Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13263

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
09.827093.14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Inrijden op agenten met auto, poging doodslag of poging zware mishandeling, bedreiging, voorwaardelijk opzet, onherstelbaar vormverzuim door onrechtmatig aanhoudingsvuur.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/62 met annotatie van C.J. van Eekelen
NJFS 2018/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827093-14

Datum uitspraak: 15 november 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

adres: [adres 1] te [woonplaats] ( [land] ).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 19 maart 2015 (pro forma) en 1 november 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 oktober 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie eenheid Den Haag) van het leven te beroven, met dat opzet

- ( een) stopteken(s) gegeven door [slachtoffer 2] (agent van politie eenheid Den Haag) en/of die [slachtoffer 1] heeft genegeerd en/of

- ( vervolgens) met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van genoemde [slachtoffer 1] is gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 oktober 2014 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet

- ( een) stopteken(s) gegeven door [slachtoffer 2] (agent van politie eenheid Den Haag) en/of die [slachtoffer 1] heeft genegeerd en/of

- ( vervolgens) met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van genoemde [slachtoffer 1] is gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 oktober 2014 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie eenheid Den Haag) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van genoemde [slachtoffer 1] gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen;

2.

hij op of omstreeks 06 oktober 2014 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] (agent van politie eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- ( een) stopteken(s) gegeven door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie eenheid Den Haag) heeft genegeerd en/of

- ( vervolgens) met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van genoemde [slachtoffer 2] is gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 oktober 2014 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] (agent van politie eenheid Den Haag) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van genoemde [slachtoffer 2] gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 6 oktober 2014 heeft de verdachte zich, als bestuurder van een personenauto, op de [adres 2] te Den Haag onttrokken aan een controle door verbalisant [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1] ). De verdachte is vervolgens in de richting van [adres 3] gereden. Op [adres 3] is verbalisant [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), hoofdagent van de politie eenheid Den Haag, – na een melding van [verbalisant 1] via de portofoon – midden op de rijbaan gaan staan en heeft aan de personenauto die uit de richting van de [adres 2] kwam een stopteken gegeven. Ook verbalisant [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) is hiertoe op de rijbaan gestapt. De verdachte heeft het stopteken genegeerd en is doorgereden. [slachtoffer 1] is opzij gesprongen.2

De verdachte heeft bekend een stopteken van de politie te hebben genegeerd en te zijn doorgereden.3

Over deze feiten, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (feit 1 primair), de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (respectievelijk feit 1 subsidiair en feit 2 primair) dan wel de bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (respectievelijk feit 1 meer subsidiair en feit 2 subsidiair).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling en de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. De officier van justitie heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat de verdachte een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt en heeft geremd en dat daarmee kan worden geconcludeerd dat de verdachte de kans op de dood of op het zwaar lichamelijk letsel van de verbalisanten niet bewust heeft aanvaard. De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde bedreigingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnotitie – integrale vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De raadsman heeft zich daartoe allereerst op het standpunt gesteld dat niet vast is komen te staan dat de verdachte met een hoge dan wel aanzienlijke snelheid heeft gereden. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit de camerabeelden is gebleken dat de verdachte heeft geremd en een stuurbeweging opzij heeft gemaakt zodat hij om de verbalisanten heen kon rijden. Gelet hierop kan er naar het oordeel van de raadsman geen sprake zijn geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel is niet aannemelijk geworden en de verdachte heeft een dergelijke kans ook niet bewust aanvaard, aldus de raadsman. Met betrekking tot de onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde bedreiging heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de uiterlijke verschijningsvorm – het ontwijken van de verbalisanten – niet duidde op het aanjagen van enige vrees. [slachtoffer 2] heeft zich voorts nimmer voor de auto begeven. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1

Feit 1 (inrijden op [slachtoffer 1] )

3.4.1.1 De bewijsmiddelen

De verklaringen van de verbalisanten

[slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij in [adres 3] was toen hij via de portofoon van een collega hoorde dat een auto na staande houding in de [adres 2] er vandoor was gegaan in zijn richting. Hij zag vanuit de richting van de [adres 2] de koplampen van een auto verschijnen, die hard aan kwam rijden. Hij zag dat de auto nog ver genoeg was verwijderd om hem een stopteken te geven en is vervolgens midden op de rijbaan gaan staan en heeft de auto een stopteken gegeven. Dit duurde in totaal zeker drie seconden. Ondertussen zag hij dat de auto in zijn richting bleef rijden. Hij hoorde dat het toerental van de auto toenam en zag de auto steeds sneller dichterbij komen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat als de bestuurder van de auto hem met die snelheid zou hebben aangereden, hij het niet aannemelijk achtte dat hij het er levend vanaf zou hebben gebracht. [slachtoffer 1] is hierop opzij gesprongen. Hij zag dat de auto met hoge snelheid vlak langs hem reed.4 Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij, indien hij niet opzij zou zijn gesprongen, vol op zijn sodemieter was gereden.5

