Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13519

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
NL17.10192 en NL17.10194
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2614, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie. Problemen met digitaal procederen? Technisch rapport. Beroep niet-ontvankelijk. Bahaddar-toets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.10192 en NL17.10194


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaken tussen

[eiser], eiser,

[eiseres] , eiseres, mede namens hun minderjarige kinderen [kind] en [kind],

hierna te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder.

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 4 oktober 2017 (bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaken met nummers NL17.10193 en NL17.10195, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen J.J. van Ravestijn-Prins. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans. Ter zitting zijn de zaken aangehouden in afwachting van het rapport van het technisch onderzoek naar de werking van het digitale dossier dat door de rechtbank is opgevraagd bij de ICT-dienst van de Rechtspraak (Spir-it).

Op 6 november 2017 heeft Spir-it een rapport uitgebracht. Partijen zijn op 7 november 2017 in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Eisers hebben daarvan gebruik gemaakt bij brief van 8 november 2017. Verweerder heeft telefonisch meegedeeld geen aanleiding te zien voor een nadere reactie. Vervolgens heeft de rechtbank de onderzoeken gesloten.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum] en [geboortedatum] en zijn afkomstig uit Rusland. Op 29 juni 2017 hebben zij aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eisers met geldige Italiaanse visa zijn ingereisd en dat de autoriteiten van Italië ten aanzien van hen overnameverzoeken als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) heeft geaccordeerd.

3. In beroep voeren eisers – kort weergegeven – aan dat zij niet aan de autoriteiten van Italië kunnen worden overgedragen omdat de vader van eiseres voornemens is om hen aldaar op te sporen en eiser, die de Nigeriaanse nationaliteit bezit, uit racistische motieven te vermoorden. Daarnaast voeren eisers aan dat zij in Italië geen toegang kunnen krijgen tot adequate opvangvoorzieningen en medische zorg.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of de beroepen ontvankelijk zijn, omdat niet binnen de aan eisers geboden herstelverzuimtermijn beroepsgronden zijn aangetroffen in de digitale dossiers. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover van belang, bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

5. In reactie op het verzoek van de rechtbank van 16 oktober 2017 om uitleg te geven over de overschrijding van de herstelverzuimtermijn, hebben eisers aangevoerd dat zij vanwege technische problemen met de digitale dossiers niet tijdig beroepsgronden konden indienen. Om deze stelling goed te kunnen beoordelen, heeft de rechtbank aan Spir-it opdracht gegeven om een technisch onderzoek uit te voeren.

6. Uit het rapport van dit onderzoek, dat deel uit maakt van het dossier, blijkt dat op 12 oktober 2017, de laatste dag van de herstelverzuimtermijn, sprake was van onderhoud waardoor er geen toegang mogelijk was tot het digitale dossier. In artikel 8 van het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht is neergelegd dat overschrijding van de herstelverzuimtermijn vanwege een dergelijke verstoring verschoonbaar is indien de gronden alsnog worden ingediend uiterlijk op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring was verholpen. Dit artikel is gebaseerd op artikel 8:36f, eerste lid, van de Awb.

7. Uit het rapport van Spir-it blijkt dat er naast het onderhoud op 12 oktober 2017 geen verdere verstoringen zijn geregistreerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers gehouden waren om op 13 oktober 2017 de beroepsgronden in te dienen. Zij hebben aangevoerd dat zij dit hebben geprobeerd, maar dat dit ook op die dag vanwege technische problemen niet mogelijk was. Aan Spir-it is daarom de vraag voorgelegd om in het rapport van het technisch onderzoek uiteen te zetten in hoeverre er op 13 oktober 2017 door eisers is gepoogd om stukken in te dienen en in hoeverre eventuele pogingen daartoe zijn geslaagd.

8. In antwoord daarop is op pagina 2 van het rapport neergelegd dat in de periode 11 tot en met 15 oktober 2017 de taak ‘Herstellen verzuim’ niet is aangeklikt en dat er geen stukken zijn ingediend. In de bijlage bij het rapport, die eveneens deel uitmaakt van het dossier, is op de pagina’s 2 tot en met 9 een overzicht opgenomen van alle door eisers verrichte acties in de betreffende dossiers in de periode 11 tot en met 16 oktober 2017. Op pagina 12 van de bijlage is een meer gedetailleerd overzicht opgenomen van alle activiteiten waarbij de actie ‘Indienen’ is gestart, daaronder begrepen het indienen van stukken anders dan via de taak ‘Herstellen verzuim’ en mislukte pogingen tot het indienen van stukken. Uit beide overzichten blijkt dat er op 13 oktober 2017 in het geheel geen sprake is geweest van een actie ‘Indienen’. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de bevindingen in het rapport en de bijlage die zien op latere data, wordt niet toegekomen.

9. Met deze vaststelling kan gelet op het navolgende niet worden volstaan. Op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 februari 1998 met zaaknummer 145/1996/764/965 inzake Bahaddar tegen Nederland, mag een in het nationale recht gelegen procedureregel niet onder alle omstandigheden aan de vreemdeling worden tegengeworpen. Dit dient achterwege te worden gelaten indien bijzondere op de zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden nopen tot de conclusie dat het effectueren van het bestreden besluit onmiskenbaar zou leiden tot behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

10. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. Op grond van de overnameakkoorden en van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan uit worden gegaan dat de Italiaanse autoriteiten eisers naar behoren zullen opvangen en, indien nodig, zullen beschermen. Uit wat door eisers is aangevoerd, blijkt niet onmiskenbaar dat niet van dat uitgangspunt zou kunnen worden uitgegaan.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.