Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:13248

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
17 / 10159
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3507, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsnood m.b.t. indentificerende documenten?

Eiseres heeft een aanvraag mvv in het kader van nareis ingediend. Zij heeft geen door de autoriteiten afgegeven identificerende documenten overgelegd.

De rechtbank concludeert dat het Algemeen Ambtsbericht Eritrea 2014 niet eenduidig is over de vraag of achttienjarigen wel of niet verplicht zijn een identiteitskaart aan te vragen. Nu volgens de Eritrese autoriteiten die verplichting kennelijk niet bestond op het moment dat eiseres zich nog in Eritrea bevond, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dergelijke kaart niet heeft en ook nooit heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/17/10159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres 1] (eiseres 1),

[eiseres 2] (eiseres 2),

[eiser] (eiser)

(samen te noemen: eisers)

(gemachtigde: mr. L.J.H. Hoven-Kohl),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Minister van Veiligheid en Justitie

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) in het kader van nareis asiel afgewezen.

Bij besluit van 18 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2017. Eisers zijn niet verschenen. Zij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, niet betwiste, feiten en omstandigheden. [referent] , verder te noemen: referent, geboren op [geboortedag] 1989, bezit de Eritrese nationaliteit. Bij besluit van 6 oktober 2015 is aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

2. Referent heeft op 3 december 2015 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis asiel voor:

  • -

    zijn gestelde echtgenote [eiseres 1] , geboren op [geboortedag] 1991,

  • -

    hun gestelde dochter [dochter] , geboren op [geboortedag] 2010 en

  • -

    hun gestelde zoon [zoon] , geboren op [geboortedag] 2013.

3. Eisers hebben bij hun aanvraag geen paspoorten of identiteitskaarten overgelegd. Hangende de onderhavige procedure hebben zij wel een kerkelijke huwelijksakte inzake het huwelijk tussen referent en eiseres 1 overgelegd, alsmede doopaktes van eiseres 2 en van eiser.

4. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag voor een mvv afgewezen. Verweerder heeft deze afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat eisers geen documenten hebben overgelegd waarmee hun identiteit en de gezinsband met referent kan worden aangetoond. De documenten die wel zijn overgelegd acht verweerder hiertoe onvoldoende. Volgens verweerder is geen sprake van bewijsnood.

5. Eisers kunnen zich hier niet in vinden. Primair zijn zij van mening dat verweerder op grond van de documenten die zij hangende de onderhavige procedure hebben ingediend, de gevraagde vergunning zou moeten verlenen. Uit overgelegde verklaringen van deskundigen blijkt dat deze stukken als officiële documenten aangemerkt moeten worden. Subsidiair hebben zij zich, onder verwijzing naar onder andere het Algemeen Ambtsbericht van Eritrea van 2014 (AA Eritrea 2014), op het standpunt gesteld dat wel sprake is van bewijsnood.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Ingevolge het vierde lid van artikel 29 van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het tweede lid, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.

8. Volgens paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw 2000 of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van documenten. Indien de vreemdeling de benodigde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen.

9. De rechtbank is van oordeel dat het primaire standpunt van eisers op dit moment niet ter beoordeling kan liggen, nu - alvorens toe te komen aan de vraag of deze kerkelijke aktes voldoende zijn om de familieband met referent aan te tonen - eerst vastgesteld moet kunnen worden dat eisers daadwerkelijk degene zijn die zij stellen te zijn. De kern van deze zaak spitst zich derhalve toe op de vraag of verweerder eisers terecht heeft tegengeworpen dat zij niet in bewijsnood verkeren.

10. Eisers hebben hieromtrent aangevoerd dat het in Eritrea niet gebruikelijk is om over originele documenten te beschikken. Verweerder is ten onrechte uitgegaan van hetgeen hierover in het Algemeen Ambtsbericht van Eritrea van 2017 (AA Eritrea 2017) staat vermeld. Gekeken dient te worden naar datgene wat in het AA Eritrea 2014 staat vermeld, omdat eisers Eritrea in 2015 hebben verlaten en daarna niet meer in hun land zijn terug gekeerd. Het AA Eritrea 2017 is derhalve niet op hen van toepassing. Uit het AA Eritrea 2014 blijkt onder andere - anders dan in het AA Eritrea 2017 staat vermeld - dat er geen wettelijke verplichting in Eritrea is (voor meerderjarigen) om een identiteitskaart aan te vragen.

