Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13249

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
NL17.4014
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK, VA, aanvraag kennelijk ongegrond o.g.v. 30b onder j, 1(F) Vluchtelingenverdrag, Gambia, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.4014


uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A.M.W. 't Hoen).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 juni 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.4015, plaatsgevonden op 17 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Idemudia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Gambiaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 10 augustus 2015 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser was van 2009 tot 10 februari 2014 werkzaam als rechercheur bij de Serious Crimes Unit (SCU) te Banjul, Gambia. De inspecteur-generaal van de politie kreeg regelmatig instructies van de president van Gambia om rechercheurs op pad te sturen om onderzoek te doen naar bepaalde personen. Wanneer het bureau van de president er belang bij had om bepaalde personen veroordeeld te zien, werden deze door de politie overgedragen aan de National Intelligence Agency (NIA). In september 2013 kreeg eiser de opdracht om drie mensen op te sporen die werden verdacht van homoseksuele activiteiten. Deze verdachten moesten vervolgens overgedragen worden aan de NIA, waar zij zijn gemarteld. Zij hebben acht namen gegeven van mensen, die vervolgens ook door de SCU zijn gearresteerd op verdenking van homoseksuele activiteiten. Zij zijn op 10 februari 2014 op zitting geweest en de dag erna heeft eiser deze acht mensen helpen ontsnappen uit hun cel. Eiser werd gevangengenomen, maar kwam vervolgens op borgtocht vrij. De voorwaarde was dat hij de verdachten zou opsporen en terugbrengen. Dit heeft eiser niet gedaan en hij heeft Gambia verlaten uit vrees voor de overheid.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag). Eiser wordt in verband gebracht met het faciliteren van foltering en buitengerechtelijke detentie.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw (een zwaar inreisverbod) is uitgevaardigd, zolang dit zware inreisverbod voortduurt, geen belang bij de beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van een zodanige vergunning (onder meer de uitspraken van 9 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:298, en van 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:638). In het kader van de toetsing van het inreisverbod kan ten volle aan de orde worden gesteld of verweerder, zoals in het onderhavige geval, op goede gronden de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning heeft afgewezen. De rechtbank zal de gronden van eiser, gericht tegen de afwijzing van de aanvraag, bespreken in het kader van het beroep tegen het inreisverbod.

6. Op grond van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag, voor zover van belang, zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht, kunnen worden aangemerkt als ernstige niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. In geschil is of er sprake is van ‘knowing and personal participation’.

8. Uit paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. Om te bepalen of de betrokken vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Daarbij wordt beoordeeld of ten aanzien van de betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

9. Volgens het hiervoor genoemde beleid is onder meer sprake van ‘knowing participation’ als de betrokkene heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betroffen zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Van ‘personal participation’ is volgens het beleid onder meer sprake als blijkt dat de vreemdeling het misdrijf persoonlijk heeft gepleegd of het misdrijf door de vreemdeling direct is gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen dat het misdrijf heeft plaatsgevonden. Onder wezenlijke bijdrage moet worden verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden als niemand de rol van de vreemdeling had vervuld, dan wel de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’. Uit eisers verklaringen komt naar voren dat hij wist dat de NIA, met wie hij als rechercheur bij de SCU regelmatig samenwerkte, zich schuldig maakte aan mensenrechtenschendingen. Uit zijn verklaringen blijkt dat hij zich op verschillende momenten bewust moet zijn geweest van de misdaden van de NIA, maar desondanks zijn werkzaamheden niet heeft beëindigd. Eisers stelling dat hij zodra hij betrokken raakte bij mensenrechtenschendingen het land heeft verlaten, volgt de rechtbank dan ook niet. Ook eisers stelling dat zijn kennis over de gang van zaken slechts algemene kennis is die iedere inwoner van Gambia heeft, wordt niet gevolgd. Van doorslaggevend belang is immers dat eiser op de hoogte was van de misdrijven van de NIA en desondanks zijn werkzaamheden heeft voortgezet.

11. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘personal participation’. Eiser heeft immers verklaard dat hij personen heeft overgedragen aan de NIA, in de wetenschap dat deze personen door de NIA onterecht vastgehouden en gefolterd konden worden. Hierdoor heeft hij de omstandigheden geschapen waaronder de NIA de genoemde misdrijven heeft kunnen plegen en heeft hij deze misdrijven dus gefaciliteerd. De stelling dat eiser slechts éénmaal betrokken is geweest bij een overdracht van personen aan de NIA en daarna meteen is gevlucht, maakt dat niet anders. Dat eiser een lage rang had en stelt dat hij geen wezenlijke invloed kon uitoefenen op de beslissingen van de SCU, maakt niet dat hij wordt gevrijwaard van verantwoordelijkheid voor zijn daden. Eiser is gedurende een langere periode werkzaam geweest voor de SCU, maar heeft zich niet in een eerder stadium onttrokken aan zijn werkzaamheden. Onder deze omstandigheden kan het feit dat hij na verloop van tijd in een positie is komen te verkeren waarin hij niet zonder gevaar genoemde orders kon weigeren, niet in de weg staan aan de toerekening van de gevolgen van zijn handelen dan wel nalaten.

12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Gelet op artikel 3.107, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw.

13. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft in Gambia de wet overtreden en daarom staat hem bij terugkeer een langdurige gevangenisstraf te wachten. In de gevangenis zal hij geconfronteerd worden met misdadigers die hij in het verleden in het gevang stopte. Nu eiser deze stelling niet heeft onderbouwd, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om op grond daarvan te concluderen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

14. Nu artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en was verweerder met toepassing van artikel 66a, vierde lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vb, bevoegd om aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar op te leggen.

15. Eiser heeft in beroep betoogd dat hij de vader is van een kind dat de Nederlandse nationaliteit bezit, zodat hij dient te worden beschouwd als gemeenschapsonderdaan en de Richtlijn 2008/115/EG niet op hem van toepassing is. Voor zover eiser hiermee een beroep doet op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (C-133/15), stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat de situatie van eiser vergelijkbaar is met de situatie die aan de orde was in voornoemd arrest. De beroepsgrond faalt.

16. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond. Nu het inreisverbod in stand blijft, heeft eiser geen belang bij een beoordeling van de gronden gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het beroep, voor zover gericht tegen die afwijzing, is daarom niet-ontvankelijk.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzitter, mr. A.C.J. van Dooijeweert en mr. M.J.L. Holierhoek, leden, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.