Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13515

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
NL17.833
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VA, Iran, bekering ongeloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.833


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.P. Pijnenburg).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 januari 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.R. Izadkhast. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 24 november 2015 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

  2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft in Iran een leven vol problemen had, welke uiteindelijk tot zijn vertrek hebben geleid. Zo heeft hij verklaard dat zijn vader gedetineerd is en dat hij door zijn stiefvader op straat is gezet. Op straat is hij aan de drugs geraakt, heeft hij ook drugs verkocht en is hij, toen hij ongeveer tien jaar oud was, misbruikt. Op een dag deed de voorman op eisers werk hem een voorstel: zij zouden samen de kluis van de werkgever legen en het geld gebruiken om naar Europa te vluchten. Eiser heeft vervolgens inderdaad de kluis leeggeroofd en is naar Nederland gereisd. In Nederland is eiser bekeerd tot het christendom.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook zijn verklaringen over zijn leven op straat en de reden van zijn vertrek uit Iran acht verweerder geloofwaardig. Dat eiser in Nederland zou zijn bekeerd tot het christendom acht verweerder niet geloofwaardig.

  4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij tijdens de gehoren niet de waarheid heeft verteld over zijn leven in Iran. Hoewel zijn moeder en stiefvader streng gelovig zijn, zijn ze wel aardig. Eiser heeft in Iran niet op straat geleefd en was ook niet verslaafd. In Nederland is hij wel verslaafd geraakt aan marihuana. Eiser is tegen de zin van zijn ouders naar het buitenland vertrokken. In Turkije is hij mensen gaan ronselen voor een mensensmokkelaar. Twee Iraanse families die bij eiser uit de buurt afkomstig zijn, zijn door de Turkse politie teruggestuurd en willen van eiser hun geld terug. Deze families vallen zijn moeder lastig en hij kan vanwege deze problemen niet terugkeren naar Iran. Verder heeft eiser betoogd dat hij daadwerkelijk tot het christendom is bekeerd. Hij heeft een visioen gehad: God kwam in zijn kamer, de mensen die hem kwaad hadden gedaan kwamen langs en hij moest ze van Jezus vergeven. Eiser gaat op zondag naar de kerk en heeft een Farsi prediker ontmoet die hem veel uitlegt. In de Iraanse kerk in Zwolle wordt hij voor de doop voorbereid.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  5. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser in beroep afstand heeft gedaan van alle problemen in Iran waarover hij eerder heeft verklaard, op voorhand afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van alle verklaringen die eiser verder nog heeft afgelegd. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eisers stelling dat hij niet terug kan naar Iran omdat hij daar problemen verwacht van de twee genoemde families, niet bij de beoordeling van dit beroep kan worden betrokken. Voor zover eiser hiermee een nieuw asielmotief naar voren brengt, kan dit desgewenst in een nieuwe asielprocedure beoordeeld worden.

  6. Ten aanzien van eisers gestelde bekering tot het christendom overweegt de rechtbank als volgt.

  7. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2801) volgt dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering doorslaggevend gewicht kan toekennen aan de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer indien een vreemdeling - zoals eiser - afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888).

  8. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eisers bekering tot het christendom niet geloofwaardig is, onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft geen overtuigende verklaringen afgelegd over de redenen waarom de islam voor hem niet meer volstond. Hij heeft hierover vage en summiere verklaringen afgelegd. Zijn kritiek ziet niet op de essentie van de religie, maar met name op de wijze waarop de islam in de Iraanse maatschappij wordt vormgegeven. Nu in Iran op afvalligheid de doodstraf kan staan, mag van eiser worden verwacht dat hij duidelijker kan verklaren over de redenen waarom de islam als religie niet meer voor hem voldeed. Vervolgens heeft eiser vage, summiere en oppervlakkige verklaringen afgelegd over zijn proces van bekering en wat zijn bekering voor hem heeft betekend. Van eiser mag, ondanks zijn jonge leeftijd, verwacht worden dat hij hier concrete verklaringen over kan afleggen.

  9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met voormelde motivering niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig is. In zijn aanvullende gronden van beroep van 13 oktober 2017 heeft eiser allerlei aanvullende verklaringen naar voren gebracht met betrekking tot zijn motieven voor en proces van bekering. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij deze verklaringen niet tijdens zijn nader of aanvullend gehoor naar voren heeft gebracht. Bovendien blijft eiser ook in deze aanvullende verklaringen steken in oppervlakkigheden en algemeenheden, zodat deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Ook de overgelegde doopakte en het certificaat van de basiscursus over het christendom kunnen niet aan het voorgaande afdoen. Het is immers aan eiser om overtuigende verklaringen af te leggen over zijn motieven voor en proces van bekering en daar is hij niet in geslaagd. Daar komt nog bij dat eiser ter zitting heeft toegegeven dat hij heeft gelogen over het moment van zijn doop.

  10. Eerst ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij middels de aanvullende gronden verslag heeft gedaan van zijn geloofsgroei en dat dit als een nieuw asielmotief dient te worden aangemerkt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2669) dient het beroep volgens eiser aangehouden te worden. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Zoals hiervoor reeds is overwogen, overtuigen de verklaringen uit de aanvullende gronden niet. Verder is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een nieuw asielmotief dat om een hernieuwde beoordeling vraagt, nu alles wat eiser naar voren heeft gebracht in het verlengde ligt van wat hij reeds eerder naar voren heeft gebracht en verweerder daar in het verweerschrift en ter zitting afdoende op heeft gereageerd.

  11. Tot slot heeft eiser, eveneens eerst ter zitting, aangevoerd dat verweerder zijn afvalligheid als apart asielmotief moet beoordelen, gelet op het Besluit van verweerder van 29 augustus 2017, nummer WBV 2017/7, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. In het nieuwe beleid zijn afvalligen aangemerkt als risicogroep. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Eiser heeft zijn afkeer van de islam en zijn bekering tot het christendom als één proces naar voren gebracht en verweerder heeft dit gehele proces, zoals onder 9 reeds is overwogen, niet ten onrechte geloofwaardig bevonden. Er bestaat dan ook geen aanleiding om eisers afvalligheid opnieuw te beoordelen.

  12. Het beroep is ongegrond.

  13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.