[slachtoffer 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de auto harder reed dan 50 kilometer per uur. [slachtoffer 2] leidde dit af uit de snelheid waarmee de auto hem en [slachtoffer 1] tegemoet kwam rijden, het toerental en het geluid van de motor.6

[verbalisant 1] heeft verklaard dat hij zag dat de auto geen vaart minderde en recht op zijn collega’s afreed. [verbalisant 1] zag dat als zijn collega’s niet opzij waren gesprongen, zij door de auto zouden zijn aangereden.7

Het onderzoek ter plaatse

Tijdens een reconstructie van het incident heeft de Technische en Ongevallendienst van de politie de positie van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten tijde van het incident vastgesteld en weergegeven op tekeningen en foto’s van de betreffende straat, die ter terechtzitting zijn besproken. Daarop is te zien dat de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vlak achter een verkeersdrempel stonden.8

De camerabeelden

Op de camerabeelden, die ter terechtzitting zijn bekeken, is te zien dat een auto – de rechtbank begrijpt: de auto van de verdachte – [adres 3] inrijdt. Gelet op de bewegingen van de auto lijkt het erop dat de auto met aanzienlijke snelheid rijdt. Te zien is dat twee politiebikers op de rijbaan van [adres 3] gaan staan. De rechter politiebiker (gezien vanuit het perspectief van de camera) – de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] – geeft de auto een stopteken. De auto rijdt op de politiebikers af – de rechtbank heeft waargenomen: recht op verbalisant [slachtoffer 1] – en – niet eerder dan – vlak voor de bikers – de rechtbank heeft waargenomen: ter hoogte van de verkeersdrempel – lichten de remlichten van de auto op. Te zien is dat de rechter biker – [slachtoffer 1] – naar links springt en de linker biker naar links loopt. Vlak voor de bikers maakt de auto een korte zijwaartse verplaatsing naar rechts. De auto rijdt – de rechtbank heeft waargenomen: met meer dan geringe snelheid – langs de politiebikers.9

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat politieagenten de straat op stapten en hem een stopteken gaven. Deze politieagenten stonden op de straat op zijn baan voor de auto. De verdachte heeft verklaard dat hij in paniek raakte toen hij de politie zag, hij was bang omdat hij alcohol had gedronken. Hij wilde de politie ontwijken en ontsnappen.10

Overige verklaringen

De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat zij – kort nadat zij via de portofoon van het incident in [adres 3] hadden gehoord – met hun surveillancevoertuig in het midden van de Stationstraat zijn gaan rijden om de auto te dwingen snelheid te minderen. Zij zagen dat de auto – de rechtbank begrijpt: de auto van de verdachte – met hoge snelheid in hun richting reed en geen snelheid minderde. De auto begon te slingeren. Hierop hebben de verbalisanten hun voertuig dwars over de weg stilgezet om de auto tot stoppen te dwingen. De auto bleef met hoge snelheid op het surveillancevoertuig inrijden. Op ongeveer 20 centimeter afstand draaide de auto naar links en passeerde het surveillancevoertuig.11

[getuige] , die naast de verdachte in de auto zat, heeft verklaard dat de verdachte heel hard en als een gek reed en dat hij daarbij hun levens en dat van anderen, waaronder fietsers die bijna werden aangereden, in gevaar heeft gebracht.12

3.4.1.2 Het oordeel van de rechtbank

De conclusie van de rechtbank ten aanzien van de feitelijke gebeurtenissen

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte als bestuurder van een personenauto met een aanzienlijke snelheid op verbalisant [slachtoffer 1] is afgereden. De verdachte heeft de auto vlak voor het bereiken van [slachtoffer 1] , ter hoogte van de verkeersheuvel, wat afgeremd en heeft een korte stuurbeweging naar rechts gemaakt en is vervolgens met meer dan geringe snelheid doorgereden en vlak langs de opzij gesprongen [slachtoffer 1] gereden. Naar het oordeel van de rechtbank kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] met de auto zou hebben geraakt, indien [slachtoffer 1] niet opzij was gesprongen. De verklaringen van [slachtoffer 1] hieromtrent vinden steun in de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] en in de door de rechtbank ter terechtzitting bekeken beelden.

Poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling?

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat de verdachte kwade opzet had om [slachtoffer 1] te doden of om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Vervolgens is aan de orde of sprake was van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van [slachtoffer 1] dan wel op het aan hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvan is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen gedood zou worden, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank overweegt in dit verband dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in belangrijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto. Ten aanzien van de snelheid van de auto op het moment van de bijna-aanrijding met [slachtoffer 1] zijn in dit geval geen objectieve meetgegevens beschikbaar. Voorts overweegt de rechtbank dat schatting van de snelheid (in absolute zin) van een auto door omstanders in het algemeen niet zeer betrouwbaar is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte met een zodanige snelheid heeft gereden op het moment dat hij [slachtoffer 1] passeerde, dat indien [slachtoffer 1] niet was weggesprongen, de kans op diens overlijden aanmerkelijk was geweest. Gelet hierop acht de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij de verdachte hiervan vrijspreken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Immers, naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van een voetganger door een auto die met meer dan geringe snelheid rijdt - zoals in dit geval - de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Ook de verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest.

De vraag is dan vervolgens of de verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. Anders dan de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de op de beelden waargenomen rem-actie en stuurbeweging dit niet uitsluiten. Zowel de rem-actie als de stuurbeweging, als de combinatie daarvan, waren naar het oordeel van de rechtbank dermate inadequaat om een aanrijding te voorkomen – daarvoor waren ze te laat en/of te weinig – dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat deze handelingen van de verdachte daarop gericht waren. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de voornoemde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, worden opgemaakt dat het rijgedrag van de verdachte er veeleer op was gericht om koste wat kost te voorkomen dat de politie hem zou aanhouden, ook indien dat betekende dat hij anderen daarmee in gevaar bracht. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de rem-actie plaatsvond ter hoogte van de verkeersdrempel, zodat de verdachte, die met aanzienlijke snelheid aan kwam rijden, ter wille van de bestuurbaarheid van zijn auto een eigen belang had om op die plaats kort te remmen.

Door in dit geval het stopteken van [slachtoffer 1] te negeren en niet op tijd en niet genoeg te remmen of uit te wijken om een aanrijding te voorkomen, heeft de verdachte het er op aan laten komen dat [slachtoffer 1] tijdig zou wegspringen. Daarmee heeft de verdachte de aanmerkelijke kans voor lief genomen dat – als dat niet zou gebeuren – [slachtoffer 1] door de aanrijding, die dan zou zijn gevolgd, zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Gelet hierop acht de rechtbank het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] bewezen.

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.4.2

Feit 2 (inrijden op [slachtoffer 2] )

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de ter terechtzitting bekeken beelden, niet is komen vast te staan dat de verdachte op enig moment met de auto in een rechte lijn op [slachtoffer 2] is afgereden dan wel dat [slachtoffer 2] zich op enig moment daadwerkelijk in de baan van de auto bevond. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen (aanmerkelijke) kans is geweest op een aanrijding en daarmee evenmin op zwaar lichamelijk letsel, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

Ook de subsidiair tenlastegelegde bedreiging acht de rechtbank om deze redenen niet wettig en overtuigend bewezen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de omstandigheden voor [slachtoffer 2] beangstigend moeten zijn geweest, kan, nu de verdachte niet op [slachtoffer 2] is afgereden, niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de bedreiging van [slachtoffer 2] .

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde feit.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1. subsidiair.

