Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13512

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
NL17.10612
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag. Geen nieuwe elementen of bevindingen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10612


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. S. Igdeli),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.10613, plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Somalische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 17 januari 2012 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 22 maart 2012 deze aanvraag afgewezen. Verweerder acht de door eiser gestelde gebeurtenissen in Somalië geloofwaardig maar dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling staat van Al Shabaab wordt niet aannemelijk geacht. Bij uitspraak van 15 november 2012 (AWB 12/13248) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het door eiser daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 februari 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep van eiser kennelijk ongegrond verklaard (kenmerk: 201211528/1/V2).

2. Op 5 december 2014 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Eiser heeft zich hierbij beroepen op gewijzigd beleid van verweerder ten aanzien van verwesterde personen die terugkeren naar hun herkomstgebied. Bij besluit van 11 december 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht onder verwijzing naar het eerdere besluit van 22 maart 2012. Het door eiser tegen die beschikking ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 13 januari 2015 ongegrond verklaard (AWB 14/28077).

3. Op 20 juli 2016 heeft eiser een derde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova). Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij sinds een jaar dreigsms’jes uit Somalië ontvangt van Al Shabaab en bedreigd wordt via Facebook. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag kopieën en vertalingen van de bedreigingen ingebracht. Ook verwijst eiser naar het ambtsbericht inzake Somalië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 30 maart 2016. Eisers woongebied in Doonweyne, in de buurt van Afgooye, Neder Shabelle, is nog steeds niet veilig. Bij terugkeer uit het Westen staan mensen nog steeds in de negatieve aandacht van Al Shabaab.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Tevens heeft verweerder eiser een vertrektermijn onthouden en hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

5. Op wat eiser hiertegen in beroep heeft aangevoerd wordt hieronder ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. De door eiser ingebrachte stukken van de gestelde bedreigingen door Al Shabaab zien op zijn eerder ongeloofwaardig geachte vrees, welk oordeel in rechte vast is komen te staan. Verweerder heeft terecht overwogen dat van de door eiser ingebrachte bedreigingen via sms en Facebook de authenticiteit niet vastgesteld kan worden en de herkomst niet duidelijk is. Uit de berichten blijkt niet van wie deze afkomstig zijn. Er is geen sprake van een objectief verifieerbare bron. Eiser heeft ook niet kunnen uitleggen hoe personen van Al Shabaab aan zijn nummer gekomen zouden zijn. Verweerder heeft de overgelegde sms’jes en Facebookberichten daarom terecht niet als nova aangemerkt.

7. Eiser heeft aangevoerd dat hij bij uitzetting wegens zijn terugkeer uit het westen en gelet op de verslechterde veiligheidssituatie, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook kan eiser niet terugvallen op zijn familie en zal hij bij terugkeer naar Somalië op zichzelf aangewezen zijn.

8. De in de beroepsgrond opgeworpen rechtsvraag over de zogeheten verwestering heeft de Afdeling bij uitspraak van 22 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1168, beantwoord. De Afdeling heeft hierin onder meer overwogen dat het niet aannemelijk is dat een vreemdeling bij terugkeer naar Somalië alleen al vanwege terugkeer uit het Westen een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij afkomstig is uit een gebied dat onder controle staat van Al Shabaab, of dat hij dit gebied alleen kan bereiken via een gebied dat onder controle staat van Al Shabaab. Verder is het hebben van een netwerk geen voorwaarde voor terugkeer volgens het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2016/14. Eiser is een volwassen man die afkomstig is van een grote stam. Dat hij geen familie of andersoortig netwerk heeft of zich niet kan wenden tot zijn clan voor bescherming, heeft hij ook niet aannemelijk gemaakt. WBV 2016/14 kan daarom niet worden aangemerkt als voor eiser relevant nieuw recht.

9. Voor zover eiser heeft betoogd dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw oordeelt de rechtbank dat eiser met de door hem aangehaalde informatie niet onderbouwd heeft dat thans sprake is van een dergelijke situatie in heel Somalië, dan wel in het gebied van herkomst van eiser. Ook de in beroep door eiser aangehaalde rapportage van SEM/BFA van augustus 2017 kan niet leiden tot deze conclusie. Voor zover uit deze informatie al kan worden afgeleid dat de daarin genoemde aanslagen door Al-Shabaab zijn gepleegd, is dit nog geen indicatie dat eisers gebied van herkomst onder controle is van Al‑Shabaab. Deze aanslagen duiden veeleer op het tegenovergestelde, namelijk dat Al-Shabaab tracht controle te verkrijgen door middel van het plegen van aanslagen. Uit deze informatie blijkt niet dat er sprake is van een situatie van willekeurig geweld; er lijkt veeleer sprake van doelgerichte acties. De door eiser aangehaalde landeninformatie over Somalië kan dan ook niet als novum worden aangemerkt.

10. Ook de ambtshalve toetsing door de rechter overeenkomstig het Bahaddar-arrest, thans neergelegd in artikel 83.0a van de Vw, kan eiser niet baten. Van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), is de rechtbank niet gebleken.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.