Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13408

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
C-09-541491-KG ZA 17-1361
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Een veroordelend vonnis jegens een persoon, die optreedt als bewindvoerder van zijn zoon, kan niet worden geëxecuteerd jegens de bewindvoerder persoonlijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/541491 / KG ZA 17/1361

Vonnis in kort geding van 17 november 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. O.J. Praamstra te Zoetermeer ,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.I. Veldhuis-Lampe te Meppel.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en ' [gedaagde sub 1] cs'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de door [eiser] bij brieven van 30 oktober 2017 en 1 november 2017 overgelegde producties;

- de door [gedaagde sub 1] cs bij brief van 2 november 2017 overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 november 2017. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is gehuwd geweest met [A] (hierna: ' [A] '). Uit het huwelijk is onder meer geboren [X] op [geboortedatum] (hierna: ' [X] '). [X] is zwakzinnig. [A] is benoemd als bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [X] .

2.2.

[gedaagde sub 1] cs exploite(e)r(d)en voor gezamenlijke rekening en risico een zorgonderneming onder de naam " [de zorgonderneming] " te [plaats] , die zich bezig houdt met het verlenen van 24-uurszorg aan mensen met een verstandelijke beperking.

2.3.

[X] heeft vanaf 30 september 2008 gebruik gemaakt van de diensten van [gedaagde sub 1] cs. Daartoe heeft [A] - namens [X] - met [gedaagde sub 1] cs een huurovereenkomst en een verzorgingsovereenkomst ("Klantovereenkomst") gesloten.

2.4.

[A] is op [datum overlijden] overleden. Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Delft, van 6 oktober 2011 is [eiser] als opvolgend bewindvoerder benoemd over de onder bewind gestelde goederen van [X] .

2.5.

Met het oog op de aan [X] te verlenen zorg hebben [gedaagde sub 1] cs, als vertegenwoordigers van [de zorgonderneming] , en [eiser] , als gemachtigde/wettelijk vertegenwoordiger" van [X] , op 21 maart 2013 respectievelijk 23 april 2013 een nieuwe overeenkomst ondertekend betreffende de verhuur van (onzelfstandige) woonruimte gedurende een periode van twee jaar.

2.6.

[eiser] heeft op 5 september 2014 aan [gedaagde sub 1] cs kenbaar gemaakt [X] weg te willen halen. Aan dat voornemen heeft hij op 27 september 2014 - met medeneming van een groot deel van de spullen van [X] - uitvoering gegeven.

2.7.

[gedaagde sub 1] cs hebben [eiser] op 23 december 2016 gedagvaard om te verschijnen op de zitting van de kantonrechter van deze rechtbank. In die procedure hebben [gedaagde sub 1] cs gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 30.987,05 wegens nog verschuldigde huur, kosten en rente uit hoofde van de onder 2.5 vermelde huurovereenkomst. [eiser] heeft tegen die vordering gemotiveerd verweer gevoerd. In dat verband stelt hij in zijn conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie onder meer het volgende:

"1.3 [eiser] is de vader en tevens de curator van een voormalige patiënt van [gedaagde sub 1] c.s. zijnde de heer [X] ( [X] ) [X] , hierna te noemen: [X] . [X] is aan te merken als de materiële procespartij en [eiser] als de formele procespartij. [eiser] is dan ook namens [X] de huurovereenkomst (…) met [gedaagde sub 1] c.s. aangegaan. De voormalige overleden echtgenote van [eiser] , mevrouw [A] , was de voormalige curator van [X] en heeft uit dien hoofde de klantovereenkomst (…) gesloten met [gedaagde sub 1] c.s.. Thans treedt uitsluitend [eiser] op als de curator van [X] ."

2.8.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 4 september 2017 (hierna: 'het Vonnis)' heeft de kantonrechter [eiser] in conventie veroordeeld tot betaling van een bedrag van bijna € 30.987,05, te vermeerderen met rente en proceskosten. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

2.9.

[gedaagde sub 1] cs hebben het vonnis op 19 september 2017 aan [eiser] laten betekenen, met bevel om binnen twee dagen aan het vonnis - voor zover in conventie gewezen - te voldoen. [eiser] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.10.

Op 6 oktober 2017 hebben [gedaagde sub 1] cs krachtens het Vonnis executoriaal beslag laten leggen op de woning van [eiser] aan de [adres] te [woonplaats 1] (hierna 'de woning'), welk beslag op 10 oktober 2017 is betekend aan [eiser] .

2.11.

Bij brief van 12 oktober 2017 heeft de Rabobank, de hypotheekhouder, aan [eiser] kenbaar gemaakt dat zij de executoriale verkoop van de woning overneemt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

I. schorsing van de executie van het Vonnis tot het moment waarop in hoger beroep zal zijn beslist;

II. [gedaagde sub 1] cs - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te verbieden om verdere executiemaatregelen te nemen;

een en ander met veroordeling van [gedaagde sub 1] cs in de proces- en nakosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan. Het Vonnis bevat een misslag, aangezien de persoonlijke veroordeling van [eiser] onjuist is. [eiser] heeft de huurovereenkomst immers als bewindvoerder van [X] gesloten en ondertekend. [eiser] handelde dus niet voor zichzelf, maar namens [X] en is dan ook niet degene die aansprakelijk is voor de behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst. Indien de executie niet wordt geschorst, is de kans groot dat [eiser] dakloos zal worden. Mede gelet op zijn leeftijd (69 jaar), is dat een dreigende noodtoestand. In geval de executoriale verkoop van de woning doorgang zal vinden, zal [eiser] ook financieel nadeel lijden. Daartegenover staat dat [gedaagde sub 1] cs nauwelijks belang hebben bij onmiddellijke executie van het Vonnis. Bij de belangenafweging moet ook worden meegewogen dat er een zeer aanzienlijke kans is dat het Vonnis in hoger beroep geen stand zal houden.

