Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13494

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
NL17.10002
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algerijnse. Afwijzing eerste asielaanvraag. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Wijze van horen. Herbeoordelen situatie veilige landen van herkomst. Bekering tot het Christendom. Afzien van uitvaardigen inreisverbod. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10002


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).


Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is bepaald dat hij het Nederlandse grondgebied onmiddellijk moet verlaten en is tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aanvullende gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL17.10003, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Algerijnse nationaliteit. Op 23 september 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het Christendom en dat hij daardoor problemen heeft gekregen met de familie van zijn vrouw, die overtuigd moslim is.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de door hem gestelde bekering en de daaruit voortgevloeide problemen niet. Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat Algerije een veilig land van herkomst is en dat er geen aanleiding bestaat om in eisers geval van dat standpunt af te wijken.

3. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eiser voert allereerst aan dat hij ten onrechte niet in de Kabylie-taal is gehoord nu hij, hoewel hij ook het Arabisch en het Frans in enige mate beheerst, zich alleen in deze taal voldoende gedetailleerd kan uiten over zijn bekering.

5. Uit het verslag van het ‘gehoor veilig land van herkomst’ van 27 september 2017 blijkt niet dat er sprake is geweest van problemen in de communicatie tussen eiser, de tolk en de gehoorambtenaar. Wel blijkt uit dit verslag dat eiser aan het begin van het gehoor heeft bevestigd dat hij zich goed kan uitdrukken in het Arabisch en dat hij de aanwezige tolk goed kon verstaan en begrijpen. Ook blijkt dat eiser aan het einde van het gehoor heeft bevestigd dat hij de vragen van de gehoorambtenaar en de vertaling door de tolk goed heeft begrepen. Uit de correcties en aanvullingen op dit gehoor die namens eiser zijn ingediend, blijkt niet dat hij essentiële elementen van zijn relaas niet naar voren heeft kunnen brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder bij de beoordeling heeft mogen uitgaan van de verklaringen zoals eiser die tijdens dit gehoor heeft afgelegd.

6. Eiser voert aan dat verweerder Algerije in zijn geval ten onrechte als veilig land van herkomst heeft aangemerkt omdat niet binnen een jaar een herbeoordeling van de veiligheidssituatie heeft plaatsgevonden. Volgens eiser blijkt uit een brief van Amnesty International van 24 februari 2017 aan de Europese Commissie dat de veiligheidssituatie in Algerije thans zodanig is, dat niet kan worden gesproken van een veilig land van herkomst. Verder verwijst hij naar artikel 37, tweede lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en naar een brief van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 26 september 2017 (Kamerstukken II, 2016/17, 19 637, nr. 2349) en de bijlage daarbij waaruit blijkt dat ten aanzien van Algerije nog geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden.

7. Uit artikel 37, tweede lid, van de Procedurerichtlijn en artikel 3.105ba, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, blijkt dat de lidstaten de situatie in veilige landen van herkomst regelmatig opnieuw moeten beoordelen. Er is echter geen rechtsregel die bepaalt dat daarvoor een fatale termijn van een jaar geldt. Een dergelijke regel is ook niet neergelegd in de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2040), die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is overgenomen, waarin uitleg wordt gegeven aan het veilig-land-van herkomstbegrip.

8. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat niet langer kan worden uitgegaan van de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst, zoals die laatstelijk is geaccordeerd door de Afdeling op 31 juli 2017 in de uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2017:2052. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. De stelling dat de meeste andere lidstaten van de Europese Unie Algerije niet als veilig land van herkomst aanmerken, is daartoe niet voldoende. De brief van Amnesty International is dat evenmin, nu daarin slechts enkele aanbevelingen zijn opgenomen terwijl verslaglegging van de actuele veiligheidssituatie ontbreekt.

9. Eiser voert ook aan dat ten onrechte niet is overwogen dat Algerije voor hem persoonlijk niet als veilig land kan gelden vanwege zijn bekering tot het Christendom. De rechtbank roept allereerst in herinnering dat het, anders dan eiser stelt, niet op de weg van verweerder ligt om daar onderzoek naar te doen. Zoals is uiteengezet in voornoemde conclusie van 20 juli 2016, ligt het op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een land dat met een afdoende motivering als veilig land van herkomst is aangewezen voor hem persoonlijk niet als veilig kan gelden. Reeds omdat eiser heeft verklaard dat hij nooit bescherming heeft gevraagd bij de autoriteiten, is de rechtbank van oordeel dat hij daarin niet is geslaagd. Daarbij verwijst de rechtbank nogmaals naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2017 (rechtsoverweging 2.1).

10. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat eisers asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat Algerije voor hem als veilig land van herkomst heeft te gelden.

11. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder geen inreisverbod tegen hem heeft mogen uitvaardigen omdat hij daardoor zijn zus niet meer kan bezoeken. Zij woont in Nederland en kan niet naar Algerije reizen omdat zij ook is bekeerd tot het Christendom. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw kan verweerder om humanitaire redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat de door eiser aangevoerde redenen niet genoeg zijn om af te zien van een inreisverbod. Daarbij is op goede gronden in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat eiser zijn familie niet in een ander land kan ontmoeten.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.