Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13513

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
NL17.4154
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, D, refoulement

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.4154 en NL17.4156


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2017 in de zaken tussen

[eiser], eiser en

[eiseres] , eiseres,

gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. drs. S.F.E. Verdonck).

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 29 juni 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken met nrs. NL17.4155 en NL17.4157, plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Arabi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers omdat eisers eerder in dat land asiel hebben aangevraagd.

2. Wel in geschil is of Nederland de behandeling van de aanvragen desondanks aan zich moet trekken op grond van artikel 17 van Verordening 604/2013/EU (Dublinverordening), omdat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

3. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Bondsrepubliek Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. Eisers hebben betoogd dat verwijdering naar Duitsland ertoe leidt dat zij zullen worden uitgezet naar hun land van herkomst, Irak, terwijl zij daar vervolging te vrezen hebben, dan wel een reëel risico lopen op ernstige schade. De enige grond ter onderbouwing van dat standpunt is dat Duitsland hun eerdere asielaanvragen heeft afgewezen. Daarmee is echter niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland bij de beoordeling van de asielaanvragen geen juiste toepassing heeft gegeven aan het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als eisers van mening zijn dat hun zaken niet goed zijn beoordeeld, hebben zij bovendien het recht om bij hun opvolgende aanvraag in Duitsland alsnog aannemelijk te maken dat zij recht hebben op internationale bescherming. Duitsland heeft met de claimacceptatie immers toegezegd de aanvragen van eisers te behandelen.

4. Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal schenden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.