destijds verkeerde in aanmerking wordt genomen.

4.25.

Anders dan de Staat betoogt, is dus ruimte om te beoordelen of het beroep op verjaring van de Staat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit dient te worden beoordeeld met inachtneming van alle concrete omstandigheden van het geval. Naar zijn aard is dat een individuele beoordeling, toegespitst op het voorliggende geval. De hierna te bespreken relevante omstandigheden gelden evenwel voor alle eisers in deze zaak.

4.26.

Net als in eerdere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1947-1949, zoekt de rechtbank bij deze beoordeling aansluiting bij de gezichtspunten zoals geformuleerd in het arrest HR 28 april 2000, NJ 2000, 430.

4.27.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat de toepasselijke verjaringstermijn een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het hiervoor aangehaalde arrest, brengt dit met zich dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Hoezeer dit ook moeilijk te aanvaarden is uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, wordt dit gevergd door het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij – waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de verwijten. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van rechtszekerheid, zal de verjaringstermijn slechts in uitzonderlijke gevallen op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing kunnen blijven.

4.28.

De rechtbank gaat in het kader van de beoordeling van het beroep op verjaring voorshands veronderstellenderwijs ervan uit dat de vaders van eisers in februari 1947 standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen, bij de toen uitgevoerde zuiveringsacties. Indien en voor zover aan de orde, dient in een later stadium van deze procedure te worden vastgesteld of dat inderdaad zo is.

4.29.

Relevant is dat eisers op grond van artikel 1406 BW (oud) slechts recht hebben op vergoeding van schade die zij lijden door het verlies van het levensonderhoud dat zij ontvingen en mogelijk zouden hebben ontvangen. Onduidelijk is of zij aanspraak kunnen maken op enige uitkering of vergoeding uit andere hoofde.

4.30.

De Staat benadrukt dat niet alle gevechtshandelingen die op Zuid-Sulawesi door Nederlandse militairen zijn verricht waarbij slachtoffers zijn gevallen onrechtmatig waren. Wel erkent de Staat dat de door Nederlandse militairen in het kader van de zuiveringsacties uitgevoerde standrechtelijke executies, die immers buiten de rechtmatige oorlogsvoering vallen, onrechtmatig zijn. Partijen nemen tot uitgangspunt dat deze, buiten de rechtmatige oorlogshandelingen vallende, standrechtelijke executies toerekenbaar zijn aan de Staat en dat de Staat aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade.

4.31.

Nu op voorhand veronderstellenderwijs is aangenomen dat de vaders van eisers in februari 1947 standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen in het kader van de toen uitgevoerde zuiveringsacties, is het door de Staat benadrukte onderscheid tussen standrechtelijke executies en het gebruik van geweld tijdens legitieme oorlogshandelingen niet van belang voor de vraag of het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Wel kan dit – indien en voor zover aan de orde in een later stadium van de procedure en gezien de door partijen aangedragen feiten – mogelijk relevant zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van Nederlandse militairen in concrete gevallen.

4.32.

De Staat erkent dat de standrechtelijke executies, ook van strijders die hors de combat waren, zoals deze op Zuid-Sulawesi hebben plaatsgevonden, buiten de gelegitimeerde wijzen van oorlogsvoering plaatsvonden en daarom onrechtmatig waren.

4.33.

Niet in geschil is dat de Staat daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook op grond van het destijds geldend recht rustte op de Staat de verplichting tot bescherming van de lichamelijke integriteit en het leven van zijn onderdanen en kwam hem op geen enkele manier het recht toe om zonder vorm van proces en/of zonder militaire noodzaak mensen te doden. In dit verband is van belang dat bij het geven van de opdracht tot het uitvoeren van de zuiveringsacties geen richtlijnen zijn meegegeven over de manier waarop de zuiveringen moesten worden uitgevoerd. De Nederlandse militairen moesten hun handelen naar eigen inzicht bepalen. Dat gaf ruimte voor willekeur en ook voor misdragingen.

4.34.

Deze ernstige verwijtbaarheid ten aanzien van de gedragingen van Nederlandse militairen is één van de in aanmerking te nemen gezichtspunten. Deze omstandigheid doet zich voor ten aanzien van alle kinderen van mannen die destijds standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Anders dan de Staat betoogt, wordt hiermee niet categorisch een uitzondering gemaakt op de verjaring. Wel kan worden vastgesteld, dat hier sprake is van een omstandigheid die zich in een groot aantal gevallen voordoet, namelijk bij alle kinderen van mannen die in 1947-1949 in Nederlands-Indië standrechtelijk zijn geëxecuteerd.

4.35.

De koloniale autoriteiten ontvingen al snel na het begin van de zuiveringsacties berichten dat daarbij misdragingen plaatsvonden. De onrechtmatigheid en de ernstige verwijtbaarheid van de standrechtelijke executies die waren uitgevoerd in Zuid-Sulawesi zijn niet lang daarna komen vast te staan, in 1948 – ten dele – in het rapport van de commissie-Enthoven, die concludeerde dat misdragingen hadden plaatsgevonden in het kader van een in het noodrecht gegronde actie, en enige jaren later in 1954, toen Van Rij en Stam concludeerden dat over de hele linie sprake is geweest van “tegenterreur” die onder alle omstandigheden afkeurenswaardig is. Deze feiten zijn bovendien aanleiding geweest om in 1949 een strafrechtelijk vooronderzoek in te stellen tegen een aantal direct betrokken militairen.

4.36.

De bijzondere ernst van de feiten en de kennis die de Staat daar van begin af aan van droeg, wegen voor de rechtbank zwaar mee in haar oordeel over de aanvaardbaarheid van het beroep op verjaring van de Staat, net als het gegeven dat deze feiten niet alleen naar huidige inzichten zonder meer onrechtmatig en ernstig verwijtbaar zijn, maar ook – zoals blijkt uit de destijds daarover uitgebrachte rapporten – naar de toen geldende inzichten onaanvaardbaar waren.

4.37.

De Staat, die dus van meet af aan kennis droeg van de ernst van de feiten en het onrechtmatige en verwijtbare karakter daarvan, had er dus ook van meet af aan rekening mee kunnen en moeten houden dat hij door nabestaanden van de op Zuid-Sulawesi bij deze zuiveringsacties onrechtmatig geëxecuteerde mannen (ooit) in rechte zou kunnen worden aangesproken tot het betalen van een schadevergoeding. De Staat kan dus niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij geen rekening meer hoefde te houden met de vorderingen van eisers zoals opgenomen in hun eind 2016 uitgebrachte dagvaarding. Anders dan de Staat betoogt, is met deze vaststelling niet bevestigend geoordeeld over de vraag of van de Staat kon en mocht worden verwacht dat hij (eerder) eigener beweging zou zijn overgegaan tot vergoeding van de schade aan de slachtoffers van deze executies. In dit verband is slechts van belang dat de Staat rekening diende te houden met de mogelijkheid dat hij zou worden aangesproken.

4.38.

De rechtbank verwerpt het door de Staat gedane beroep op de op 7 september 1966 tussen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië gesloten “Overeenkomst (…) inzake de tussen de beide landen nog bestaande financiële vraagstukken” (Tractatenblad 1966, nummer 236). Die overeenkomst uit 1966 tussen Nederland en Indonesië ziet niet op de financiële afwikkeling van claims van nabestaanden van slachtoffers van standrechtelijke executies in het toenmalig Nederlands-Indië, maar op de afwikkeling van claims tussen beide landen voor vraagstukken van geheel andere financieel-juridische aard. Indien en voor zover de Staat vanwege deze overeenkomst geen rekening meer heeft gehouden met aansprakelijkheidsclaims zoals die van eisers, komt dat voor zijn rekening en risico. De Staat kan dit niet tegenwerpen aan eisers.

4.39.

Net als in eerdere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in voormalig Nederlands-Indië in 1947-1949 weegt voor de rechtbank mee dat deze vordering stamt uit een buitengewone periode in de Nederlandse geschiedenis, waarin Nederlandse militairen ernstige misdragingen hebben gepleegd tijdens operationele acties in Nederlands-Indië. Deze periode kan nog niet als afgewikkeld worden beschouwd. Dat wordt bevestigd door de keuze van de Nederlandse regering om aan Indonesische weduwen die aan de in de Bekendmaking gestelde eisen voldoen een tegemoetkoming te verstrekken, door het recent opnieuw verlengen van de termijn voor het indienen van claims onder de Bekendmaking alsmede door het onlangs aangekondigde brede onderzoek naar, onder meer, het militair optreden in 1945-1949 in Nederlands-Indië. Laatstgenoemd onderzoek zal in opdracht van de regering door een aantal onderzoeksinstituten worden uitgevoerd.

