Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13507

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 9270
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv, minderjarige partner, Gezinsherenigingsrichtlijn, individuele belangenafweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/9270

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. H.E. Visscher,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 april 2017 (bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Referent [referent], geboren [geboortedatum], is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig N. Al Wandawi, tolk Arabisch.

Overwegingen

1. Referent is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met ingang van 14 januari 2016.

2. Eiseres is van Syrische nationaliteit en geboren op [geboortedatum]. Op 10 februari 2016 heeft referent ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Bij besluit van 26 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat aan eiseres geen mvv kan worden verleend, omdat zij minderjarig is. Verweerder beschouwt een buiten Nederland gesloten traditioneel huwelijk niet als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. Voor ongehuwde partners geldt ingevolge de Wet tegengaan huwelijksdwang dat zij beiden de leeftijd van 18 jaar moeten hebben bereikt en er sprake moet zijn van een duurzame, exclusieve relatie. Een niet-huwelijks partnerschap onder de 18 jaar is in strijd met de openbare orde. Het nareisbeleid is niet in strijd met artikel 4, vijfde lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) (de Richtlijn). Aan een individuele belangenafweging wordt niet toegekomen nu eiseres niet aan het leeftijdsvereiste voldoet.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen sprake is van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. Eiseres is, onder verwijzing naar het Nederlands Tijdschrift voor Kerk en Recht, 9 (2015), p. 1-13, van mening dat een kerkelijk huwelijk in Syrië gezien wordt als een officieel erkend huwelijk. Op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek dient verweerder dit huwelijk ook in Nederland als zodanig te erkennen. Voor zover er geen sprake zou zijn van een rechtsgeldig huwelijk stelt eiseres zich op het standpunt dat zij en referent als ongehuwde partners een duurzame, exclusieve relatie onderhouden.
Verder is eiseres van mening dat verweerders nareisbeleid in strijd is met de Richtlijn. Eiseres erkent dat de lidstaten voorwaarden mogen stellen met betrekking tot de leeftijd van de echtgenoten in geval van gezinshereniging, maar er dient altijd een individuele afweging plaats te vinden. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten. De lidstaten mogen de bevoegdheid tot het stellen van een leeftijdsvereiste alleen stellen om de integratie te bevorderen en gedwongen huwelijken te voorkomen. In casu er is geen sprake van een gedwongen huwelijk.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er geen sprake is van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de verklaringen van referent tijdens het gehoor aanmeldfase van 12 november 2015, p. 4 en het verificatiegehoor van 10 januari 2016, p. 5, van zijn asielprocedure blijkt dat hij over een huwelijksakte van de imam of sheik beschikt. Tevens heeft hij verklaard dat hij niet over een huwelijksakte van de rechtbank beschikt. Verweerder heeft hieruit mogen afleiden dat eiser en referente traditioneel gehuwd zijn. Uit par. 3.3.1 van het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2017 over Syrië blijkt dat huwelijksaktes, die niet officieel door een shariarechtbank zijn bekrachtigd, geen officiële status hebben en derhalve niet zonder meer kunnen dienen als document om het huwelijk als wettelijk geldend bij de burgerlijke stand te laten registeren. Referent heeft verder bij zijn mvv-aanvraag ten behoeve van eiseres volgens de begeleidende brief van Vluchtelingenwerk Nederland van

9 februari 2016 een huwelijksakte overgelegd. Nu dit echter een onvertaald document betreft heeft verweerder daar niet die waarde aan hoeven hechten die referent daaraan gehecht wenst te zien.

6. Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn kunnen de lidstaten, met het oog op een betere integratie en teneinde gedwongen huwelijken te voorkomen, eisen dat de gezinshereniger en zijn echtgenote een minimumleeftijd hebben, en ten hoogste de leeftijd van 21 jaar hebben, alvorens de echtgenote zich bij hem kan voegen.

7. In paragraaf 2.3 van de Richtsnoeren voor de toepassing van de Richtlijn inzake het recht op gezinshereniging (COM(2014)210) staat dat de lidstaten de bevoegdheid om een minimumleeftijd te vereisen alleen mogen gebruiken om de integratie te bevorderen en gedwongen huwelijken te voorkomen. De lidstaten mogen de minimumleeftijd dus alleen voor dit doel voorschrijven en niet op een manier die afbreuk zou doen aan het doel en het nuttig effect van de Richtlijn. In geval een minimumleeftijd vereist wordt, moeten voor elk geval nog steeds alle relevante omstandigheden van het individuele verzoek worden beoordeeld. Voorts staat vermeld dat de minimumleeftijd als richtsnoer kan fungeren, maar dat deze niet mag worden gebruikt als algemeen minimum waaronder alle verzoeken systematisch worden afgewezen, ongeacht of de situatie van iedere indiener daadwerkelijk is onderzocht (naar analogie van het arrest Chakroun van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-578/08) van 4 maart 2010, punten 43 en 48). De minimumleeftijd is slechts een van de verschillende factoren waar rekening mee moet worden gehouden wanneer de lidstaat een verzoek behandelt (C-540/03, punten 99-101). Als deze individuele beoordeling uitwijst dat de motivering van artikel 4, vijfde lid van de Richtlijn, niet van toepassing is, moeten de lidstaten overwegen een uitzondering te maken en gezinshereniging toe staan in gevallen waar niet aan het vereiste van de minimumleeftijd is voldaan.

8. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de vereiste minimumleeftijd van 18 jaar en het standpunt dat er aan een individuele belangenafweging niet toegekomen wordt. Verweerder had moeten beoordelen of de achterliggende redenen voor de in artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn opgenomen mogelijkheid een minimumleeftijd vast te stellen, namelijk het bevorderen van een goede integratie en het voorkomen van gedwongen huwelijken, gelet op de individuele omstandigheden van eiseres en referent, aan de orde zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek.

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

10. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,- (negenhonderdnegentig euro) te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: