Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13283

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
NL17.9366
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1414, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mongolie, overgangsrecht GEAS, horen in asielprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9366


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. N.M. Weteling),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer NL17.9367, te Breda plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Surenjav. Tevens was aanwezig C. de Groot, maatschappelijk werkster Centrum voor Dienstverlening, afdeling slachtoffers van mensenhandel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is van Mongolische nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum]. Zij heeft op 7 juni 2015 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiseres heeft in augustus 2015 aangifte gedaan als slachtoffer van mensenhandel. Dit heeft geleid tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Nadat de officier van justitie de zaak heeft geseponeerd wegens het ontbreken van rechtsmacht om tot vervolging over te gaan, heeft verweerder de verleende vergunning ingetrokken. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 7 augustus 2017 het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft op 11 oktober 2016 een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in ‘humanitair niet-tijdelijk’ (voortgezet verblijf). Op 14 november 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Op het daartegen ingediende bezwaar is nog niet beslist. Wel is eiseres hangende dit bezwaar gehoord op 7 juni 2017.

4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van 7 juni 2015 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Mongolië moet worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Verweerder heeft afgezien van het horen van eiseres in de asielprocedure gelet op adviezen van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU), maar heeft voor zijn beoordeling gebruik gemaakt van het proces-verbaal van de aangifte wegens mensenhandel en van de tijdens de hoorzitting in bezwaar op 7 juni 2017 afgelegde verklaringen. Verweerder acht het relaas van eiseres weliswaar geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat eiseres bescherming kan vragen bij de autoriteiten van haar land.

5. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in de asielprocedure. Eiseres beroept zich in dit verband op artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn), waarin staat dat van horen kan worden afgezien als de vreemdeling blijvend niet gehoord kan worden. Verder voert eiseres aan dat ten onrechte, ondanks het geloofwaardig geachte asielrelaas, geen reëel risico als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aanwezig is geacht. Tot slot betoogt eiseres dat ten onrechte geen nader onderzoek is verricht met betrekking tot de medische aspecten die ertoe kunnen leiden dat uitzetting in strijd komt met artikel 3 van het EVRM, dan wel tot toepassing van artikel 64 van de Vw.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ambtshalve

6. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, zoals deze gold vanaf 20 juli 2015. Deze gewijzigde wet is tot stand gekomen ter implementatie van de Procedurerichtlijn. Volgens het overgangsrecht in de Procedurerichtlijn, neergelegd in artikel 52, eerste lid, gelden de bepalingen bedoeld in artikel 51, eerste lid, waaronder artikel 32, tweede lid (betreffende het kennelijk ongegrond verklaren), voor verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na 20 juli 2015 of een eerdere implementatiedatum. Voor aanvragen van vóór deze datum geldt het oude recht. Verweerder had de aanvraag van eiseres, die dateert van 7 juni 2015, daarom moeten beoordelen op grond van de Vw (oud), zoals die luidde tot 20 juli 2015. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:510).

7. Nu verweerder de aanvraag van eiseres diende te beoordelen op grond van de Vw (oud) heeft verweerder deze ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Gelet daarop heeft verweerder ten onrechte bepaald dat eiseres Nederland onmiddellijk moeten verlaten.
Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

8. De rechtbank zal vervolgens bezien in hoeverre de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden.

Horen in de asielprocedure

9. In geschil is of verweerder een besluit op de asielaanvraag had mogen nemen zonder eiseres te horen in de asielprocedure.

10. Eiseres heeft zich beroepen op artikel 14, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Dit beroep kan, gelet op het eerder aangehaalde overgangsrecht van deze richtlijn, waaruit blijkt dat ook deze bepaling voor eiseres niet van toepassing is, niet slagen.

11. Ook de oude Procedurerichtlijn bevat echter een bepaling, artikel 12, met betrekking tot het horen (persoonlijk onderhoud) van de asielzoekers. In het eerste lid is het uitgangspunt neergelegd dat wordt gehoord alvorens te beslissen. In het tweede en derde lid wordt beschreven wanneer daarvan kan worden afgezien.

12. In het tweede lid, aanhef en onder c, van de oude Procedurerichtlijn staat vermeld dat kan worden afgezien van een persoonlijk onderhoud indien de beslissingsautoriteit, op basis van een volledige bestudering van de door de asielzoeker verstrekte informatie, het verzoek als ongegrond beschouwt in gevallen waarin de in artikel 23, vierde lid, aanhef en onder a), c), g), h) en j), genoemde omstandigheden van toepassing zijn. Artikel 23, vierde lid, aanhef en onder c, onder i), noemt de omstandigheid dat het asielverzoek als ongegrond wordt beschouwd omdat de asielzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 29, 30 en 31 van deze richtlijn. In de zaak van eiseres heeft verweerder Mongolië, het land van herkomst van eiseres, aangemerkt als veilig land en zijn afwijzing van de aanvraag mede daarop gebaseerd. Dat verweerder – zoals hiervoor ambtshalve is geoordeeld – ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, doet daaraan op zichzelf niet af. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw (oud) kan immers bij de beoordeling van een asielaanvraag worden betrokken dat een vreemdeling afkomstig is uit een veilig land. Eén van de in deze bepaling gestelde voorwaarden is dat het betreffende land partij is bij het Vluchtelingenverdrag. Uit de door verweerder in het voornemen tot afwijzing en het bestreden besluit weergegeven landeninformatie over Mongolië kan de rechtbank echter niet afleiden dat Mongolië aan die voorwaarde voldoet. De rechtbank concludeert daarom dat niet vaststaat of verweerder onder de Vw (oud) de exceptie van het veilig land van herkomst aan eiseres kon tegenwerpen. Dat betekent dat evenmin vaststaat of verweerder om die reden kon afzien van een persoonlijk onderhoud.

13. Artikel 12, derde lid, van de oude Procedurerichtlijn luidt als volgt.

Er kan ook worden afgezien van een persoonlijk onderhoud indien het redelijkerwijs niet uitvoerbaar is, met name indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de asielzoeker niet persoonlijk gehoord kan worden als gevolg van blijvende omstandigheden waarop hij geen invloed heeft. Bij twijfel kunnen de lidstaten een medisch of psychologisch attest verlangen.

14. De FMMU heeft op 16 juni 2015 geadviseerd om eiseres niet te doen horen omdat zij was getraumatiseerd door gebeurtenissen in haar leven. Op 21 november 2016 heeft de FMMU geadviseerd om eiseres wel te doen horen, zij het onder voorwaarden. Uit de stukken blijkt dat verweerder desondanks heeft afgezien van horen nadat eiseres heeft verzocht eerst de uitkomst van de lopende procedure inzake de reguliere verblijfsvergunning af te wachten. Vervolgens heeft de FMMU op 20 juni 2017 opnieuw geadviseerd om eiseres (nog) niet te doen horen. Als reden is opgegeven: op grond van psychische en lichamelijke klachten. Verder staat in dit advies dat verweerder wordt verzocht om via de advocaat medische informatie op te vragen bij de GGZ. Zodra deze informatie beschikbaar is, moet eiseres opnieuw worden uitgenodigd bij de FMMU-arts, aldus het advies. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiseres inmiddels, op 16 oktober 2017, een gesprek heeft gehad met een psychiater en dat daarvan binnenkort rapportage wordt verwacht.

15. Gelet op deze stand van zaken kan (nog) niet worden gezegd dat eiseres niet kan worden gehoord als gevolg van blijvende omstandigheden waarop verweerder geen invloed heeft, als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de oude Procedurerichtlijn. De lange duur van de asielprocedure, waarop verweerder heeft gewezen, is mede het gevolg van het afzien van horen omdat eiseres de uitkomst van de reguliere verblijfsprocedure wilde afwachten. Deze reden houdt dus geen verband met het niet in staat zijn om te worden gehoord.

16. De rechtbank is voorts van oordeel dat de handelwijze van verweerder om in weerwil van de inhoud en strekking van het FMMU-advies geen nader onderzoek meer af te wachten en een beslissing te nemen op de aanvraag zonder te horen, in strijd is met de zorgvuldigheid die door artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt voorgeschreven. De door verweerder in dit verband aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2005 (nr. 200408324/1, JV 2005/127) kan niet leiden tot een ander oordeel omdat in die zaak sprake was van een uitzichtloze situatie met betrekking tot de mogelijkheid om te worden gehoord.

Conclusie

17. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat eerst na een nieuw FMMU-advies kan worden bepaald of eiseres alsnog moet worden gehoord. Zo ja, dan zal op basis van een rapport van nader gehoor opnieuw moeten worden beslist op de aanvraag. Gelet hierop zal de rechtbank geen oordeel geven over de overige beroepsgronden van eiseres. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, vanwege de onzekerheid van de duur en de uitkomst van het nader onderzoek. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

18. De feitelijke gevolgen die het bestreden besluit heeft gehad, kunnen naar hun aard niet ongedaan worden gemaakt (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1331), met uitzondering van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Nu artikel 69, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw niet van toepassing is, omdat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, en geen van de overige gronden genoemd in artikel 69, tweede lid, van de Vw van toepassing zijn, bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen deze uitspraak op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw vier weken.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990 (negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.