3.3.

[gedaagde sub 1] cs voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de door [gedaagde sub 1] cs bij brief van 2 november 2017 toegezonden (vier) producties, aangezien deze - in strijd met het "Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie" - niet binnen 24 uur vóór de zitting zijn ingediend. Op zichzelf is dit laatste juist, maar op grond van artikel 6.2 van het procesreglement is de voorzieningenrechter niet verplicht de na het verstrijken van voormelde termijn ingediende stukken buiten beschouwing te laten. Gelet hierop, alsmede op de geringe omvang van de stukken en de omstandigheid dat de inhoud van de stukken, althans het overgrote deel ervan, bekend moet zijn geweest bij [eiser] , moet worden aangenomen dat [eiser] geen nadeel heeft ondervonden van de (te) late indiening van de producties. Deze maken dus onderdeel uit van de processtukken.

4.2.

In de huurovereenkomst is - tot tweemaal toe - uitdrukkelijk aangegeven dat [eiser] de overeenkomst als gemachtigde/wettelijk vertegenwoordiger van [X] heeft gesloten. Voorts volgt uit de inhoud van de overeenkomst onmiskenbaar dat de daaruit voortvloeiende rechten en plichten op [X] - als zijnde de "huurder" - rusten. Gelet hierop en nu [X] al vanaf 2008 gebruik maakt van de diensten van [gedaagde sub 1] cs, moet worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] cs ervan op de hoogte waren dat achtereenvolgens [A] en [eiser] zijn benoemd als bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [X] . De voorzieningenrechter gaat dan ook ervan uit dat [gedaagde sub 1] cs hebben begrepen, althans moeten (kunnen) begrijpen, dat [eiser] de huurovereenkomst als bewindvoerder van [X] sloot. Dat dit niet het geval is geweest stellen [gedaagde sub 1] cs ook niet.

4.3.

Ingevolge de artikelen 1:438 van het Burgerlijk Wetboek ('BW') komen tijdens het bewind het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende (in casus: [X] ), maar aan de bewindvoerder (in casu: [eiser] ), met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden. De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (artikel 1:441 lid 1 BW). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. Voorts volgt uit artikel 1:442 BW dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bewindvoerder meebrengt dat de rechthebbende aansprakelijk is voor schulden die de bewindvoerder heeft gemaakt ter vervulling van zijn taak, zoals het sluiten van een huurovereenkomst.

4.4.

Op grond van het voorgaande hebben [gedaagde sub 1] cs [eiser] terecht gedagvaard in de procedure die heeft geleid tot het Vonnis. In de hiervoor geschetste omstandigheden moet het Vonnis echter aldus worden uitgelegd dat [eiser] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [X] is veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 30.987,05, te vermeerderen met rente en proceskosten. Daaraan doet niet af dat [gedaagde sub 1] cs [eiser] niet uitdrukkelijk als bewindvoerder hebben gedagvaard. Te minder nu [eiser] in zijn conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie expliciet heeft aangegeven dat hij niet voor zichzelf optreedt. Dat hij daarbij (abusievelijk/ten onrechte) stelt dat hij curator is van [X] , wat de kantonrechter vervolgens heeft overgenomen in het Vonnis, doet daaraan niet af.

4.5.

Een en ander betekent dat [eiser] niet persoonlijk kan worden aangesproken door [gedaagde sub 1] cs voor de betaling van het bedrag waartoe hij in het Vonnis als bewindvoerder is veroordeeld en dat het Vonnis dus ook niet jegens hem persoonlijk ten uitvoer kan worden gelegd, zoals door middel van beslaglegging op zijn woning. Door de executie van het Vonnis kunnen enkel vermogensbestanddelen van [X] worden getroffen. Van een executoriale verkoop van de woning krachtens het Vonnis kan dan ook geen sprake zijn.

4.6.

Op grond van het vorenstaande - en bij gebreke van een verder strekkende vordering - zullen de vorderingen van [eiser] worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze.

4.7.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De dwangsom zal wel worden gematigd en gemaximeerd. Voorts zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.8.

[gedaagde sub 1] cs zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

schorst de executie van het Vonnis jegens [eiser] (persoonlijk) tot het moment waarop in hoger beroep over het geschil tussen enerzijds [gedaagde sub 1] cs en anderzijds [eiser] , als bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [X] , zal zijn beslist;

5.2.

verbiedt [gedaagde sub 1] cs om verdere executiemaatregelen jegens [eiser] (persoonlijk) te nemen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,-- voor iedere keer dat zij daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 90.000,--;

5.3.

bepaalt dat de dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 4.7 vermeld;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] cs in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.204,11, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 287,-- aan griffierecht en € 101,11 aan dagvaardingskosten;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.

jvl