Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13398

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3199
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 9 Vreemdelingenwet-document; schijnhuwelijk, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3199

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (artikel 9-document), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

De door eiser tegen het primaire besluit verzochte voorlopige voorziening is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 mei 2016 afgewezen, waarbij de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat eiser in bezwaar dient te worden gehoord.

Bij besluit van 7 juli 2016 heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 7 oktober 2016 (16/15210) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens het bepaalde in de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb en bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde.

Op 5 december 2016 zijn eiser en referente namens verweerder gehoord door een ambtelijke commissie.

Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij brief van 10 februari 2017 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 september 2017. Eiser is aldaar in persoon verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens waren ter zitting aanwezig [referente] (referente), [vader van eiser] en [moeder van eiser] (vader en moeder van eiser), [moeder van referente] (moeder van referente), [broer van referente] (broer van referente) en [nicht van referente] (nicht van referente).

Overwegingen

1. heeft de Tsjechische nationaliteit. Eiser heeft verzocht om afgifte van een artikel 9 Vw document waaruit blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan bij zijn echtgenote.

2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een schijnhuwelijk en daarom de afgifte van het gevraagde document geweigerd. Verweerder komt tot de conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk omdat eiser en referente tijdens hun gehoren, die gelijktijdig zijn afgenomen, over essentiële zaken van hun relatie en de aanloop naar hun huwelijk tegenstrijdige verklaringen hebben gegeven. Ze hebben - na hiermee te zijn geconfronteerd - geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor deze tegenstrijdigheden, aldus verweerder.

3 Eiser voert – kort samengevat – aan dat de bewijslast van een schijnhuwelijk bij verweerder ligt en dat verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een schijnhuwelijk. Dat eiser en referente tijdens het simultaan gehoor op 22 februari 2016 op een aantal punten verschillende verklaringen hebben afgelegd kan hen niet worden tegengeworpen, omdat zij op dat moment niet goed waren voorbereid op wat hen te wachten stond en eiser zich op dat moment zorgen maakte over zijn zieke moeder. Eiser heeft verschillende verklaringen, foto’s en andere stukken overgelegd waaruit volgens hem voldoende blijkt dat sprake is van een echte huwelijksrelatie tussen hem en referente. Voorts wijst eiser erop dat hij en referente samenwonen en verweerder te allen tijde onaangekondigd een huisbezoek kon doen maar hier om onduidelijke redenen geen gebruik van heeft gemaakt. Volgens eiser heeft verweerder voornoemde bewijsstukken ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken, hetgeen onzorgvuldig is en bovendien in strijd met het Unierecht nu uit het niet betrekken van deze bewijsmiddelen moet worden geconcludeerd dat sprake is van een realistisch huwelijk en het gegeven dat eiser (dus) verblijfsrecht heeft nu het tegendeel niet is aangetoond.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 8, onder e, van de Vw, verschaft verweerder aan een familielid van een gemeenschapsonderdaan die rechtmatig verblijf heeft een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

4.2

Artikel 35 van de Verblijfsrichtlijn geeft lidstaten de bevoegdheid om een in die richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude te ontzeggen. Dit artikel biedt een grondslag voor het maken van een uitzondering op het beginsel van vrij verkeer en verblijf voor burgers van de Unie en hun familieleden. De bewijslast dat rechtsmisbruik of fraude is gepleegd, rust op verweerder, die zich daarbij moet baseren op een individueel onderzoek van het concrete geval.

Het voorgaande is ook het uitgangspunt in paragraaf 4.2 van de Richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de Richtlijn 2004/38/EG (de richtsnoeren) dat de bevoegdheid om in individuele gevallen een onderzoek in te stellen afhankelijk stelt van een gegrond vermoeden van misbruik. Hierbij kunnen lidstaten zich baseren op eerdere analyses en ervaringen die aantonen dat er een duidelijk verband bestaat tussen gevallen waarin misbruik is bewezen en bepaalde kenmerken van deze gevallen. In het kader hiervan heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in een uitspraak van

28 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX0615) overwogen dat nader onderzoek in de vorm van een gehoor gerechtvaardigd is, in het geval dusdanig veel indicaties zich voordoen die ook aan de orde zijn in de zaken waarbij verweerder misbruik heeft vastgesteld . Uit vaste rechtspraak volgt ook dat de in de richtsnoeren opgenomen lijst met indicatoren die kunnen leiden tot het instellen van een onderzoek een niet-limitatief karakter heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2006).

