Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13514

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8840
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VA, Afghanistan, bedreiging door Taliban, ongeloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/8840

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. R.S. Sewdajal,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (daaronder begrepen diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde mr. I.E. Lemmers.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.G. Jagesar, waarnemer van eisers gemachtigde. Als tolk is verschenen Pashtu W.M. Mamik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 28 oktober 2015 een asielaanvraag ingediend.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- eiser was winkelier en hij leverde producten aan het Afghaanse leger.

- eiser ondervond als gevolg hiervan problemen met de Taliban.

3. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser werd bedreigd door de Taliban en dat hij door deze organisatie wordt gezocht. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

4. Over wat eiser heeft aangevoerd oordeelt de rechtbank als volgt.

5. Eiser heeft in beroep een schriftelijke verklaring overgelegd van de lokale militaire autoriteiten, luidend dat eiser voor hen werkzaam is geweest en dat hij voor zijn veiligheid het land heeft moeten verlaten, omdat hij door tegenstanders wordt bedreigd met de dood. Volgens eiser is dit doorslaggevend bewijs voor zijn gehele asielrelaas. Verweerder heeft in reactie hierop bij verweerschrift een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten overgelegd, inhoudende dat deze deskundige geen uitspraak kan doen over de echtheid van het document.

6. Anders dan eiser stelt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de stelling dat eiser zich eerst over het onderzoeksrapport van Bureau Documenten had moeten kunnen uitlaten in een zienswijze. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het document is opgesteld op verzoek van eiser ten behoeve van de onderhavige procedure. Verweerder heeft verder terecht opgemerkt dat niet duidelijk is hoe eiser aan het document is gekomen, waarbij van belang is dat eiser eerder heeft verklaard dat hij geen contact meer heeft met zijn familie in Afghanistan. De verklaring van de militaire autoriteiten is daarnaast niet gedateerd. Het stempel onder de verklaring van de wijkafgevaardigde vermeldt het jaar 1393 (2014/2015 volgens onze jaartelling), terwijl eiser zegt eerst in september 2015 uit zijn woonplaats te zijn vertrokken. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat genoemd document niet bijdraagt aan de aannemelijkheid van eisers relaas. Er is geen aanleiding om eiser in de gelegenheid te stellen om alsnog een contra-expertise te laten uitvoeren.

7. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat die niet weet wanneer zijn vader is bedreigd. Volgens eiser heeft verweerder aldus onvoldoende rekening gehouden met de specifieke achtergrond van eiser, waaronder het feit dat eiser moeilijk data kan reproduceren. Verweerder heeft echter niet aan eiser tegengeworpen dat die geen exacte data kan reproduceren. Verweerder heeft wel – en terecht – overwogen dat het vreemd is dat eiser eerst in de zienswijze enige tijdsindicatie kan geven van het moment waarop eisers vader is bedreigd. Het beroep op eisers specifieke achtergrond geeft vervolgens geen verklaring voor het gegeven dat eiser elders in zijn verklaringen wel in staat is gebleken een globale tijdsindicatie van gebeurtenissen te geven.

8. Anders dan eiser stelt, maken zijn verklaringen in samenhang met hetgeen algemeen bekend is over de veiligheidssituatie in Afghanistan nog niet dat eisers asielrelaas aannemelijk is. Eisers verklaringen overtuigen volgens verweerder immers niet en de veiligheidssituatie op zich maakt geen individuele vrees aannemelijk.

9. Eiser heeft in beroep niet weten te weerleggen dat niet duidelijk is wie eiser zou zoeken. De rechtbank volgt eiser in elk geval niet in zijn stelling dat dit met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid blijkt uit zijn verklaringen. Eiser baseert zich volgens zijn verklaringen namelijk uitsluitend op vermoedens.

10. Verweerder heeft verder gemotiveerd gesteld dat eiser bevreemdende verklaringen heeft afgelegd over het feit dat hij is ondergedoken, nu deze verklaringen een groot aantal toevalligheden en ongerijmde wendingen bevatten. Zo is het vreemd dat eiser – na de eerdere bedreigingen van zijn vader – niet meteen de eerste telefonische bedreiging serieus heeft genomen. Deze volgens eiser minder ernstige bedreiging laat immers onverlet dat hieruit blijkt dat de Taliban vasthielden aan hun eis om zich bij hen aan te sluiten, terwijl eiser ook zelf heeft opgemerkt in zijn zienswijze dat hij als leverancier aan het leger te boek stond als vijand van de Taliban. Verder heeft verweerder terecht vraagtekens gesteld bij eisers verklaring dat zijn moeder de Taliban van een tweede huiszoeking heeft weten af te houden, nadat zij bij een eerste huiszoeking door de Taliban ernstig was mishandeld. Eisers verklaring hiervoor in beroep komt neer op een ongefundeerd vermoeden.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: