Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13286

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
NL17.9288
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 30a, lid 1, aanhef en onder a Vw, art. 3.106a, lid 2 en lid 3 Vb, belangen kind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9288


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. B.D. Lit),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9289, plaatsgevonden op 12 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk Arabisch is verschenen A. van Nieuwland. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Syrische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 23 juni 2017 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat eiser in een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten Duitsland, internationale bescherming geniet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet nakomt en dat niet mag worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Er is geen sprake van schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de toepassing van de beleidsregels met betrekking tot kinderen een zodanig onevenredig nadeel zou opleveren voor eiser, dat deze belangenafweging, in afwijking van het beleid, alsnog zou moeten leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Dat eiser een voorkeur heeft om bij zijn lievelingsbroer [broer] in Nederland te verblijven, die voor hem een vaderrol vervult, maakt niet dat een kind zelf mag kiezen waar hij gaat wonen. Dat alle familieleden akkoord zijn dat eiser bij [broer] gaat wonen maakt dit niet anders. Eiser heeft verder verklaard dat er soms ruzies zijn met zijn broer en diens vrouw bij wie hij in Duitsland woont. Niet gebleken is dat deze ruzies van dien aard zijn dat de autoriteiten hebben moeten ingrijpen. Bovendien zijn er ook in Duitsland instanties om kinderen te helpen en beschermen. Voorts heeft eiser ook in Duitsland onderwijs genoten en is hij daar in therapie geweest om hem te ondersteunen bij het verwerken van zijn trauma’s.

3. Eiser heeft aangevoerd dat de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hij is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 augustus 2015, kenmerk 201500009/I/V3, van mening dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten van de EU (Handvest) bij zijn beoordeling te betrekken. Verweerder heeft eisers belangen als kind onvoldoende meegewogen. Eiser wijst in dat verband op de volgende omstandigheden. Eiser wil graag bij zijn broer [broer] in Nederland verblijven omdat die als een vader voor hem zorgt; er is sprake van een bijzondere band tussen hen. Hij woont sinds juni 2017 bij deze broer en diens gezin. Alle familieleden hebben bij brief ingestemd met eisers verblijf in Nederland. Eisers voogd van de stichting Nidos heeft bij brief van 19 september 2017 verklaard dat hij zich goed ontwikkelt in Nederland. Ook de directeur van eisers school in Haarlem heeft schriftelijk verklaard dat het goed gaat met eiser en hij een gemotiveerde leerling is. De medewerker van Vluchtelingen- Werk Nederland (VWN), die het gezin van de broer [broer] al twee jaar begeleidt, bevestigt bij brief dit beeld. Ten slotte is eiser van mening dat de stichting Nidos als een deskundige aangemerkt moet worden en dat met diens adviezen rekening gehouden dient te worden (uitspraak van de Afdeling van 4 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3807).

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.

Ingevolge artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vormen bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging.

5. Niet in geschil is dat de Duitse autoriteiten eiser op 24 mei 2017 internationale bescherming hebben verleend.

6. De Afdeling heeft meermalen geoordeeld (onder meer in de uitspraak van 18 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1971) dat, reeds omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft, wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. De rechtbank onderschrijft dit uitgangspunt.
Naar het oordeel van de rechtbank moet dan echter wel voldaan zijn aan het bepaalde in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb, waarin is neergelegd dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken worden. In dit geval gaat het om het feit dat eiser een kind is en dat zijn belangen op grond van artikel 24, tweede lid, van het Handvest ten volle bij de beoordeling moeten worden betrokken. De rechtbank moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft meegewogen. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder in de besluitvorming enkel de situatie van eiser in de context van zijn familie heeft beoordeeld, zoals eisers voorkeur om bij zijn broer [broer] te verblijven, de instemming van de familie met zijn verblijf in Nederland en eisers relatie met de broer, waar hij in Duitsland bij verbleef. De goede ontwikkeling, die eiser in Nederland doormaakt, en die bevestigd wordt door zowel zijn voogd als de school en VWN in hun schriftelijke verklaringen, behoren echter ook tot het belang van eiser. Zijn voogd heeft verklaard dat het voor eisers gevoel van veiligheid en zijn verdere ontwikkeling van groot belang is dat eiser in een reguliere thuissituatie kan verblijven, zoals bij zijn broer [broer] het geval is, bij wie hij zich geborgen voelt. De school heeft verklaard dat eiser een gemotiveerde leerling is, die graag meedoet, het leuk vindt op school en vrienden maakt in de klas. Ook VWN bevestigt dat eiser bijzonder welkom is bij zijn broer, blij en gezond is en geen last meer heeft van zijn trauma’s. De rechtbank is van oordeel dat verweerder had moeten stilstaan bij de vraag wat deze relevante elementen betekenen voor de ontwikkeling van eiser. Nu verweerder ten onrechte heeft nagelaten om deze relevante belangen kenbaar in zijn beoordeling te betrekken, slaagt de beroepsgrond.

8. Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit op een ondeugdelijk motivering. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een
nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-
(negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.