4.40.

De Staat benadrukt dat het hier gaat om inmiddels 70 jaar oude feiten met alle bewijsproblemen van dien. Hierover heeft nog geen partijdebat plaatsgehad in deze zaak. De rechtbank gaat er bij met de beoordeling van het beroep op verjaring veronderstellenderwijs van uit dat de vaders van eisers in 1947 standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen tijdens zuiveringsacties op Zuid-Sulawesi. Dat neemt niet weg dat er gevoeglijk van kan worden uitgegaan dat deze bewijsproblemen zich in deze procedures ook zullen voordoen, indien en voor zover de Staat de door eisers gestelde feiten omtrent hun afstamming en de gestelde omstandigheden van overlijden van hun vaders betwist en de rechtbank hierover moet oordelen.

4.41.

Gelet op onder meer het zeer lange tijdsverloop, zijn deze bewijsproblemen – naar ook niet ter discussie staat – aanzienlijk. Zoals eerder overwogen in andere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in 1947-1949 in Nederlands-Indië, onderkent de rechtbank dat het tijdsverloop en de specifieke culturele en sociale context waarin eisers verkeren het in voorkomende gevallen moeilijk of onmogelijk zullen kunnen maken om aan de stelplicht en de bewijslast te voldoen. Zoals eerder overwogen, ziet de rechtbank in de stel- en bewijsnood geen grond om het wettelijke systeem ter zijde te stellen.

4.42.

Dit betekent echter niet zonder meer dat de Staat zich in deze procedures vanwege deze bewijsproblematiek wél op verjaring zou kunnen beroepen. Deze bewijsproblematiek is een zwaarwegende factor bij de beoordeling van de vraag of het beroep op verjaring van de Staat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, maar is niet doorslaggevend. Het tijdsverloop van inmiddels 70 jaar heeft immers niet alleen een nadelige invloed gehad op de bewijspositie van de Staat en op zijn mogelijkheden tot verificatie en controle van de feitelijke stellingen van eisers, maar evengoed op de bewijspositie van eisers, die volgens het toepasselijke civiele bewijsrecht de stelplicht en de bewijslast dragen van de aan hun vorderingen ten grondslag gelegde feiten. Daarmee zullen ook eisers onder ogen moeten zien dat zij mede vanwege het lange tijdsverloop het bewijs van deze feiten wellicht nooit zullen kunnen leveren, in het bijzonder omdat het de vraag is of er voldoende bewijs voorhanden zal blijken te zijn ter ondersteuning van hun eigen verklaringen. Verder zou de Staat ook in een eerder aanhangig gemaakte procedure met verificatieproblemen zijn geconfronteerd, omdat hij destijds geen administratie heeft bijgehouden van de mannen die tijdens de zuiveringsacties in 1947 op Zuid-Sulawesi zijn geëxecuteerd.

4.43.

Het laatste gezichtspunt bij de beoordeling van de vraag of het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is gezichtspunt (g) uit het arrest HR 28 april 2000, NJ 2000, 430. Dat gezichtspunt betreft de vraag of, na het aan het licht komen van de schade, binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld. Welke termijn redelijk is, wordt bepaald door de concrete omstandigheden van het geval. In de rechtspraktijk wordt bij toepassing van dit gezichtspunt een termijn van één tot twee jaar gehanteerd als redelijke termijn waarbinnen aansprakelijkstelling dient te geschieden en de vordering tot schadevergoeding dient te zijn ingesteld.

4.44.

De eerste vraag die dient te worden beantwoord, is wanneer de redelijke termijn als bedoeld in dit gezichtspunt aanvangt. De rechtbank acht het niet passend om deze termijn te laten aanvangen bij het aan het licht komen van de schade, nu dat moment in dit geval samenvalt met de aanvang van de korte verjaringstermijn en – zoals hiervoor is overwogen – eisers niet binnen deze termijn de Staat aansprakelijk konden stellen en hun vorderingen konden indienen.

4.45.

In de eerdere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1946-1949 heeft de rechtbank geoordeeld het passend te vinden om de redelijke termijn waarbinnen aansprakelijkstelling dient plaats te vinden en een vordering tot schadevergoeding dient te zijn ingesteld te laten aanvangen op het moment waarop de eisers daadwerkelijk op de hoogte waren van de mogelijkheid om de Staat aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken voor de door hen gestelde misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1946-1949.

