Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13450

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
09/837260-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Verdachte heeft zich in een periode van een aantal jaren meerdere keren schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen gepleegd met zijn buurmeisje (in de leeftijd van dertien tot en met vijftien jaar), terwijl die handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Toewijzing vordering benadeelde partij.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837260-15

Datum uitspraak: 8 november 2017

Tegenspraak

(Vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 25 oktober 2017.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Hilversum, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. C.C.E.T. de Ceuninck van Capelle heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd, en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 13.250,- subsidiair 101 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van van 22 1999 tot en met 21 mei 2002 te

Moordrecht met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het tongzoenen en/of betasten

en/of zoenen en/of likken van de borsten van die [slachtoffer] en/of het zich

laten aftrekken en/of zijn penis laten betasten door die [slachtoffer] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 1999 tot en met 21 mei 2000 te

Moordrecht, met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet

die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

3.

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2001 tot en met 21 mei 2002 te

Moordrecht, met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet

die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

  1. de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 oktober 2017;

  2. het proces-verbaal van aangifte ( [slachtoffer] ) van de politie Eenheid Den Haag, nr. PL1500-2015137416-1, d.d. 13 mei 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (blz. 28 t/m 39).

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 22 mei 1999 tot en met 21 mei 2002 te

Moordrecht met [slachtoffer] , geboren op 22 mei 1986, die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het tongzoenen en betasten

en zoenen en likken van de borsten van die [slachtoffer] en het zich

laten aftrekken en zijn penis laten betasten door die [slachtoffer] ;

2.

hij in de periode van 22 mei 1999 tot en met 21 mei 2000 te

Moordrecht, met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet

die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

3.

hij in de periode van 22 mei 2001 tot en met 21 mei 2002 te

Moordrecht, met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet

die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De rechtbank heeft– op verzoek van de officier van justitie en met instemming van de verdediging – tevens het woordje mei opgenomen bij feit 1. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Verdachte heeft zich in een periode van een aantal jaren meerdere keren schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen gepleegd met zijn buurmeisje (in de leeftijd van dertien tot en met vijftien jaar), terwijl die handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verdachte heeft aldus op een uiterst kwalijke wijze het vertrouwen dat het slachtoffer in hem had behoren te kunnen stellen geschonden en zijn eigen lustgevoelens voortdurend laten prevaleren boven het belang van zijn buurmeisje. Ook het vertrouwen dat de ouders van het slachtoffer in hem stelden, heeft hij ernstig beschaamd. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer waarvan de gevolgen nog lange tijd hebben doorgewerkt, hetgeen blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 26 september 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens het plegen van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 5 april 2017. De reclassering adviseert een verplicht reclasseringscontact.

Alhoewel misdrijven als de onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer rechtvaardigen, zal de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank laat hierbij meewegen dat de ten laste gelegde feiten reeds lange tijd geleden (ruim vijftien jaar) zijn gepleegd. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte de ten laste gelegde feiten ter terechtzitting heeft bekend, zonder voorbehoud. Verdachte heeft hiermee de volledige verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen waar hij nu, terecht, met een groot gevoel van schuld en schaamte op terugkijkt. Wel zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar hieraan niet de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. Hiertoe ziet de rechtbank, nu verdachte de volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden, hij overigens geen documentatie heeft en na het plegen van de onderhavige feiten niet heeft gerecidiveerd, thans geen aanleiding meer. Voorts zal de rechtbank een werkstraf opleggen voor de hierna te melden duur.

De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 13.250,-.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post EMDR ten bedrage van € 750,-, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten.

Verder acht de rechtbank deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 10.000,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.750,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 21 mei 2002 is ontstaan.

De rechtbank zal voor het overige deel van de vordering, dit deel niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 10.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2002 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van de feiten 2 en 3:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 180 (honderdtachtig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 (negentig) dagen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] , een bedrag van € 10.750,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2002 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 10.750,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 88 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter,

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, rechter,

mr. M. van Seventer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 november 2017.