Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13511

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
AWB 17/11334
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghaanse. Afwijzing eerste asielaanvraag. VA. Nieuwe beroepsgrond ter zitting. Goede procesorde. Geloofwaardigheid van het asielrelaas. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11334

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.C. van Zundert),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende gronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.P.G. van Bel. Ter zitting is de zaak aangehouden wegens verhindering van de tolk.

Op 30 oktober 2017 is het onderzoek ter zitting voortgezet. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Wasseghi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Berben.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Op 10 november 2015 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat zijn moeder enige jaren ernstig ziek is geweest, maar dat er geen geld was om de noodzakelijke operatie te betalen. Eiser is tijdens een gebed in de moskee door een onbekende aangesproken die namens een anonieme geldschieter heeft aangeboden om het benodigde bedrag te schenken. Eiser heeft het geldbedrag in ontvangst genomen. Nadat zijn moeder met succes is geopereerd, heeft eiser een afspraak gemaakt met de geldschieter om hem te bedanken. Echter bleek dat de geldschieter een mollah (geestelijke) van de Taliban was die eiser wilde rekruteren voor het voeren van jihad (heilige oorlog). Eiser is toen opgesloten, maar is weten te ontsnappen en heeft vervolgens Afghanistan verlaten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is, met uitzondering van de verklaringen over identiteit, nationaliteit en herkomst.

4. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Eerst ter zitting heeft eiser aangevoerd dat terugkeer naar Afghanistan in strijd is met het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn). Ter onderbouwing van die stelling heeft hij het rapport ‘Forced Back To Danger’ van Amnesty International overgelegd, bestaande uit tweeënveertig pagina’s tekst in de Engelse taal. Naar het oordeel van de rechtbank verzet de goede procesorde zich ertegen dat deze grond bij de beoordeling wordt betrokken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het niet aannemelijk is dat eiser deze grond en dit rapport niet eerder had kunnen inbrengen en dat verweerder daarop niet adequaat kan reageren zonder dat hem daarvoor een nadere termijn wordt gegeven. De rechtbank laat deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing.

6. Eiser voert aan dat verweerder zijn verklaringen over de ziekte van zijn moeder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat het vreemd is dat het drie jaar zou hebben geduurd voordat de artsen in Afghanistan bij zijn moeder tot de diagnose ‘galstenen’ konden komen. Eiser heeft dit onvoldoende weerlegd met het bij zienswijze overgelegde stuk van Afghanistan Analysts Network van 2 december 2014. Daarmee kan, anders dan eiser stelt, niet aannemelijk worden gemaakt dat Afghaanse artsen slechts aan symptoombestrijding doen en onderzoek naar de herkomst van de klachten achterwege laten.

7. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiser

tegengeworpen dat zijn verklaringen over de behandeling die zijn moeder na de diagnose zou hebben gekregen, niet overtuigen. Verweerder merkt terecht op dat eiser desgevraagd nauwelijks details heeft kunnen geven van het moment waarop de diagnose werd gesteld, ondanks dat het hier ging om een doorbraak en ondanks dat eiser naar eigen zeggen voortdurend betrokken was bij het behandeltraject van zijn moeder. Zo weet eiser de datum niet waarop dit gebeurde of de naam van de arts die de diagnose stelde, noch de praktijk waar die arts werkzaam was. Daarnaast heeft hij enerzijds verklaard dat de diagnose niet door de arts werd gedocumenteerd, maar anderzijds dat zijn moeder onderzoeksresultaten op papier meekreeg (pagina 7 en 8 rapport aanvullend gehoor van 3 februari 2017). Dit alles is onvoldoende weerlegd met de mededeling bij zienswijze dat eiser zich de naam van deze arts alsnog herinnert.

8. Eiser heeft verklaringen afgelegd over de naam van de arts die eisers moeder heeft geopereerd en de naam van het ziekenhuis waar deze operatie heeft plaatsgevonden. Echter heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat het verwijzende overheidsziekenhuis er niet van op de hoogte zou zijn geweest dat er in dezelfde stad een privékliniek is waar eisers moeder kon worden behandeld, terwijl een willekeurige kennis van eiser dit wel zou hebben geweten. Ook heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat hij de ligging van deze privékliniek niet kan beschrijven, terwijl hij naar eigen zeggen als taxichauffeur tot in detail op de hoogte was van de topografie van zijn stad. Dit is onvoldoende weerlegd met het overleggen van een foto en een schermafbeelding van Google Maps waarop de kliniek te zien is.

9. Eiser heeft bij de correcties en aanvullingen van 2 maart 2017 kopieën van documenten

overgelegd die volgens hem zien op de operatie van zijn moeder. Op 14 april 2017 heeft hij vertalingen van deze documenten overgelegd. Ondanks dat het niet gaat om originelen, heeft verweerder deze stukken terecht inhoudelijk bij de beoordeling betrokken. In dat kader heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de kopieën onvoldoende blijkt dat deze daadwerkelijk betrekking hebben op de gestelde operatie van eisers moeder. Voorts is terecht in aanmerking genomen dat uit de stukken niet blijkt dat voor de operatie een bedrag van 65.000,- Afghani is betaald.

10. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder eisers verklaringen over de ziekte van zijn moeder, die het vertrekpunt vormen van zijn asielrelaas, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

11. Eiser voert verder met een verwijzing naar de zienswijze aan dat verweerder ten onrechte zijn verklaringen over de keuze om geld te lenen van de onbekende in de moskee ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder dat niet ten onrechte heeft gedaan. Verweerder heeft terecht overwogen dat het vreemd is dat hij niet eerst heeft geprobeerd om via meer gangbare wegen aan geld te komen, bijvoorbeeld via een lening bij een kennis of een bank. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat het vreemd is dat eiser enerzijds verklaart dat hij geen geld kon lenen bij een vermogende oom nu zijn gezin met hem in onmin leefde, maar anderzijds dat hij zijn ouders bij diezelfde oom heeft ondergebracht voordat hij Afghanistan is uitgereisd.

12. Gelet op het voorgaande is terecht overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.