Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13491

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
nl17.9222
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvraag, ongeloofwaardigheid, misbruik, artikel 40 Procedurerichtlijn, verwijtbaarheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9222


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. H.K. Westerhof),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop
Bij besluit van 21 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aan eiser is voorts een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, zaaknummer NL17.9223, plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F. Boone, advocaat, als zaakwaarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit, behoort tot de Hazara bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 19 september 2017 een opvolgende asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft eerder, op 30 december 2015, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 29 juni 2016 is deze aanvraag afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 11 augustus 2016, AWB 16/14516, ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 29 juni 2016 is daarmee in rechte komen vast te staan.

3. Eiser heeft aan zijn opvolgende aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is voor zijn vertrek uit Afghanistan misbruikt door zijn oom. Het misbruik heeft plaatsgevonden tijdens de bezoeken van zijn oom. Tijdens deze bezoeken werd eiser onder druk gezet om formulieren te ondertekenen, waardoor de oom eigenaar zou worden van een stuk grond dat eiser geërfd had van zijn overleden vader. Eiser heeft dit niet eerder naar voren gebracht omdat hij hierover niet eerder durfde te spreken. Bovendien waren er communicatieproblemen met de tolk tijdens het nader gehoor in de vorige procedure.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij in Nederland is bedreigd door een zekere [naam], nadat eiser deze persoon had aangegeven bij Inlia (de instantie die eiser heeft opgevangen) en de politie vanwege het gebruik van drugs.

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar de onder 2 genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 augustus 2016, op het standpunt gesteld dat het misbruik niet kan worden aangemerkt als novum. Eiser had dit element, dat onderdeel uitmaakt van zijn relaas, eerder kunnen en moeten inbrengen. Er is derhalve evenmin aanleiding om een door eiser gewenst medisch onderzoek op te starten.

De bedreigingen in Nederland kunnen niet worden aangemerkt als een novum omdat eiser zich bij voorkomende problemen dient te wenden tot de politie, aldus verweerder in het bestreden besluit.

5. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt. Van belang voor dit oordeel is allereerst dat in rechte vaststaat dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is en het gestelde misbruik daarvan onderdeel uitmaakt. Verweerder heeft het eerder ongeloofwaardige relaas derhalve niet alsnog als geloofwaardig hoeven aan te merken.

7. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom eisers verklaring voor het feit dat hij het misbruik niet eerder naar voren heeft gebracht: vanwege zijn jonge leeftijd, zijn culturele achtergrond en de miscommunicatie met de tolk, niet wordt gevolgd.

8. De stelling van eiser in beroep dat artikel 40, vierde lid, van Richtlijn 3013/32/EU (de Procedurerichtlijn) niet is geïmplementeerd in de nationale wetgeving en dat daarom aan eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij het gestelde seksueel misbruik eerder naar voren had moeten en kunnen brengen, onderschrijft de rechtbank niet. De rechtbank verwijst daartoe naar de ter zitting besproken uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 oktober 2017, ECLI:NL:RVS :2017:2718. Daarin is geoordeeld dat artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, een implementatie betreft van de artikelen 33 en 40 van de Procedurerichtlijn. Gezien de geschiedenis van de totstandkoming en de doelstellingen van de Procedurerichtlijn en de systematiek en bewoordingen van de artikelen 33 en 40, bestaat er redelijkerwijs geen twijfel dat de verwijtbaarheidstoets is vervat in de term ‘nieuw’, aldus de Afdeling. De rechtbank volgt dit oordeel. Dat betekent in dit geval dat verweerder aan eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij het gestelde misbruik in de eerste asielprocedure had kunnen en moeten inbrengen.

9. De stelling van eiser dat verweerder Werkinstructie 2015/9 over het horen en beslissen in LHBT-zaken analoog moet toepassen op zijn aanvraag, volgt de rechtbank evenals verweerder niet, nu de schroom van eiser om over het gestelde misbruik te vertellen geen betrekking heeft op de geaardheid van eiser, maar onderdeel is van het asielrelaas.

Verweerder heeft vervolgens niet onzorgvuldig gehandeld door geen gebruik te maken van eisers aanbod om zich medisch te laten onderzoeken, nu eiser zijn gestelde medische problemen niet met stukken heeft onderbouwd.

10. De rechtbank dient op grond van artikel 83.0a van de Vw ambtshalve te treden in de vraag of ondanks het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden of een relevante wijziging van het recht, sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden, die noodzaken tot beoordeling van het bestreden besluit als ware het een eerste afwijzing. De rechtbank is van oordeel, dat het asielrelaas van eiser nog steeds als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt. Aan dit relaas kunnen derhalve geen bijzondere feiten of omstandigheden, als hiervoor bedoeld, worden ontleend.

Eiser voert verder aan dat hij psychisch ‘in de knoop’ zit, dat hij Hazara is en verwijst in het kader van zijn beroep op de algemene situatie in Afghanistan naar een niet met name genoemd rapport van Amnesty International van 5 oktober 2017.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het voorgaande onder verwijzing naar de bekend veronderstelde jurisprudentie van de Afdeling inzake Afghanistan, zoals bijvoorbeeld een uitspraak van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2731, niet hoeven aan te merken als bijzondere feiten en omstandigheden.

11. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nu eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, is er op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, aanleiding om aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen. De stelling in beroep dat er gelet op de aard van eisers relaas en het ontbreken van openbare-orde-aspecten geen inreisverbod had mogen worden opgelegd, kan geen doel treffen, nu voormelde bepaling – die niets met de openbare orde te maken heeft – leidt tot het opleggen van een inreisverbod.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.