Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13528

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
NL17.11174
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Egyptische. Afwijzing eerste asielaanvraag. Geloofwaardigheid van het asielrelaas. Seksuele gerichtheid. Bekering. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.11174


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).


Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11175, plaatsgevonden op 10 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Egyptische nationaliteit en hij is geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij zich als geboren moslim tot het christendom heeft bekeerd. Hij meent dat hij als homoseksueel en bekeerling niet naar Egypte kan terugkeren.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Volgens verweerder zijn de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser, noch diens gestelde bekering geloofwaardig. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiser zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft kenbaar gemaakt dat hij asiel wenst.

3. Eiser heeft verweerders conclusie over de geloofwaardigheid van zijn verklaringen betwist.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep uitsluitend ziet op de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielmotieven. Voor zover verweerder daarnaast de aanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, een inreisverbod heeft opgelegd, heeft geweigerd om een verblijfvergunning regulier te verlenen en de hoogte van de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op aanvraag heeft vastgesteld, zijn daartegen door eiser geen gronden geformuleerd.

5. De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder zijn onderzoek naar eisers gestelde homoseksuele gerichtheid heeft verricht overeenkomstig Werkinstructie (WI) 2015/9. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van dat asielmotief wordt rekening gehouden met het feit dat seksuele gerichtheid niet met sluitend bewijs aannemelijk kan worden gemaakt, terwijl anderzijds als uitgangspunt geldt dat het louter stellen ervan niet voldoende is. De vreemdeling krijgt in het gehoor de kans om zijn relaas te doen en aan hem worden vragen gesteld over thema’s die in de WI staan beschreven. Het hangt af van de specifieke zaak welk gewicht toekomt aan de antwoorden op deze vragen, maar in zijn algemeenheid ligt het zwaartepunt op antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (o.a. bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is.

6. Eiser is het niet eens met de wijze waarop verweerder de verklaringen over de gestelde seksuele gerichtheid heeft beoordeeld. Verweerder zou volgens eiser suggereren dat eiser niet meer heeft verklaard dan dat hij zich vanaf zijn zesde jaar bewust was van zijn homoseksualiteit en dat hij nooit iets voor vrouwen heeft gevoeld. Volgens eiser blijkt uit het verslag van het nader gehoor juist dat hij het proces van bewustwording en de ondervonden problemen geloofwaardig, consistent en uitgebreid heeft beschreven.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser hiermee verwijst naar overwegingen uit het voornemen waaraan hij geen zienswijze heeft gewijd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het voornemen terecht gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat deze nauwkeurig, gedetailleerd en consistent verklaart over het moment waarop hij zich bewust werd van zijn homoseksuele gevoelens en wat dat voor hem betekende. Eisers verklaringen komen hier op neer dat hij zegt zich vanaf zijn zesde jaar bewust te zijn van zijn seksuele gerichtheid en vanaf zijn dertiende jaar daadwerkelijk seks te hebben en dat hij alleen maar gevoelens heeft gekend voor mannen. Aldus kan niet worden gezegd dat eiser inzicht heeft gegeven in zijn bewustwordingsproces.

8. Verweerder heeft eveneens terecht gesteld dat eiser vaag, summier en ontwijkend heeft verklaard over diens persoonlijke ervaringen en over de acceptatie van zijn seksuele gerichtheid. Daarbij is overwogen dat eiser desgevraagd niet nader heeft kunnen verklaren over zijn ervaren verdriet en hoe hij daarmee omging.

Eisers opmerking dat hij meent uitgebreid te hebben verklaard over de problemen van homoseksuelen en dat hij zich afvraagt welke nadere uitleg van hem wordt verwacht, gaat hieraan voorbij. Eiser heeft hiermee niet verklaard over zijn persoonlijke ervaringen.

9. Ook voor zover eiser stelt dat verweerder had moeten doorvragen, wordt eiser niet gevolgd. De gehoormedewerker heeft op meerdere momenten gevraagd om verduidelijking of aanvulling. Eiser heeft op zijn beurt niet geconcretiseerd op welke punten hij onvoldoende is bevraagd.

10. Verder heeft verweerder terecht vraagtekens geplaatst bij eisers verklaringen dat hij herhaalde malen is betrapt tijdens het hebben van seks, maar dat hij daarna geen verdere voorzorgsmaatregelen heeft getroffen. De in de zienswijze en beroep gegeven toelichting dat eiser een zeer sterke seksuele behoefte heeft, maakt eisers verklaringen niet minder onaannemelijk.

11. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geconcludeerd dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiser op grond van diens verklaringen hierover niet aannemelijk is geworden. De omstandigheid dat eiser beschikt over een grote hoeveelheid beeldmateriaal van zijn seksuele activiteiten, leidt dan niet tot een andere uitkomst.

12. Bij het onderzoek naar een aan een asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging hanteert verweerder een vaste, in de rechtspraak aanvaarde gedragslijn. Deze houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die grofweg worden onderverdeeld in vragen over motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling, algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk en kerkgang (indien de vreemdeling stelt dat dat onderdeel is van zijn geloofsovertuiging). Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering kan verweerder vervolgens doorslaggevend gewicht toekennen aan de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer indien een vreemdeling - zoals eiseres in dit geval - afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is.

13. Met betrekking tot de gestelde bekering van eiser tot het christendom heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn motieven hiervoor en het proces van bekering.

Daarnaast heeft verweerder terecht gewezen op enkele tegenstrijdige, althans vreemde verklaringen. Zo heeft eiser onder meer verklaard dat hij naar Nederland is gekomen omdat hij christen wilde worden, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij op zijn dertiende in Egypte is gedoopt en op zijn zestiende in conflict is gekomen met zijn vader, omdat hij zich officieel als christen wilde laten registreren. Ook heeft verweerder terecht tegengeworpen dat het niet logisch is dat eiser stelt te zijn opgegroeid in een strenggelovig moslimgezin, maar anderzijds heeft verklaard dat hij tot de keuze voor het christendom is gekomen, nadat hem op school was verteld over de vrijheid om hiervoor te kiezen.

Verweerder heeft evenzeer terecht overwogen dat eiser in zijn toelichting op de keuze voor het christendom niet heeft verklaard waarom hij zich niet tot de islam aangetrokken voelt.

14. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geoordeeld dat eiser de gestelde bekering niet aannemelijk heeft gemaakt met zijn hierover afgelegde verklaringen.

15. De wel geloofwaardig geachte verklaring dat eiser in Caïro heeft deelgenomen aan een demonstratie van christenen is onvoldoende. Verweerder stelt zich verder terecht op het standpunt dat, vanwege de niet overtuigende verklaringen van eiser, de door eiser overgelegde verklaringen van twee pastoors niet alsnog kunnen leiden tot een aannemelijke bekering. Dit geldt evenzeer voor de in Nederland geplaatste tatoeages van christelijke symbolen op eisers pols en rug.

16. Nu eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en bekering niet worden geloofd, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating als vluchteling of vanwege vrees voor ernstige schade.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.