Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13269

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten voor het opvragen van medische gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/1440

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: drs. F. el Idrissi),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.I.E. Ruggenaath).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2016 (primair besluit I) heeft verweerder eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor vergoeding van de kosten voor het opvragen van medische informatie bij zijn behandelend huisarts afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2016 (primair besluit II) heeft verweerder eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor vergoeding van de kosten voor het opvragen van medische informatie bij zijn behandelend fysiotherapeut afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2017.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 30 juni 2016 bij verweerder een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend voor het griffierecht in een door hem aangespannen beroepsprocedure tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (Uwv) waarbij zijn ziektewetuitkering is beëindigd. Verweerder heeft op diezelfde datum het verzoek van eiser gehonoreerd. Op 11 juni 2016 heeft eiser bij verweerder twee aanvragen om bijzondere bijstand voor kosten voor het opvragen van medische gegevens ingediend. Hij wenst deze gegevens te overleggen in diezelfde beroepsprocedure.

2. Bij de primaire besluiten I en II heeft verweerder deze aanvragen afgewezen omdat er volgens hem een voorliggende voorziening is voor deze kosten, namelijk de zorgverzekering. Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat hij bij de primaire besluiten I en II ten onrechte de zorgverzekering als voorliggende voorziening heeft aangewezen. Verweerder heeft echter zijn afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd, omdat er volgens hem geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

3. Eiser voert – samengevat - aan dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag voor bijzondere bijstand heeft afgewezen. De door hem gemaakte kosten zijn namelijk, net als het griffierecht waarvoor verweerder al bijzondere bijstand heeft verleend, noodzakelijk in de beroepsprocedure tegen het Uwv. Het kan volgens eiser niet zo zijn dat voor eenzelfde beroepsprocedure de kosten van het griffierecht wel noodzakelijk worden geacht, en dat daarvoor bijzondere bijstand wordt verleend, maar dat de kosten van het opvragen van medische informatie niet noodzakelijk worden geacht, en dat daarvoor geen bijzondere bijstand wordt verleend.

4.1

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere bijstand voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij bijzondere bijstand heeft verleend voor het griffierecht, omdat betaling daarvan noodzakelijk is om een beroepsprocedure te kunnen starten. Dit geldt niet voor het opvragen van medische gegevens. Of deze kosten noodzakelijk zijn voor de bewijspositie van eiser in de beroepsprocedure, zoals eiser betoogt, is volgens verweerder niet aangetoond. Daarbij geldt dat, volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de beroepsprocedure bij de rechtbank tegen een beslissing van het Uwv, in beginsel, als een met voldoende waarborgen omklede procedure moet worden beschouwd. Als eiser desondanks kosten wenst te maken om zijn bewijspositie te versterken, dienen deze kosten voor zijn rekening en risico te komen.

4.3

De rechtbank constateert dat de door verweerder aangehaalde vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer zijn uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7156) dateert van voor de arresten Korošec (uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van Mensen (EHRM) van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) en Spycher (uitspraak van het EHRM van 30 juni 2017, ECLI:CE:ECHR:2015:1117DEC002627512). De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of deze arresten nopen tot afwijking van de door verweerder aangehaalde vaste rechtspraak van de CRvB. Zij overweegt daaromtrent het volgende.

4.4

In de arresten Korošec en Spycher en de arresten van 3 mei 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:0503JUD000718311, Letinčić) en 23 mei 2017 (ECLI:CE:ECHR:2017:0523JUD005693513, Zovko) heeft het EHRM benadrukt dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onder andere omvat dat elke partij een redelijke kans of gelegenheid krijgt om haar zaak te bepleiten zonder dat er sprake is van een substantieel ongelijke positie ten opzichte van de wederpartij. Uit deze arresten vloeit, onder meer, voort dat enkele twijfel aan de (on)partijdigheid en het oordeel van een medische deskundige, waaronder een verzekeringsarts van het Uwv, nog niet leidt tot een schending van artikel 6 van het EVRM. In dat kader is van belang dat het de taak van de bestuursrechter is om zo nodig compensatie te bieden indien een partij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij (zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674). Dit kan de bestuursrechter doen door die partij in dat geval bijvoorbeeld alsnog in de gelegenheid te stellen om (medische) gegevens in te brengen of om zelf een deskundige in te schakelen. Daarbij kan van de bestuursrechter worden gevergd dat hij verduidelijkt wat nodig is. Als de partij (medische) gegevens in het geding brengt, moet de bestuursrechter beoordelen of de stukken een redelijke mogelijkheid vormen om de bestuursrechter van zijn standpunt te overtuigen. Als de partij in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij geen nadere medische stukken ter onderbouwing van zijn (hoger) beroep heeft ingediend, bijvoorbeeld doordat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij om financiële redenen dergelijke stukken niet kan overleggen, of als de bestuursrechter de door de partij ingediende stukken naar hun aard niet geschikt acht om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen, ligt het op de weg van de bestuursrechter de partij voor deze bewijsnood zo nodig compensatie te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van benoeming van een onafhankelijke (medisch) deskundige (zie hierover de CRvB in zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226).

4.5

Gelet op de hierboven, in 4.4, aangehaalde rechtspraak, ziet de rechtbank geen aanleiding voor afwijking van de vaste rechtspraak van de CRvB omtrent de beroepsprocedure tegen het Uwv. Uit deze rechtspraak volgt immers niet dat de beroepsprocedure tegen het Uwv in strijd is met artikel 6 van het EVRM, maar enkel dat er in een dergelijke procedure mogelijk een ongelijke procespositie tussen partijen kan ontstaan. Als dat het geval is, moet de bestuursrechter compensatie bieden voor die ongelijke positie. De rechtbank volgt daarom verweerder in zijn standpunt dat, doordat de beroepsprocedure tegen het Uwv in beginsel met voldoende waarborgen is omkleed, de kosten van eiser niet noodzakelijk zijn gemaakt en dat om die reden voor deze kosten geen bijzondere bijstand hoefde te worden verleend. Mocht, naar het oordeel van de desbetreffende bestuursrechter, eiser zich in een substantieel ongelijke positie bevinden ten opzichte van het Uwv, dan kan die bestuursrechter eiser compensatie bieden.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 15 november 2017 door mr. A.M.M. Vingerling, rechter, in aanwezigheid van W. Goederee, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.