Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13510

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
AWB 17/12189
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV Nareis. Bewijsnood ten aanzien van gezinsband. Plausibele verklaringen over gezinsband. Beroep op WBV 2017/5 en artikel 1.27 Vb. Hoorplicht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/12189

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] (ook bekend als: [eiser]), eiser

(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen de weigering om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis te verlenen kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Libanese nationaliteit. Op 11 februari 2016 is ten behoeve van hem een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis ingediend door zijn echtgenote [referente] (referente), aan wie op 24 december 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.

2. Bij besluit van 16 november 2016 (primair besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 2q, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn gezinsband met referente niet aannemelijk heeft gemaakt met documenten of plausibele verklaringen.

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is zijn bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Op wat eiser daartegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van C1/4.4.6 en C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) onderbouwt de vreemdeling die om nareis van een gezinslid vraagt de gestelde band met dit gezinslid in eerste instantie met documenten. Eiser heeft een kopie van zijn paspoort overgelegd en gesteld dat er verder geen documenten voorhanden zijn omdat hij in Syrië als christen niet officieel kon trouwen met een moslima. In bezwaar heeft eiser een kopie van zijn ID-kaart en enkele foto’s overgelegd, alsook een uittreksel uit de Nederlandse Basisregistratie Personen (BRP) waaruit blijkt dat referente hier te lande als gehuwd geregistreerd staat.

5. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat de door eiser overgelegde documenten niet onderbouwen dat hij met referente gehuwd is, dan wel een partnerschapsrelatie heeft. De kopieën van het paspoort en de ID-kaart zien slechts op de identiteit van eiser en de gegevens in de BRP zijn afkomstig van de eigen verklaringen van referente. Met foto’s kan de aard van de relatie van de daarop zichtbare personen niet aannemelijk worden gemaakt.

6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij in bewijsnood is. Verweerder heeft eiser er echter herhaaldelijk op gewezen dat van hem verwacht werd documenten over te leggen. Dit is reeds gebeurd op het aanvraagformulier en op de ontvangstbevestiging van 18 februari 2016. De reactie van eiser daarop dat hij niet officieel kon trouwen, is naar het oordeel van de rechtbank een ontoereikende verklaring voor het feit dat hij in het geheel geen documenten heeft kunnen overleggen, anders dan een kopie van zijn paspoort.

7. Vervolgens heeft verweerder eiser bij herstelverzuimbrief van 6 september 2016 nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld om aanvullende documenten te overleggen en daarbij met zoveel woorden gezegd dat bijvoorbeeld kan worden gedacht aan een familieboekje, aktes en uittreksels. Eiser heeft daarop niet gereageerd en dusdoende geen duidelijkheid verschaft over de vraag waarom hij de door verweerder genoemde documenten niet zou kunnen overleggen.

8. In bezwaar grijpt eiser terug op zijn uitleg dat het huwelijk in Syrië vanwege de shariawetgeving niet officieel kon worden geregistreerd, maar stelt hij wel dat er een plechtigheid is geweest waarbij getuigen en een advocaat aanwezig waren en waarbij hij samen met referente een document heeft ondertekend. Echter blijft onduidelijk waarom eiser niet zou kunnen beschikken over dit ondertekende document of over verklaringen van de aanwezige advocaat of getuigen.

9. Eiser heeft verklaard dat referente eerder gehuwd is geweest, maar is gescheiden. Eerst in beroep heeft hij gesteld dat referente in het bezit is geweest van een akte van deze echtscheiding, maar dat deze akte tijdens haar reis naar Nederland in het water is gevallen en dat het voor haar niet mogelijk is om vanuit Nederland een nieuw afschrift van deze akte aan te vragen. Daargelaten dat deze verklaring eerder had kunnen worden afgelegd, stelt de rechtbank vast dat daarmee opnieuw geen toereikende uitleg wordt gegeven over het ontbreken van de door verweerder bij de herstelverzuimbrief genoemde aanvullende documenten.

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht niet heeft aangenomen dat eiser in bewijsnood is.

11. Uit voornoemde onderdelen van de Vc volgt verder dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om de gestelde gezinsband met plausibele verklaringen te onderbouwen als het niet mogelijk is om dit met documenten te doen.

12. Eiser voert aan dat hij voldoende plausibele verklaringen heeft afgelegd om aannemelijk te maken dat hij een partnerschapsrelatie met referente heeft die op één lijn is te stellen met een huwelijk. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij nooit heeft samengewoond met referente, wat een relevant aspect is nu geen sprake is van een officieel burgerlijk huwelijk. Daarnaast heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij ten opzichte van referente tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hoe lang zij elkaar kenden en over de verblijfplaats van referente na zijn vertrek naar Libanon.

13. Eiser voert verder aan dat samenwoning geen vereiste meer is in het nieuwe beleid van verweerder zoals dat is komen te luiden na het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) met nummer 2017/5 en dat dit nieuwe beleid in zijn geval had moeten worden toegepast omdat het gunstiger is. Ook in deze stelling wordt eiser niet gevolgd. Op grond van artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, behalve als uit de wet anders voortvloeit of als het recht op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven gunstiger is. Het genoemde WBV is tot stand gekomen na het bestreden besluit, zodat deze beroepsgrond niet kan slagen.

14. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder terecht uit de bezwaargronden, bezien in relatie met het primaire besluit, heeft afgeleid dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft daarom mogen afzien van horen als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.