4.46.

Ook in deze zaak zal de rechtbank het moment waarop eisers daadwerkelijk op de hoogte waren van de mogelijkheid om de Staat aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken hanteren als aanvangsmoment bij de beoordeling van gezichtspunt g. Vanaf dat moment moeten eisers geacht worden daadwerkelijk in staat te zijn geweest de Staat aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken.

4.47.

Eisers hebben toegelicht dat zij in 2013 in contact kwamen met de Stichting KUKB. Eisers hebben ter onderbouwing van hun stellingen ook schriftelijke verklaringen in het geding gebracht die in dat jaar zijn opgesteld. Zij hebben toegelicht dat het contact met de Stichting KUKB, die ook in eerdere procedures over misdragingen door Nederlandse militairen in Nederlands-Indië partij was, plaatsvond in het kader van een bezoek van vrijwilligers van die stichting aan Zuid-Sulawesi. Daar verzamelden deze vrijwilligers informatie over misdragingen van Nederlandse militairen in 1946-1949 en waren zij slachtoffers aan het traceren.

4.48.

Uit deze stellingen van eisers volgt dat zij vanaf 2013 wisten dat het mogelijk was de Staat aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken voor schade als gevolg van misdragingen door Nederlandse militairen in 1946-1949 in Nederlands-Indië. De rechtbank neemt dit tot uitgangspunt bij de beoordeling van gezichtspunt g. Of – zoals de Staat betoogt – eisers reeds eerder op de hoogte waren, kan gelet op de hierna volgende beoordeling onbesproken blijven.

4.49.

De redelijke termijn van gezichtspunt g is hiermee in 2013 aangevangen. Eisers betogen echter dat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, vanwege de houding van de Staat en de stand van het recht. Met de houding van de Staat doelen eisers op de omstandigheid dat de Staat onder de Bekendmaking alleen tegemoetkomingen toekent aan weduwen die aan de gestelde eisen voldoen en geen schikkingen wenst te treffen met kinderen. Met de stand van het recht doelen zij op het onder 2.13 en 4.3 bedoelde oordeel van de rechtbank in de Rawagedeh-zaak. Zij betogen dat het voor hen daarom “geen zin had” om vorderingen tegen de Staat in te stellen en stellen zich op het standpunt dat dit ook in redelijkheid niet van hen kon worden verlangd. Dit veranderde toen de rechtbank bij vonnis van 11 maart 2015 oordeelde dat er geen grond is om bij beoordeling van een beroep op verjaring van de Staat onderscheid te maken tussen weduwen en kinderen van mannen die in 1946-1949 in Nederlands-Indië standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Eisers zijn in augustus 2015 op de hoogte geraakt van dit vonnis. Daarom moet volgens eisers augustus 2015 worden aangehouden als aanvangsmoment van de in gezichtspunt g bedoelde termijn; voordien bestond volgens eisers in de gegeven omstandigheden alleen een hypothetische mogelijkheid de Staat aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken. Ook in dit verband benadrukken eisers dat zij zich in een specifieke positie bevinden.

4.50.

De rechtbank volgt eisers niet in dit betoog. Zij licht dat als volgt toe.

4.51.

De rechtbank stelt voorop dat de situatie van de in Indonesië wonende eisers niet zonder meer gelijk kan gesteld worden met die van de gemiddelde, in Nederland wonende, benadeelde, aan wie – bij bepaling van de in artikel 3:310 BW neergelegde verjaringstermijn – kan worden tegengeworpen dat de aanvang van de verjaring niet afhankelijk kan zijn van het tijdstip waarop hij juridisch advies inwint. Zie de door de Staat aangehaalde arresten HR 26 november 2004, NJ 2006, 115, en HR 5 januari 2007, NJ 2007, 320. Voor toepassing naar analogie van deze arresten bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn bij gezichtspunt g ziet de rechtbank dus geen grond. Dat geldt temeer nu uit de door eisers in het geding gebrachte deskundigenrapporten kan worden afgeleid dat zij vanwege hun juridische, maatschappelijke, culturele, politieke en economische positie lange tijd feitelijk geen toegang tot het recht hadden. Deze rapporten, die zijn opgesteld ten behoeve van de zaak Rawagedeh, zijn ook van belang voor de positie van eisers, ten aanzien waarvan gesteld noch gebleken is dat zij in een relevant andere positie verkeerden, hoewel zij als kinderen tot een andere generatie behoren. Dit gebrek aan toegang tot het recht voor deze nabestaanden klemt temeer als in aanmerking wordt genomen dat hun vorderingen alleen voor een Nederlandse rechter kunnen worden aangebracht.