4.3

Gebleken is dat eiser de Turkse nationaliteit bezit en referente de Tsjechische nationaliteit. Referente is werkzaam bij een bedrijf dat geleid wordt door een landgenoot van eiser. De door eiser overgelegde salarisspecificaties bij dit bedrijf komen niet overeen met de loongegevens van Suwinet. Eiser en referente zijn afkomstig uit verschillende taalgebieden en hebben een andere culturele en religieuze achtergrond. Zij beschikten bij hun kennismaking niet of nauwelijks over een gemeenschappelijke taal. Daarnaast is eiser Nederland illegaal ingereisd en verbleef hij voorafgaand aan zijn aanvraag illegaal in Nederland. Voorts woonden eiser en referente nog geen 6 maanden samen op het moment van de aanvraag.

4.4

Gezien het vorenstaande kon naar het oordeel van de rechtbank een nader onderzoek in de vorm van een gehoor plaatsvinden omdat sprake is van diverse indicatoren die leiden tot een gegrond vermoeden van misbruik.

4.5

Niet in geschil is dat eiser en referente op [trouwdatum] 2015 in [plaats] zijn gehuwd.

4.6

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat ook voor wettig in Nederland gehuwde vreemdelingen geldt dat verweerder (achteraf) mag toetsen of sprake is van een schijnhuwelijk. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een schijnhuwelijk is het oogmerk bij het aangaan van het huwelijk bepalend. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3755.

4.7

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met de richtsnoeren. Zoals eiser terecht heeft opgemerkt, ligt de bewijslast voor het aantonen van een schijnhuwelijk op grond van de richtsnoeren bij de lidstaten. Verweerder heeft op basis van een hoorzitting, waarbij zowel eiser als referente apart zijn gehoord, geoordeeld dat sprake is van een schijnhuwelijk.

4.8

Op grond van artikel 35 van de Richtlijn 2004/38/EG, in samenhang gelezen met artikel 8.25 van het Vreemdelingenbesluit (Vb), kunnen geen rechten aan het Unierecht worden ontleend indien er sprake is van rechtsmisbruik of fraude, zoals een schijnhuwelijk. Verweerder ontzegt de vreemdeling rechtmatig verblijf als er sprake is van kunstmatig gedrag dat als enig doel heeft het door het EU-recht gewaarborgde recht op vrij verkeer en verblijf te krijgen. De formele status van een relatie is niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of er sprake is van kunstmatig gedrag dat als enig doel heeft het door het EU-recht gewaarborgde recht op vrij verkeer en verblijf te krijgen.

4.9

In paragraaf 4.2 van de richtsnoeren is aangegeven dat bij het beoordelen van de vraag of een huwelijk of geregistreerd partnerschap enkel tot stand is gekomen met als enig doel het in de Richtlijn neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, lidstaten in het bijzonder in aanmerking mogen nemen de omstandigheid dat de echtelieden inconsistente verklaringen afleggen over hun wederzijdse persoonlijke gegevens, over de omstandigheden van hun eerste ontmoeting of over andere belangrijke persoonlijke informatie die hen betreft.

4.10

De rechtbank stelt vast dat eiser en referente tijdens het simultaan gehoor op

22 februari 2016 op een aantal punten verschillende verklaringen hebben afgelegd. Zo is er verschillend verklaard over het contact na de eerste ontmoeting, de eerste en tweede afspraak, waar en wanneer zij voor het eerst samen overnachtten, het verblijf bij de oom van eiser, het huwelijksaanzoek en de trouwringen. Ook is verschillend verklaard over de reis die referente in de zomer van 2015 (zonder eiser) maakte naar haar thuisland Tsjechië.

