Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13500

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
NL17.2167
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, bekering niet geloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2167


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. T.L. Schuitemaker).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 april 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 9 november 2015 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Afghanistan is bekeerd tot het christendom en dat hij om die reden heeft moeten vluchten. Eiser is geboren als moslim, maar praktiseerde zijn geloof niet. Eisers broer is eerder bekeerd tot het christendom en sprak daarover met eiser. Later leerde eiser [naam] kennen, die eiser op een gegeven moment vertelde dat hij tolk- en vertaalwerk deed voor een huiskerk in Kaboel en die ook bekeerd was. [naam] heeft eiser vervolgens geëvangeliseerd. Eiser is meegegaan naar de huiskerk. Vier dagen voor eisers vertrek heeft zijn stiefvader, een islamitische geestelijke, eiser betrapt op het lezen van de bijbel. Dit leidde tot een slaande ruzie, en opsluiting van eiser in de kelder. Eiser is later bevrijd en daarna is hij gevlucht.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers gestelde bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen acht verweerder niet geloofwaardig.

4. Eiser heeft in beroep betwist dat zijn bekering en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2801) volgt dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering doorslaggevend gewicht kan toekennen aan de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer indien een vreemdeling - zoals eiser - afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888).

6. Verweerder heeft allereerst aan eiser tegengeworpen dat hij ten tijde van het aanmeldgehoor op 12 november 2015 heeft verklaard moslim te zijn en zichzelf te rekenen tot de sjiitische stroming. Dit strookt niet met eisers latere verklaring dat hij zich reeds in Afghanistan heeft bekeerd tot het christendom, aldus verweerder.

7. Namens eiser is terecht aangevoerd dat verweerder niet juist heeft gehandeld door eiser pas bij het bestreden besluit in het bezit te stellen van het rapport van het aanmeldgehoor, ondanks herhaalde verzoeken van de gemachtigde om toezending van het rapport. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om te oordelen dat er in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling geen betekenis kan worden gehecht aan de verklaringen die eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft afgelegd. Ondanks dat het aanmeldgehoor vlak na aankomst in Nederland plaatsvindt en voordat de vreemdeling een advocaat heeft gesproken, is het immers aan de vreemdeling om de gestelde vragen zo volledig mogelijk en naar waarheid te beantwoorden. Nu eiser stelt dat zijn bekering in Afghanistan de reden is dat hij asiel vraagt in Nederland, valt niet in te zien dat hij bij het aanmeldgehoor zou verklaren dat hij moslim is. Verweerder heeft dit daarom terecht aan eiser tegengeworpen.

8. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser slechts vage, summiere en algemene verklaringen heeft afgelegd over wat hem aantrok in het christelijk geloof. Hij heeft slechts verklaard dat het hem rust, liefde en vergevingsgezindheid bood. Ook heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt wat hem heeft overtuigd te kiezen voor het christelijke geloof. Zijn verklaringen dat de heilige geest op hem neerdaalde en dat hij innerlijke rust ervaarde, heeft verweerder niet ten onrechte als onvoldoende beschouwd. Verder stelt verweerder terecht dat het vreemd is dat eiser nooit twijfels zou hebben gehad bij het christelijke geloof, gelet op de positie van christenen in Afghanistan. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zeer kritisch stond tegenover de islam. Hij stelt dat hij in Afghanistan niet deelnam aan het gebed, het vasten en andere religieuze rituelen, omdat hij gesteld was op zijn vrijheid. Nu ook het christelijke geloof regels, geboden en rituelen kent, heeft verweerder het niet ten onrechte als opvallend aangemerkt dat eiser zich niet kritischer heeft opgesteld ten opzichte van het christendom. Ook heeft eiser geen overtuigende verklaringen afgelegd over wat het christendom hem opgeleverd heeft. Tot slot stelt verweerder terecht dat eiser vreemde en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de gevaren die een bekering in Afghanistan met zich mee zou brengen en dat eiser bovendien niet inzichtelijk heeft kunnen maken waarom hij zich ondanks deze gevaren toch heeft bekeerd.

9. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces van bekering en dat de bekering tot het christendom niet geloofwaardig is. Ook de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden als gevolg van de bekering, zijn daarom niet ten onrechte als ongeloofwaardig aangemerkt.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.