Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13280

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
NL17.8203
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Syrische nationaliteit, Dublin Roemenië, artikelen 9 en 17 Dublinverordening, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8203


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),

en

de minister van Veiligheid en Justitie (en diens voorganger), verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 september 2017 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.8204, plaatsgevonden op 4 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Ahmad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Syrische nationaliteit. Op 19 mei 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 9 april 2017 in Roemenië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op 20 juni 2017 de autoriteiten van Roemenië gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening). Roemenië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

5. De kern van het geschil spitst zich tot op de toepassing van de artikelen 9 en 17 van de Dublinverordening. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 9 van de Dublinverordening overweegt de rechtbank als volgt.

6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij acht jaar geleden een relatie heeft gekregen met [naam] aan wie inmiddels in Nederland een asielvergunning is verleend. Niet in geschil is dat [naam] niet de echtgenote is van eiser en zij nog is gehuwd met en verblijft bij een andere man. Nu evenmin kan worden vastgesteld dat sprake is van een duurzame relatie slaagt deze het beroep op genoemd artikel 9 niet, omdat er ook geen sprake is van een ‘gezinslid’ zoals voor de toepassing van de Dublinverordening is gedefinieerd in artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening.

7. De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, nu eiser stelt dat hij in Roemenië geen asielverzoek heeft ingediend. Vaststaat dat eiser in Roemenië zijn vingerafdrukken heeft afgestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht afgegaan op het Eurodac-resultaat en heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser in Roemenië een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2625). Gelet hierop is Roemenië in beginsel verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

8. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 17 van de Dublinverordening overweegt de rechtbank dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Roemenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Roemenië zijn internationale verplichtingen jegens hem niet zal naleven, dan wel dat bij overdracht naar Roemenië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Het persoonlijk relaas van eiser biedt hiervoor geen aanknopingspunten. De enkele stelling van eiser dat hij verplicht werd om zijn vingerafdrukken af te staan en nimmer vrijwillig asiel heeft aangevraagd in Roemenië is hiervoor onvoldoende. In het door eiser gestelde gebrek aan rechtsbijstand en tolk heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om af te zien van een overdracht aan Roemenië, nu eiser deze stellingen niet heeft onderbouwd. Voorts had eiser zich in Roemenië kunnen wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat deze eiser niet zou kunnen of willen helpen.

9. Ook overigens heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de behandeling van het asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken, omdat de enkele aanwezigheid van de gestelde partner van eiser in Nederland geen bijzondere omstandigheid is die maakt dat overdracht van eiser aan Roemenië van onevenredige hardheid getuigt. Eiser is niet met haar gehuwd en evenmin is gebleken van een duurzame relatie. Daarbij acht de rechtbank voorts van belang dat eiser eerst in zijn aanvullende beroepsgronden melding heeft gemaakt van deze relatie.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2017.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.