Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13391

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1614
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete, onzelfstandige bewoning; hennepplantage in woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/1614

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. H. van der Heide-Boertien),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: E. Veldman).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2015 heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan drie personen in de woning [adres 1] te [plaats 2].

Bij besluit van 15 januari 2016 heeft verweerder een besluit tot invordering van een dwangsom van € 5000,-- genomen ten aanzien van de eerder aan eiser op 30 november 2015 opgelegde last onder dwangsom vanwege onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan drie personen in de woning [adres 1] te [plaats 2].

Tegen beide besluiten heeft eiser op 19 oktober 2016 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 23 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Eiser is hierbij in persoon verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Bij besluit van 30 november 2015 heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan drie personen in de woning [adres 1] te [plaats 2].

1.2

Bij besluit van 15 januari 2016 heeft verweerder een besluit tot invordering van een dwangsom van € 5000,-- genomen ten aanzien van de eerder aan eiser op 30 november 2015 opgelegde last onder dwangsom vanwege onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan drie personen in de woning [adres 1] te [plaats 2].

1.3

Tegen deze besluiten heeft eiser op 19 oktober 2016 een bezwaarschrift ingediend.

Daarbij heeft eiser in een emailbericht van 9 november 2016 toegelicht waarom het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. Volgens eiser zijn de besluiten naar een oud adres gestuurd, terwijl hij niet meer in [plaats 2] woont, maar in [plaats 1].

2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het door eiser ingediende bezwaarschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend en eiser hiervoor geen verschoonbare omstandigheden heeft aangevoerd.

3.1

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

4 Eiser heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding is te wijten aan het feit dat het besluit naar zijn oude adres [adres 2] te [plaats 2] is verstuurd, terwijl hij in [plaats 1] woont. Daardoor heeft het indienen van het bezwaarschrift langer geduurd dan de wettelijk toegestane termijn.

5 De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van de last onder dwangsom:

Niet in geschil is dat buiten de in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb voorgeschreven termijn een bezwaarschrift is ingediend tegen het primaire besluit.

Niet gebleken is dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Verweerder heeft het besluit van 30 november 2015 per gewone post gestuurd naar het adres [adres 2]. Deze brief is eerst op 2 mei 2016 retour gestuurd met de vermelding ‘geadresseerde woont niet meer op dit adres’.

Uit de door verweerder overgelegde uittreksels kadastrale objecten van 13 oktober 2015, 6 januari 2016 en 6 oktober 2016 blijkt dat daarin als postadres van eiser staat vermeld [adres 2] te [plaats 2]. Het komt dus voor eigen rekening en risico van eiser dat verweerder het besluit naar dit adres heeft verzonden.

Overigens heeft verweerder onder overlegging van een kopie van de envelop gesteld de last onder dwangsom op 4 december 2015 (tevens) per gewone post te hebben gestuurd naar het adres [adres 3] in [plaats 1], zijnde het correcte woonadres van eiser.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling; zie bijvoorbeeld de uitspraken van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4154 en 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2795) dient, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang document, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Eiser heeft dergelijke feiten niet gesteld, doch verklaart dat de post op dit adres gewoonlijk door hem wordt ontvangen.

Bovendien had eiser door de door hem niet betwiste ontvangst van het invorderingsbesluit (op hetzelfde adres in [plaats 1]) in januari 2016 op de hoogte kunnen zijn van het eerdere dwangsombesluit en daartegen op dat moment zo snel mogelijk bezwaar kunnen instellen.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van het invorderingsbesluit:

Niet in geschil is dat buiten de in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb voorgeschreven termijn een bezwaarschrift is ingediend tegen het primaire besluit.

Niet gebleken is dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Verweerder heeft een kopie van de verzendenvelop overgelegd om aan te tonen dat het invorderingsbesluit tezamen met een tweede concept-last onder dwangsom op 15 januari 2016 aangetekend is verzonden naar het adres [adres 3] te [plaats 1].

Eiser heeft de ontvangst van dit besluit niet op geloofwaardige wijze ontkend. De brief is niet retour gezonden.

Voorts blijkt uit de stukken van verweerder dat eiser op 2 maart 2016 heeft gebeld met verweerder over de dwangsom en de invorderingsbeschikking. Hieruit valt op te maken dat hij op dat moment op de hoogte was van de strekking van deze besluiten.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6 Het beroep is ongegrond.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.