De rechtbank vindt met name de verschillende verklaringen ten aanzien van de eerste contacten en afspraakjes, het huwelijksaanzoek en de huwelijksringen opvallend. Zo heeft referente over de tweede afspraak verklaard dat zij samen met haar nicht naar een discotheek op het strand bij [plaats] ging en daar met eiser had afgesproken. Voorts heeft zij verklaard dat ze de avond daar hebben doorgebracht en dat toen ze weggingen ze eiser met de auto thuis hebben gebracht. Eiser heeft echter over deze afspraak verklaard dat ze niet heel lang op het strandfeest zijn geweest, daarna met z’n allen in de auto eerst naar huis zijn gegaan om zich om te kleden en dat ze toen naar een disco zijn geweest en eiser daarna in het huis van een vriend in de buurt is blijven slapen. Na confrontatie met de tegenstrijdige verklaringen heeft referente verklaard dat zij is vergeten te vertellen dat ze nog naar die andere disco zijn geweest. Ze blijft echter bij haar verklaring dat ze eiser na die avond met de auto naar huis hebben gebracht. Voorts heeft referente over het huwelijksaanzoek verklaard dat zij eiser in [maand] 2015 ’s nachts ten huwelijk vroeg toen ze in bed lagen omdat zij wilde dat eiser in Nederland kon blijven. Van een verlovingsring was geen sprake. Eiser heeft daarentegen verklaard dat hij het aanzoek in [maand] 2015 heeft gedaan nadat referente per ongeluk de door eiser gekochte ring in een kastje had gevonden tijdens het opruimen. Ten aanzien van de ringen heeft referente voorts verklaard dat eiser beide ringen heeft uitgezocht, toen aan referente heeft gevraagd wat voor ring zij wilde hebben, zij toen plaatjes op internet heeft laten zien en hij daarna de ringen heeft gekocht. Volgens referente wist eiser niet de maat van referente aangezien de ring die zij kreeg te groot was. Voorts stond er in de ring van eiser volgens referente iets Spaans en iets van ‘amore’. Eiser heeft over de ringen verklaard dat hij ze heeft uitgezocht, toen naar referente is gegaan om te vragen of zij ze mooi vond en toen dat het geval was heeft hij ze gekocht. Eiser heeft verder verklaard dat hij de goede maat ring heeft gekocht voor referente omdat hij van te voren haar vinger had opgemeten. Volgens eiser staat er geen inscriptie in de ringen. De rechtbank overweegt dat voornoemde gebeurtenissen zeer belangrijke gebeurtenissen in een mensenleven zijn waarvan mag worden verwacht dat er hetzelfde over wordt verklaard. Voor deze discrepanties zijn aan het eind van het gehoor op 22 februari 2016 noch in het ambtelijk gehoor op 5 december 2016 aannemelijke verklaringen gegeven.

4.11

De rechtbank overweegt dat eiser en referente veel aanvullende getuigenverklaringen en foto’s hebben overgelegd waarmee zij willen aantonen dat wel degelijk sprake is van een echte huwelijksrelatie. De rechtbank constateert dat veel verklaringen zien op het huwelijk(sfeest) op [trouwdatum] 2015. Verweerder heeft echter niet bestreden dat eiser en referente op die dag in het huwelijk zijn getreden. Het bestaan van dit huwelijk is in deze niet bepalend, doch het oogmerk bij het aangaan van het huwelijk. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat een groot aantal verklaringen afkomstig is van familieleden die niet zijn aan te merken als objectieve bronnen en die overigens - op één na – zelf niet woonachtig zijn in Nederland. Voorts komt uit het verslag van de latere hoorzitting van 5 december 2016 naar voren dat met een aantal van de genoemde getuigen, niet-zijnde familieleden, geen of nauwelijks meer contact is.