11. Verweerder heeft ter zitting hieromtrent gesteld dat niet van eisers wordt verwacht dat zij nu alsnog teruggaan naar Eritrea om identificerende, van de officiële autoriteiten afkomstige, documenten aan te vragen. Wat eisers (en met name eiseres 1) echter wel wordt tegen geworpen is dat zijn niet aannemelijk hebben gemaakt dat eiseres 1 zelf nooit een paspoort of identiteitskaart heeft gehad. Uit het AA Eritrea 2017 blijkt immers dat iedere inwoner van Eritrea ouder dan achttien jaar een identiteitsbewijs moet hebben en dat er ook daadwerkelijk identiteitsbewijzen worden verstrekt. Aangezien eiseres 1 ouder dan achttien jaar is, heeft zij onvoldoende uitgelegd waarom zij geen identiteitsbewijs had / heeft gehad. Voorts wordt eisers tegengeworpen dat de geboortes van eiseres 2 en eiser niet bij de officiële autoriteiten zijn geregistreerd, terwijl uit het ambtsbericht blijkt dat dit wel had gekund en zelfs had gemoeten.

12. De rechtbank stelt allereerst vast dat het AA Eritrea 2017 waar verweerder zich op baseert dateert van 6 februari 2017. Op pagina 5 staat vermeld dat het ambtsbericht de periode van augustus 2015 tot en met november 2016 beslaat. In het AA Eritrea 2017 staat inderdaad vermeld (zoals verweerder stelt) dat “alle Eritreeërs die ouder zijn dan achttien jaar […] in het bezit [moeten] zijn van een identiteitskaart.” Ook staat in dat ambtsbericht dat “het […] verplicht [is] een pasgeboren kind te laten registreren. Als ouders een geboorte niet binnen drie maanden laten registreren, kunnen zij daarvoor boetes of gevangenisstraffen opgelegd krijgen.” Daar staat echter tegenover dat eisers – zoals onweersproken gesteld – in 2014/2015 uit Eritrea zijn vertrokken. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder zijn beslissing ten onrechte heeft gebaseerd op de situatie zoals omschreven in het AA Eritrea 2017, aangezien eisers in die periode niet in het land hebben verbleven. Dit klemt te meer nu AA Eritrea 2014 blijkens pagina 3 van dit ambtsbericht de periode van maart 2013 tot en met april 2014 beslaat.

13. De rechtbank stelt voorts vast dat in paragraaf 3.4.4.2 van het AA Eritrea 2014 het volgende is vermeld: “Vanaf de leeftijd van 18 jaar kan een (blauwe) identiteitskaart worden aangevraagd. […] Er is volgens de Eritrese autoriteiten geen wettelijke verplichting (onderstreping rechtbank) om op de leeftijd van 18 jaar een identiteitskaart aan te vragen.” Een paar regels verder staat nog vermeld: “Andere bronnen meldden echter dat elke Eritreeër boven de 18 jaar in het bezit moet zijn van een identiteitskaart.”

De rechtbank concludeert dat het AA Eritrea 2014 niet eenduidig is over de vraag of achttienjarigen wel of niet verplicht zijn een identiteitskaart aan te vragen. Nu echter volgens de Eritrese autoriteiten die verplichting kennelijk niet bestond op het moment dat eiseres 1 zich nog in Eritrea bevond, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres 1 onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dergelijke kaart niet heeft en ook nooit gehad heeft.

14. In het AA Eritrea 2014 staat geen aparte vermelding over de vraag of inwoners van Eritrea verplicht zijn geboortes te laten registreren en of dit in de praktijk ook mogelijk is. Nu ook ten aanzien van dit punt echter in ieder geval niet het AA Eritrea 2017 aan eisers kan worden tegen geworpen heeft verweerder het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt derhalve.

15. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

16. De rechtbank ziet vanwege de aard van de geconstateerde gebreken geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eisers neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 30 oktober 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.