4.52.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank gekomen tot de beslissing om als aanvangsmoment van de redelijke termijn onder g te hanteren het moment waarop eisers daadwerkelijk op de hoogte waren van de mogelijkheid om de Staat aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken voor de door hen gestelde misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1946-1949. De bijzondere positie van eisers in relatie tot hun toegang tot de Nederlandse rechter, legt dus gewicht in de schaal bij toepassing van gezichtspunt g. Daarmee heeft de rechtbank een verstrekkende uitzondering aanvaard op de, strikt te hanteren, verjaringsregels.

4.53.

De door eisers genoemde omstandigheden en hun specifieke positie rechtvaardigen echter niet dat de door de rechtbank aanvaarde, verstrekkende, uitzondering op de strikt te hanteren verjaringsregels nog verder wordt uitgebreid, door de redelijke termijn van gezichtspunt g aan te laten vangen op het moment dat zij bekend werden met het vonnis van de rechtbank van 11 maart 2015.

4.54.

De rechtbank stelt vast dat eisers kennelijk op grond van het vonnis in de Rawagedeh-zaak een inschatting hebben gemaakt van de kans van slagen van het te verwachten beroep op verjaring van de Staat en om die reden hebben afgezien van het aansprakelijk stellen en in rechte betrekken van de Staat. Dat, in eerste aanleg gewezen, vonnis heeft echter geen bindende kracht ten aanzien van eisers en andere kinderen van mannen die in 1946-1949 in Nederlands-Indië standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen, net zo min overigens als het vonnis van 11 maart 2015. Het voert te ver om op basis van het vonnis in de Rawagedeh-zaak te spreken van een ‘hypothetische mogelijkheid’ om een vordering in te stellen; dat zou mogelijk anders kunnen zijn als daarin staande jurisprudentie van de Hoge Raad was toegepast, maar dat is niet aan de orde. Deze inschatting van de kans van slagen van het te verwachten verjaringsverweer van de Staat ligt in eisers’ risicosfeer. Dit zelfde geldt voor de procedurele keuzes die eisers hebben gemaakt naar aanleiding van het standpunt van de Staat om onder de Bekendmaking wel met weduwen maar niet met kinderen een regeling te treffen.

4.55.

Het zou in strijd met de rechtszekerheid zijn om de aanvang van de in gezichtspunt g bedoelde termijn afhankelijk te laten zijn van het tijdstip waarop een procedure tegen de Staat naar de inschatting van eisers voldoende kans van slagen heeft. Dat klemt temeer nu niets eraan in de weg stond om de Staat in 2013 – zekerheidshalve – aansprakelijk te stellen. Zij beschikten toen ook reeds over de nu overgelegde verklaringen. Gesteld noch gebleken is van een objectieve feitelijke onmogelijkheid voor eisers om de Staat eerder aansprakelijk te stellen nadat zij in 2013 op de hoogte waren geraakt van de mogelijkheid daartoe.

4.56.

Voorts vergt de billijkheid dat de Staat in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte wordt gebracht van alle claims in verband met misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1946-1949, ook die van de kinderen. Mede in het licht van de zich in deze zaken voordoende bewijsproblemen kon van eisers worden gevergd dat zij niet langer dan nodig wachten met het aansprakelijk stellen van de Staat, los van hun eigen inschatting van de kans van slagen van zo’n procedure.

4.57.

Dit een en ander betekent dat de in gezichtspunt g bedoelde termijn voor eisers in 2013 is aangevangen. Zoals hiervoor is overwogen, wordt de vraag welke termijn redelijk is bepaald door de concrete omstandigheden van het geval en wordt in de rechtspraktijk bij toepassing van dit gezichtspunt een termijn van één tot twee jaar gehanteerd als redelijke termijn waarbinnen aansprakelijkstelling dient te geschieden en de vordering tot schadevergoeding dient te zijn ingesteld.

4.58.