4.12

Het verzoek van eiser om bij de behandeling van het beroep ter zitting [vader van eiser] (vader van eiser), [moeder van eiser] (moeder van eiser), [moeder van referente] (moeder van referente), [broer van referente] (broer van referente) en [nicht van referente] (nicht van referente), als getuigen te horen heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting afgewezen. Wel is [nicht van referente] in de gelegenheid gesteld ter zitting een verklaring af te leggen over de relatie en het huwelijk van eiser en referente.

Het verzoek van eiser om [persoon A] – bijzonder ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] - op grond van artikel 8:60 van de Awb als getuige op te roepen is door de rechtbank eveneens afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat het horen van deze getuigen redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Eiser heeft immers reeds verschillende schriftelijke verklaringen overgelegd van getuigen die bij het huwelijk aanwezig waren en/of verklaren dat sprake is van een oprechte huwelijksverbintenis en/of liefdesrelatie.

Voorts zijn alle vijf aangemelde getuigen familieleden van eiser en referente, derhalve geen objectieve derden.

Daarbij wijst de rechtbank er - nogmaals - op dat het bestaan van het huwelijk en de huwelijkssluiting door verweerder niet wordt betwist.

Dat de ambtenaar van de burgerlijke stand geen huwelijksbeletselen aanwezig heeft geacht, hetgeen zij reeds in een e-mail naar voren heeft gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende relevant om haar als getuige te horen, reeds nu een dergelijke ambtenaar niet gehouden is aanstaande echtelieden uitgebreid (apart) te horen over de precieze totstandkoming van hun relatie of hun beweegredenen een huwelijk aan te gaan. Daarbij geldt dat de bevoegdheid van een ambtenaar van de burgerlijke stand om al dan niet een huwelijk te sluiten een andere bevoegdheid is dan de bevoegdheid van verweerder om al dan niet een artikel 9 Vw-document te verstrekken en in dat kader vast te stellen of sprake is van een (schijn)huwelijk.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat op verweerder in het kader van een dergelijk onderzoek niet de verplichting rust om (onaangekondigd) een huisbezoek te doen.

4.13

De rechtbank dient thans de vraag te beantwoorden of verweerder zich op het standpunt kon stellen dat sprake is van een schijnhuwelijk. De rechtbank moet hiervoor beoordelen of de overgelegde stukken en verklaringen de tegenstrijdige verklaringen van eiser en referente tijdens het simultaan gehoor kunnen compenseren.

4.14

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Zoals hiervoor al aangegeven hebben eiser en referente over zeer belangrijke gebeurtenissen tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Het gaat daarbij om gebeurtenissen waarvan verweerder mag verwachten dat mensen die een beginnende relatie hebben met elkaar en vervolgens – niet lang daarna - in het huwelijk treden in grote lijnen gelijkluidend verklaren. Dat is ten aanzien van voornoemde gebeurtenissen niet gebeurd. De overgelegde verklaringen van derden, foto’s en andere stukken heeft verweerder mogen afzetten tegen de tegenstrijdige verklaringen van eiser en referente op de hoorzitting van 22 februari 2016. Dat verweerder aan de stukken een andere waarde toekent dan eiser en referente daaraan toegekend willen hebben, maakt niet dat gezegd kan worden dat verweerder de ingebrachte stukken niet bij de beoordeling heeft betrokken.

4.15

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser met referente in het huwelijk is getreden met als enig doel van het in Richtlijn 2004/38/EG neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten en dat verweerder op deze grond heeft kunnen weigeren het gevraagde document te verstrekken.

4.16

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling niet valt niet uit te sluiten dat - zelfs indien in rechte vaststaat dat partijen destijds een schijnrelatie- of huwelijk zijn aangegaan - nadien alsnog een oprechte relatie tussen hen kan ontstaan. Zie daarvoor onder meer de uitspraak van 7 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3755). Zou daarvan sprake zijn dan staat het eiser uiteraard vrij een nieuwe aanvraag in te dienen.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Er is geen aanleiding aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)