hij op 6 oktober 2014 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet

- een stopteken gegeven door die [slachtoffer 1] heeft genegeerd en

- vervolgens met een (personen)auto (met een aanzienlijke snelheid) in de richting van genoemde [slachtoffer 1] is gereden en blijven rijden zonder voldoende zijn snelheid te minderen/te remmen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de aanhouding van de verdachte door de politie onrechtmatig op de verdachte is geschoten en dat de verdachte daarbij ernstige verwondingen heeft opgelopen, welke omstandigheden volgens de officier van justitie zwaar mee dienen te wegen bij het bepalen van de strafmaat. De officier van justitie heeft derhalve gevorderd dat de rechtbank toepassing geeft aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat aldus wordt volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en bijkomende straf zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een auto op een politieagent in te rijden. Hij heeft daarmee de politieagent ernstig in gevaar gebracht. Het feit dat deze agent geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is een omstandigheid die geenszins aan de verdachte te danken is, maar uitsluitend aan de snelle reactie van de betreffende politieagent. Dit is reeds op zichzelf een zeer ernstig feit. Nog kwalijker is het dat de verdachte dit deed terwijl de betreffende agent hem een stopteken had gegeven en aldus bezig was met het uitoefenen van zijn publieke taak, het handhaven van de orde en de veiligheid. Ten nadele van de verdachte weegt de rechtbank verder mee, dat dit gevaarlijk rijgedrag niet op zichzelf stond, maar onderdeel was van een dollemansrit door de binnenstad, op een tijdstip in de avond waarop er veel andere weggebruikers – waaronder voetgangers en fietsers – aanwezig waren, waarbij de verdachte meerdere malen stoptekens van agenten heeft genegeerd en andere weggebruikers door zijn rijgedrag in gevaar heeft gebracht. De verdachte heeft daarbij zijn eigen belang, om niet aangehouden te worden, telkens voorop gesteld. Dit alles valt de verdachte bijzonder kwalijk te nemen.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 2 oktober 2017. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De aanhouding van de verdachte

De verdachte is, nadat zijn auto uiteindelijk door de politie was klemgereden, uit de auto gestapt en weggerend. Ter aanhouding is hij vervolgens door motoragent [verbalisant 4] (hierna: [verbalisant 4] ) twee maal beschoten. Een kogel is aan de achterzijde zijn lichaam ingegaan en heeft zijn maag en darmen geperforeerd. Een andere kogel is aan de achterzijde van zijn hoofd langs zijn schedel gegaan. De verdachte heeft een maand in het ziekenhuis gelegen en hij heeft verklaard dat hij volgens de artsen nog wel een jaar last zou hebben van zijn verwondingen.

Gelet op het (niet onherroepelijke) vonnis van de rechtbank van 2 december 2016 inzake de verdachte [verbalisant 4]13, gaat de rechtbank ervan uit dat [verbalisant 4] zijn bevoegdheid om aanhoudingsvuur te gebruiken onrechtmatig heeft uitgeoefend en dat aldus sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft daarvan, zoals hiervoor omschreven, aanzienlijk nadeel ondervonden. Gelet op de aard en de ernst van het verzuim en het feit dat een andere compensatie niet mogelijk is, zal de rechtbank het verzuim verdisconteren in de strafmaat.

De straffen

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de op te leggen straf de oriëntatiepunten van het LOVS en hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd en houdt daarnaast rekening met de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden in beginsel passend zou zijn. Gezien echter het tijdsverloop en het grote nadeel dat de verdachte heeft ondervonden door het hiervoor besproken onherstelbare vormverzuim, zal de rechtbank deze straf aanzienlijk verminderen en aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.

Gelet op de aard van het bewezenverklaarde feit en ter bescherming van de verkeersveiligheid zal de rechtbank de verdachte daarnaast de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen. Vanwege de ernst van het feit zal de rechtbank deze bijkomende straf opleggen voor de in artikel 179a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalde maximale duur van vijf jaren.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 825,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering strekt tot de vergoeding van immateriële schade.

[slachtoffer 2] heeft zich ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 825,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering strekt tot de vergoeding van immateriële schade.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 750,00, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, gelet op wat de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit. De rechtbank heeft bij de bepaling van dit bedrag acht geslagen op de vergoeding die eerder in een vergelijkbare zaak is toegekend.14

De rechtbank zal derhalve de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 750,00.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen gerekend vanaf 6 oktober 2014, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf, bijkomende straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;

- 179 a van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat die straf, groot 2 (twee) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 5 (vijf) jaren;

benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] , een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering voor het overige deel af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

benadeelde partij [slachtoffer 2]

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.J. van de Kar, voorzitter,

mr. D. Biever, rechter,

mr. W.G. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.C. Bloem, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014246030, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag/Centrum, bureau Hoefkade, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 230).

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2014, p. 27.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 15 oktober 2014, p. 225-226.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2014, p. 27.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] door de rechter-commissaris d.d. 29 april 2015, punt 10.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] door de rechter-commissaris d.d. 29 april 2015, punt 17.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2014, p. 61.

8 Voorlopig proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2014, met bijlagen, p. 92-105; proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 1 november 2017.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2014, p. 68; proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 1 november 2017.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 15 oktober 2014, p. 225-226.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 64-65.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige] , p. 157.

13 Rechtbank Den Haag d.d. 2 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14520.

14 Hof Amsterdam d.d. 16 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3843, in stand gehouden door Hoge Raad d.d. 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:412.