Met de dagvaarding, zonder voorafgaande aansprakelijkstelling, van 23 december 2016 is de in de rechtspraktijk in de regel gehanteerde termijn ruimschoots overschreden. In de gegeven omstandigheden kan deze veel langere termijn niet als redelijk worden aangemerkt. Naast de hiervoor besproken gezichtspunten en de daarbij aan de orde zijnde omstandigheden, heeft de rechtbank bij dit oordeel acht geslagen op de praktische problemen waarvoor de Stichting KUKB zich gesteld ziet bij het verzamelen van informatie over misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1947-1949 en het traceren van nabestaanden en slachtoffers daarvan. Deze, in de risicosfeer van eisers liggende omstandigheden, rechtvaardigen niet dat zij pas op 13 december 2016 zijn overgegaan tot aansprakelijkstelling van de Staat en de Staat in rechte hebben betrokken, nadat zij in 2013 op de hoogte waren geraakt van de mogelijkheid daartoe. Dat klemt temeer nu de Stichting KUKB in hun gevallen de bewijsstukken ter onderbouwing van hun stellingen al had verzameld.

4.59.

De slotsom luidt dat het beroep op verjaring van de Staat in deze zaak doel treft.

strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur ?

4.60.

Eisers betogen subsidiair dat het beroep op verjaring in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Dit betoog faalt. De rechtbank licht dat als volgt toe.

4.61.

Het betoog van eisers dat zij in een gelijke positie verkeren als de weduwen uit Rawagedeh en Zuid-Sulawesi met wie de Staat schikkingen heeft getroffen, gaat niet op. De Staat heeft jegens de weduwen van Rawagedeh aansprakelijkheid erkend. Onder de Bekenmaking heeft de Staat tegemoetkomingen toegekend aan vrouwen van wie aannemelijk is dat hun echtgenoot bij een standrechtelijke executie is doodgeschoten door Nederlandse militairen. Dat is een vergoeding buiten rechte, terwijl eisers in deze procedure in rechte schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad vorderen. De Staat heeft in de Bekendmaking uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat voor de Staat tot uitgangspunt is (en blijft) dat de vorderingen jegens de daarin bedoelde weduwen zijn verjaard. Met zijn beroep op verjaring in deze procedures handelt de Staat geheel overeenkomstig zijn standpunt dienaangaande in de Bekendmaking. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur is daarmee geen sprake.

4.62.

Eisers wijzen in dat verband ook op het restitutiebeleid voor claims over tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofde financiële tegoeden en kunstvoorwerpen, waarbij de Staat zich niet op verjaring van de vorderingen tot rechtsherstel beroept. Dit is ook een niet afgewikkelde kwestie uit ongeveer dezelfde periode. Daarmee is echter niet gezegd dat beide niet afgewikkelde kwesties zonder meer gelijk te stellen zijn. Het restitutiebeleid heeft een andere achtergrond en ontstaansgeschiedenis. Zoals de Staat onweersproken uiteengezet heeft is dit beleid ingegeven door de vaststelling dat het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog via de in 1967 opgeheven Raad voor het Rechtsherstel achteraf bezien met meer begrip uitgevoerd had kunnen en moeten worden. Dat heeft de Staat ertoe gebracht in het kader van het restitutiebeleid in de gevallen die aan een aantal voorwaarden voldoen uit overwegingen van coulance geen beroep op verjaring te doen. De Staat heeft onweersproken toegelicht dat dit een politieke en beleidsmatige keuze in plaats van een puur juridische benadering is voor een aantal specifiek omschreven gevallen. Overigens biedt de Staat via de Bekendmaking onder voorwaarden ook de mogelijkheid van compensatie en beroept hij zich alsdan niet op verjaring. Ook afgezet tegen het restitutiebeleid is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur.

4.63.

Het meer subsidiaire standpunt van eisers – dat betrekking heeft op de opeisbaarheid van de vorderingen op grond van de Verjaringswet – is reeds besproken bij de beoordeling van de vraag of de vorderingen zijn verjaard.

Slotsom

4.64.

Het beroep op verjaring van de Staat slaagt. Daarmee is het lot van de vorderingen van eisers gegeven. Deze worden afgewezen, met veroordeling van eisers in de proceskosten. De proceskosten worden begroot op € 3.355 (€ 1.924 aan griffierecht en

€ 1.431 aan advocaatkosten (1,5 punt tarief IV)).

4.65.

Dit leidt tot het onderhavige appellabele eindvonnis. De overige stellingen en weren kunnen onbesproken blijven.

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 3.355, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin, mr. M.J. Alt-van Endt en mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2017.