Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13527

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
NL17.11288 en NL17.11289
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, gestelde minderjarigheid niet aangetoond. Uitgaan van meerderjarigheid. Interstatelijk vertrouwen. Beroep ongegrond. Verzoek afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.11288 en NL17.11289


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 16 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht hangende het beroep.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Haile. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank in de zaak NL17.11288: verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter in de zaak NL17.11289: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder mocht uitgaan van de meerderjarigheid van eiser.

2. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit Eurodac-informatie blijkt dat eiser zowel in Italië als in Duitsland een geboortejaar heeft opgegeven waaruit blijkt dat hij meerderjarig is. Dat hij in Italië een foute geboortedatum heeft opgegeven omdat hij ziek was, acht de rechtbank onbegrijpelijk. Anders dan in beroep is aangevoerd, hoefden de geboorteakte en de overgelegde bewonerspas niet tot een andere beoordeling te leiden. Het betreft immers geen identificerende documenten waarop de foto van eiser staat. Dat eiser in bewijsnood verkeert omdat hij als minderjarige geen identiteitsdocument kan verkrijgen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat eiser zelf in andere landen een verklaring heeft afgelegd waaruit zijn meerderjarigheid blijkt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (recentelijk nog de uitspraak van 15 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2219) blijkt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat de registratie van de geboortedatum in de andere lidstaten zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Alleen als er identificerende documenten worden overgelegd, kan er aanleiding zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Zoals daarnet al is overwogen, is van identificerende documenten in dit geval geen sprake.

3. De conclusie is dat verweerder terecht, uitgaande van de meerderjarigheid, heeft vastgesteld dat Italië voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser verantwoordelijk is. Hij heeft daar immers voor het eerst asiel aangevraagd.

4. Het beroep is ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.